Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2001:AA9531

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2001
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/346
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Korte Gedingen

Uitspraak: 15 januari 2001

Kort-geding-nummer: 00/346

VONNIS

van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. V.M.J. Both

advocaat: M.E.M. Sanders te Almelo,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur: mr. N.H. Meijeringh,

PROCESGANG

Eiser heeft gedaagde in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 4 januari 2001. Eiser heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de president bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeelt om medewerking te verlenen aan het notarieel transport van de boerderij met ondergrond, huis met ondergrond, erf, weiland, water, [kadastrale omschrijving] conform de door de notaris opgestelde akte van levering, en wel binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van ¦ 25.000,00 per dag dat gedaagde nalatig blijft aan dit vonnis te voldoen, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door, eiser door zijn advocaat en gedaagde door zijn procureur, waarbij gedaagde primair heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van gedaagde, subsidiair tot afwijzing van de gevorderde dwangsom en meer subsidiair tot matiging en maximering van de gevorderde dwangsom, alles met veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht. Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De president doet heden uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

1. Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van stellingen van partijen of ook op grond dat ze blijken uit de tussen partijen onomstreden gebleven inhoud van overgelegde schriftelijke stukken. Uit stellingen van partijen moeten feiten als vaststaand worden afgeleid als ze door de ene partij zijn gesteld en vervolgens door de andere partij zijn erkend of door die partij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

Overigens draagt de vaststelling van feiten in een kort geding noodgedwongen een voorlopig karakter, omdat de gelegenheid om getuigen te ondervragen en deskundigenbericht in te winnen dan pleegt te ontbreken.

2. Aldus gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

2.1. Partijen zijn broers en enige erfgenamen van hun op 25 april 1998 overleden moeder. Tot de nalatenschap behoren de volgende onroerende zaken: de boerderij met ondergrond, huis met ondergrond, erf, weiland, water, [kadastrale omschrijving]. Partijen hebben over de verdeling van de nalatenschap (nog) geen overeenstemming.

2.2. De boerderij en het woonhuis zijn vanaf het overlijden van de moeder van partijen niet meer bewoond. Gedaagde heeft deze onroerende zaken wind- en waterdicht gehouden. Verder heeft gedaagde het vee verzorgd en het land bewerkt.

2.3. Makelaar [naam makelaar] heeft op 10 april 2000 de waarde van de onroerende zaken op een bedrag van ¦ 1.200.000,00 getaxeerd. Op 11 april 2000 heeft makelaar [naam makelaar] aan eiser geschreven dat een vraagprijs bij verkoop van de onroerende zaken van ¦ 1.600.000,00 alleszins verantwoord is, gezien de hectiek in de markt.

2.4. Op 26 september 2000 heeft de makelaar eiser telefonisch laten weten dat zich bij hem een koper voor de onroerende zaken had gemeld, die bereid is een koopsom van ¦ 2.000.000,00 te betalen. Eiser heeft voor die koopsom op 15 november 2000 een koopovereenkomst gesloten onder de ontbindende voorwaarde dat gedaagde aan de verkoop en levering meewerkt. Ingevolge de koopovereenkomst zou de akte van levering op 20 december 2000 worden gepasseerd. De koper heeft zich bereid verklaard de leveringstermijn te verlengen teneinde de uitkomst van het onderhavige kort geding af te wachten.

Het geschil en de beoordeling daarvan

3. Eiser vordert als deelgenoot in de onverdeelde nalatenschap dat gedaagde als andere deelgenoot in diezelfde nalatenschap wordt veroordeeld mee te werken aan de levering van tot de gemeenschap behorende onroerende zaken.

4. Artikel 3:190 van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt als hoofdregel, dat een deelgenoot niet kan beschikken over zijn aandeel in een tot de gemeenschap behorend goed. Eiser heeft dus in beginsel voor de door hem beoogde vervreemding de medewerking van gedaagde nodig, die in principe niet zonder meer afdwingbaar is. Eiser legt aan zijn vordering enkel ten grondslag dat hij thans in de gelegenheid is de onroerende zaken op een financieel voordelige wijze te verkopen. Deze grond op zich is onvoldoende om de vordering te dragen. Reeds hierom zou de vordering moeten worden afgewezen.

Eiser heeft nog wel aangevoerd dat niemand gehouden is in een onverdeelde boedel te blijven, maar geeft daarbij toe dat de onderhavige kort-geding-vordering niet beoogt om tot een verdeling te komen. Een kort geding leent zich daarvoor ook niet.

5. Als de vordering aldus zou moeten worden beschouwd dat zij strekt tot een machtiging tot het te gelde maken van een gemeenschappelijk goed om gewichtige redenen zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 3:174 BW, dan zal moeten worden nagegaan of die gewichtige reden zich voordoet. Zoals hiervoor al is overwogen is de vordering gegrond op de stelling dat zich thans de mogelijkheid voordoet de onroerende zaken voor een bedrag van ¦ 2.000.000,00 te verkopen.

6. Gedaagde stelt echter, dat hij de onroerende zaken toebedeeld wenst te krijgen omdat zij voor hem een grote emotionele waarde vertegenwoordigen en ook omdat hij zakelijk plannen met de onroerende zaken heeft. Dit standpunt van gedaagde rechtvaardigt in ieder geval, dat in het kader van een verdeling uit hoofde van artikel 3:185 BW wordt bezien of er termen zijn de onroerende zaken aan gedaagde toe te delen. De president verwijst hier naar de verschillende wijzen van verdeling die in het tweede lid van artikel 3:185 BW zijn opgesomd, alsmede op de in het derde lid van dat artikel genoemde mogelijkheid de vergoeding van de overwaarde in termijnen te voldoen. Of de onroerende zaken bij verdeling aan gedaagde zullen worden toebedeeld, kan in het kader van dit kort geding niet worden beoordeeld, maar kan ook niet bij voorbaat worden uitgesloten. Onder deze omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de president niet worden gesproken van een zodanige gewichtige reden dat aan eiser een machtiging in de zin van artikel 3:174 BW moet worden verstrekt. Daarbij komt dat gedaagde gemotiveerd stelt dat tussen partijen al een overeenkomst met betrekking tot de onroerende zaken is gesloten uit hoofde van welke overeenkomst de onroerende zaken voor een bedrag van ¦ 600.000,00 aan hem dienen te worden overgedragen, hetgeen eiser gemotiveerd betwist. Omdat de stellingen van partijen lijnrecht tegenover elkaar staan kan in dit kort geding niet worden uitgemaakt wie van beide partijen in dezen gelijk heeft. Indien in een eventuele bodemprocedure de door gedaagde gestelde overeenkomst niet zou komen vast te staan, ligt het in het kader van een verdelingsprocedure voor de hand dat de rechtbank deskundigenonderzoek zal laten verrichten naar de waarde, die aan de onroerende zaken moet worden op het tijdstip van de verdeling. De omstandigheid dat de mogelijkheid bestaat dat dan de onroerende zaken op een lager bedrag worden getaxeerd dan eiser thans door verkoop aan de huidige gegadigde kan realiseren, acht de president niet een zodanige gewichtige reden in de zin van artikel 3:174 BW dat op die grond aanleiding bestaat om een machtiging tot de beoogde verkoop af te geven.

7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering wordt afgewezen. Eiser moet als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding:

1. weigert de gevraagde voorzieningen;

2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gedaagde begroot op ƒ 400,00 aan verschotten en ƒ 1.550,00 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.T. Vos, fungerend president, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2001.

fn 100