Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA9180

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/080173-00
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 28 december 2000

Parketnummer: 17/ 080173-00

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op 1975 te [geboortegemeente],

wonende te [woonplaats en adres],

thans gedetineerd in gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 14 december 2000.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mw. mr. K.S. Kort, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BERAADSLAGING

Ten aanzien van verdachte wordt het primair telastegelegde bewezen verklaard, te weten poging tot doodslag.

De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Alle verdachten zijn in dezelfde auto gestapt met als doel verhaal te halen op de broers [achternaam slachtoffer], waarbij door drie van hen reeds op voorhand voorwerpen, die als slagwapen konden dienen, in de auto werden meegenomen. Gelet op het feit dat verdachten bekend was dat de beide broers [achternaam slachtoffer] zich in een eerdere instantie kennelijk agressief hadden betoond en verdachten beseften dat het op een handgemeen kon uitlopen, is de rechtbank van oordeel dat verdachten bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat een handgemeen zou kunnen ontstaan, waarbij de slagwapens op een zodanige wijze zouden kunnen worden gebruikt dat één en ander tot zwaar lichamelijk letsel zou kunnen leiden. Aldus hadden zij allen een gemeenschappelijk opzet op zware mishandeling.

Nadat zij de beide broers in het vizier kregen, hebben zij allen de auto verlaten en gingen ze achter de broers aan en is uiteindelijk, nadat deze ten val was gekomen, door meerdere verdachten geweld gebruikt jegens [slachtoffer].

Verdachte heeft daarover verklaard dat hij op een gegeven moment het slachtoffer op de grond zag liggen en dat twee van zijn kameraden om het slachtoffer heen stonden en dat deze op dat moment geen geweld bezigden tegen het slachtoffer. Hij is toen op het slachtoffer afgelopen en heeft deze met de steen die hij vanaf het begin bij zich heeft gehad, gericht tegen de linkerzijde van het hoofd geslagen en daarna heeft hij hem nog een keer geschopt.

De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verdachte om voormeld geweld te gebruiken in een situatie dat het slachtoffer weerloos op de grond lag moet worden beschouwd als een door hem zelfstandig genomen besluit, welke het hierboven genoemd gezamenlijk opzet te buiten ging, immers door met een steen bewust op het hoofd van het weerloos op de grond liggend slachtoffer te slaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat door dat geweld het slachtoffer zou kunnen komen te overlijden en daarmee heeft verdachte, anders dan zijn medeverdachten, opzet gehad op de levensberoving.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 september 2000 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, (op/nabij de Henri Dunantweg) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, hebbende verdachte met dat opzet die [slachtoffer] met een steen met kracht tegen het hoofd geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

Primair: Poging tot doodslag.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het primair telastegelegde, te weten poging tot doodslag, tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

Twee vrienden van verdachte hebben in eerste instantie een aanvaring gehad met de broers [achternaam slachtoffer], waarbij de auto van de één werd beschadigd en de ander kennelijk was geslagen. Toen zij dit thuis vertelden zijn ze, onder medebrenging van een aantal slagwapens, met z'n vijven in de auto gestapt om de broers te achterhalen en verhaal te halen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de ten aanzien van zijn vrienden bewezenverklaarde zware mishandeling.

Verdachte heeft op een moment dat één van de broers al weerloos op de grond lag en er klaarblijkelijk van enige schermutseling geen sprake meer was, het besluit genomen dat slachtoffer gericht met een door hem meegebrachte steen hard tegen het hoofd te slaan, welke handeling door de rechtbank is aangemerkt als een handeling welke het gezamenlijke opzet te buiten ging en dient te worden beschouwd als een door verdachte gepleegde poging tot doodslag. Voor verdachte geldt om die reden, nog meer dan ten aanzien van zijn vrienden, dat hij elk gevoel voor proportionaliteit uit het oog heeft verloren en is overgegaan tot excessief geweld, hetwelk verstrekkende gevolgen voor het slachtoffer had kunnen hebben.

In de strafoplegging dient anderzijds mee te wegen dat verdachte zeker niet als enige verantwoordelijk is voor het letsel van het slachtoffer.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is, zij het dat deze van kortere duur zal zijn dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Een deel zal voorwaardelijk worden opgelegd met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact.

BENADEELDE PARTIJ

[benadeelde partij] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade in ieder geval tot een bedrag van ƒ 10.000,00 voldoende aannemelijk is geworden en mede in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dit deel van de vordering gegrond en bij wijze van voorschot toewijsbaar. De rechtbank zal dit bedrag hoofdelijk toewijzen nu het feit door meerdere personen is gepleegd. De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot een bedrag van ƒ 2.000,00 ponds-ponds gewijs aangewezen.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45 en 287 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG MAANDEN.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde:

- zich bij het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland;

- ervoor zorgt dat hij gedurende de proeftijd bereikbaar is voor genoemde reclasseringsinstelling;

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens genoemde reclasseringsinstelling.

Draagt genoemde reclasseringsinstelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], wonende te [woonplaats en adres], bij wijze van voorschot, toe en veroordeelt verdachte mitsdien - samen met zijn mededaders of, wanneer die mededaders niet betalen, alleen - tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ƒ 10.000 (zegge: tienduizend gulden), met veroordeling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op ƒ 3.160,26.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 2.000 (zegge: tweeduizend gulden), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 2.000 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte - al dan niet samen met zijn mededaders - aan de benadeelde partij een bedrag van ƒ 10.000 heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van het opgelegde bedrag van ƒ 2.000 komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. S.M. van der Schenk en mr. M.R. Gans, rechters, bijgestaan door mr. I. de Bruin, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 december 2000.

Mr. Van der Schenk en mr. Gans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.