Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA9141

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/1175 WRO17
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr. 00/1175 WRO17

Inzake het geding tussen

de Vereniging voor Plaatselijk Belang Sonnega-Oldetrijne, gevestigd te Sonnega, verzoekster,

gemachtigde: H. Schuurer, penningmeester van de vereniging.

en

het college van burgemeester en wethouders van Weststellingwerf, verweerder,

gemachtigden: M. Hoekstra en J. van Weperen, ambtenaren van verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft verweerder aan het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: het COA) tijdelijk vrijstelling op grond van art. 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en vergunning verleend voor het oprichten van een Asielzoekerscentrum (AZC) aan de Pieter Stuyvesantweg 2 te Sonnega.

Verzoekster heeft tegen dit besluit bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, ingekomen op 21 november 2000. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 20 november 2000 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst totdat de bezwaar- en beroepschriften zijn afgehandeld.

Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 1 december 2000. Namens verzoekster is de gemachtigde verschenen, vergezeld van G. Baijlé, medebestuurslid van de vereniging. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen. Namens het bestuur van het COA, dat op de voet van art. 8:26 Awb als derde-belanghebbende aan het geding deelneemt, is verschenen mr. C.L.M. Verlaan. Gedeputeerde staten van Fryslân, die eveneens op de voet van art. 8:26 Awb als derde-belanghebbenden aan het geding deelnemen, zijn niet verschenen.

Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

De feiten

Bij bestuursovereenkomst van 16 februari 2000 hebben het COA en verweerders gemeente onder meer ingestemd met de vestiging van een AZC voor een periode van maximaal 5 jaar.

In navolging van deze overeenkomst heeft het COA op 23 maart 2000 bij verweerder een aanvraag ingediend voor het oprichten van een AZC, inhoudende het plaatsen van kantoren, een crèche, recreatie- en educatieruimte, caravans, een loopbrug en de aanleg van bijbehorende infrastructurele werken zoals groenvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, wegen en riolering op het perceel kadastraal bekend gemeente Oudetrijne, sectie G, nummer 330, 634 (deels) en 593 (deels), en plaatselijk bekend Pieter Stuyvesantweg 2 te Sonnega (hierna: de percelen).

Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied en voor wat betreft de loopbrug met het uitbreidingsplan in onderdelen "kern Wolvega".

Verweerder heeft derhalve de aanvraag om een bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in art. 17 WRO.

Met ingang van 8 juni 2000 heeft deze aanvraag van het COA gedurende een termijn van twee weken voor een ieder in het gemeentehuis te Wolvega ter inzage gelegen.

Bij brief van 2 augustus 2000 heeft de welstandscommissie Hûs en Hiem aan verweerder bericht dat het bouwplan niet geheel voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hûs en Hiem heeft hierbij -voor zover hier relevant- het volgende overwogen:

"Het voorbehoud betreft het plan op zichzelf en in verband met de omgeving en is op het volgende gericht:

hoofdvorm en aanzichten

De vormgeving van de brug valt door de apart opgezette "kooi" te zeer uiteen.

kleurtoon

De lichte kleur van de wanden van de caravans maakt deze te nadrukkelijk in het omgevingsbeeld. De bruine kleur van de wanden van de gebouwen is, hoewel gedekt van kleurtoon, relatief indringend. Indien met de aangegeven RAL-nummers evenwel houtkleur is bedoeld, is dit probleem opgelost.

algemeen

het hier gewenste laanachtige karakter van de entree heeft onvoldoende gestalte gekregen.

Wij stellen voor de kritiek te ondervangen. Met betrekking tot de loopbrug ligt het voor de hand de kooi te integreren met het onderste deel of de kooi geheel weg te laten. Voor de caravans is een per cluster gevarieerde, gedekte kleurstelling een probaat middel om de massaliteit terug te dringen."

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning voor het AZC aan het COA verleend. Bij besluit van gelijke datum heeft verweerder tevens vrijstelling op grond van art. 17 WRO en vergunning verleend voor het oprichten van een berging en stalling op de locatie van het te bouwen AZC. Ter zitting is namens verzoekster naar voren gebracht dat het verzoek om een voorlopige voorziening is gericht op het besluit met betrekking tot de oprichting van het AZC.

Namens verzoekster is aangevoerd dat het centrum is geprojecteerd in het agrarisch buitengebied en derhalve landschappelijk niet inpasbaar is. Bovendien wil men de groene buffer, die tussen Sonnega en Wolvega ligt en waar het AZC is gelokaliseerd, behouden. Daarnaast is een AZC met 600 bewoners een te grote belasting voor het dorp Sonnega met ongeveer 200 inwoners.

Tevens is aangevoerd dat, door de ligging van de hoofdingang van het centrum aan een drukke doorgaande provinciale weg, zich bij de hoofdingang levensgevaarlijke situaties zullen voordoen. Ook het feit dat het centrum alleen wordt ontsloten door de hoofdingang zal met name bij calamiteiten tot problemen leiden.

Ten slotte worden vraagtekens gezet bij het tijdelijk karakter van het verlenen van de vrijstelling en de bouwvergunning, aangezien het niet ondenkbaar is te achten dat na verloop van de periode van 5 jaar een art. 19 WRO procedure gestart wordt.

De president overweegt als volgt.

De beoordeling van het geschil

In art. 40 lid 1 Woningwet is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouder (bouwvergunning).

In art. 44 onder c en d Woningwet is voorts bepaald dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen, dan wel met redelijke eisen van welstand.

Ingevolge lid 17 lid 1 WRO - voor zover hier van belang - kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Art. 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Besluit) bepaalt dat vrijstelling als bedoeld in art. 17 WRO slechts wordt verleend indien aannemelijk is dat het beoogde bouwwerk of het gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk zal voortduren.

In art. 45 lid 1 aanhef en onder d Woningwet wordt bepaald dat in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan art. 17 WRO wordt toegepast, een termijn wordt gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Ingevolge lid 4 van dit artikel is deze termijn gelijk aan die, waarvoor de vrijstelling is verleend.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) kan de in art. 17 WRO neergelegde vrijstellingsbevoegdheid slechts worden gebruikt, indien er concrete en objectieve criteria voorhanden zijn, waaruit aannemelijk wordt dat het te realiseren bouwplan niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven. De president verwijst in dit kader onder meer naar de uitspraak van de AbRS van 2 januari 1992, gepubliceerd in BR 1992/758. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van het COA toegelicht dat het bij de opvang van asielzoekers van belang is om in te kunnen spelen op fluctuaties in de instroom en de uitstroom van asielzoekers en de daarbij benodigde opvang. Het COA streeft daarbij naar de vestiging van zowel tijdelijke AZC's als permanente centra voor de opvang. In het onderhavige geval gaat het om een tijdelijk AZC. Ten behoeve van de vestiging van dit AZC hebben verweerders gemeente en het COA een bestuursovereenkomst gesloten. Uit art. 12 van deze overeenkomst volgt dat deze is aangegaan voor een periode van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de feitelijke ingebruikname van het AZC.

Voorts is, ter ondersteuning van het standpunt dat het gaat om een tijdelijk AZC, naar voren gebracht dat het AZC zal bestaan uit caravans en semi-permanente bouwwerken en infrastructurele voorzieningen. Daarnaast is opgemerkt dat het voor het COA praktijk is om AZC's, die op basis van een vergunning ex art. 17 WRO zijn opgericht, na verloop van de termijn van vijf jaar te ontmantelen.

Gelet op het vorenstaande en het feit dat het op grond van art. 17 WRO niet mogelijk is de termijn van vijf jaar te verlengen, heeft verweerder naar het oordeel van de president voldoende aannemelijk gemaakt dat het in geding zijnde AZC een tijdelijk karakter zal hebben en dat deze tijdelijkheid beperkt zal blijven tot de krachtens art. 17 WRO maximaal toelaatbare termijn.

Voorts is niet gebleken dat het bestemmingsplan en het uitbreidingsplan een bepaling bevatten op grond waarvan de toepasselijkheid van art. 17 WRO is uitgesloten.

Tevens heeft verweerder voldoende gemotiveerd aangegeven dat de gekozen locatie als meest geschikte naar voren is gekomen, met name gelet op de directe ligging van het AZC bij Wolvega en de voorzieningen van deze woonplaats.

Naar het voorlopig oordeel van de president is verweerder derhalve bevoegd ten behoeve van de vestiging van het asielzoekerscentrum op de onderhavige percelen vrijstelling te verlenen.

Voor wat betreft het aspect dat in art. 12 van de overeenkomst voor de berekening van de periode van ten hoogste vijf jaar als uitgangspunt geldt de datum dat het centrum in gebruik wordt genomen, heeft de president het volgende overwogen. De tekst van zowel art. 19 van het Besluit als van art. 45 lid 1 aanhef en onder d Woningwet wijst er op dat bedoeld is met de vrijstelling, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk, de instandhouding van dat bouwwerk mogelijk te maken gedurende (ten hoogste) vijf jaar. Evenals de rechtbank Zwolle in haar uitspraak van 31 oktober 2000 (reg.nr. AWB 99/11442) inzake de oprichting van een AZC in Hasselt, is de president van oordeel dat de termijn, bedoeld in art. 17 WRO, een instandhoudingtermijn is, die begint te lopen op het moment dat de oprichting van het bouwwerk is voltooid, aangezien er voor dat tijdstip niet gesproken kan worden van het instandhouden van het bouwwerk.

Met betrekking tot het door verweerder, in afwijking van de welstandscommissie Hûs en Hiem, ingenomen standpunt omtrent de welstandsbeoordeling, wordt het volgende overwogen.

Ingevolge art. 12 lid 1 Woningwet, voor zover hier van belang, mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Uit de aard van het in deze bepaling neergelegde welstandsvereiste en het bepaalde in art. 44 onder d Woningwet vloeit voort dat verweerder bij de toepassing daarvan een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt, met dien verstande dat voldoende aandacht dient te worden geschonken aan het ingevolge art. 48 lid 1 Woningwet in te winnen advies van de commissie van onafhankelijke deskundigen. Afwijking van een negatief welstandsadvies dient dan ook deugdelijk gemotiveerd te worden.

In het onderhavige geval is deels tegemoetgekomen aan het negatieve advies van de welstandscommissie van 2 augustus 2000.

Voor wat betreft de kleur van de wanden van de gebouwen is gebleken dat met de aangegeven RAL-nummers houtkleur is bedoeld, met als gevolg dat dit punt van kritiek van de welstandscommissie, zoals in het advies reeds is aangegeven, niet langer stand houdt.

Verder is ten gevolge van een aanpassing van de aan te brengen beplanting tegemoetgekomen aan het door de welstandscommissie voorgestane laanachtige karakter van de entree.

Ten aanzien van de door de welstandscommissie geuite kritiek op de witte kleur van de caravans heeft verweerder naar het oordeel van de president in voldoende mate gemotiveerd waarom het advies op dit punt niet is gevolgd. Daarbij heeft verweerder het tijdelijk karakter van de caravans in aanmerking genomen en voorts aangegeven dat de caravans geclusterd geplaatst worden en gescheiden door bomen, waardoor een parkachtige beplanting ontstaat, terwijl daarnaast het gehele centrum omzoomd zal worden door bosplantsoen. Door deze maatregelen zal de massaliteit die wordt ervaren als gevolg van de witte kleur van de caravans sterk worden teruggedrongen.

Ook voor wat betreft de loopbrug is de president van oordeel dat verweerder op deugdelijke

wijze is afgeweken van het welstandsadvies, door te wijzen op de tijdelijkheid van het bouwwerk en de uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijke kooiconstructie van de loopbrug.

Ten slotte dient de president de vraag te beantwoorden of verweerder, uitgaande van de thans bekend feiten en omstandigheden, bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot het in geding zijnde besluit.

In dit kader merkt de president in de eerste plaats op dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zowel de veiligheid op het terrein van het AZC zelf als de verkeersveiligheid in de omgeving van het AZC voldoende gewaarborgd zal zijn. Hierbij heeft de president in aanmerking genomen dat de inrichting van het terrein tot stand is gekomen na overleg met diverse deskundigen, zoals de commandant van de brandweer, en dat er tevens nog wordt onderzocht in hoeverre de beveiliging van het terrein geoptimaliseerd kan worden. Voor wat betreft de verkeersveiligheid in de omgeving van het AZC zullen door verweerder diverse maatregelen genomen worden, zoals de aanleg van een fietspad en een trottoir.

Daarnaast acht de president een AZC met maximaal 600 bewoners bij het dorp Sonnega, met slechts 200 inwoners, niet onacceptabel, aangezien de bewoners van het AZC zich zullen richten op de voorzieningen die in Wolvega, een plaats met een veel groter aantal inwoners, voorhanden zijn.

De president komt op grond van het bovenstaande tot de slotsom dat geen sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat verweerder niet in redelijkheid kon besluiten om ten behoeve van het bouwplan van het COA vrijstelling en bouwvergunning te verlenen.

Alles overziende komt de president tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zou kunnen blijven. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.

De president acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskosten-veroordeling.

Beslissing

De president van de rechtbank:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 4 december 2000 in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

M.R. Molenaar

P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 18 december 2000