Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8916

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-2000
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
00/820 WOB
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2001:AD3774
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Officier van Justitie is bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1.1.a Awb en derhalve ook als bedoeld in art. 1a.1 Wob.

Officier van Justitie is bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1, eerste lid sub a Awb en derhalve ook als bedoeld in art. 1a, eerste lid Wob.

Verzoek van eisers om afschriften te verstrekken betreffende het opsporingsonderzoek naar de moord op [slachtoffer] is door de OvJ afgewezen. Verweerder heeft de bezwaren tegen deze afwijzing ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

De OvJ behoort tot de rechtspersoon krachtens publiekrecht de Staat der Nederlanden. Aan zijn ambt zijn zelfstandige bevoegdheden geattribueerd. De OvJ is derhalve bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, eerste lid onder a Awb . De officieren van justitie bij de arrondissementsparketten zijn volgens art. 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie niet met rechtspraak belast. Anders dan de in art. 1:1, tweede lid onder g genoemde leden van het Openbaar Ministerie is de OvJ is niet uitgezonderd als bestuursorgaan.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Awb en de uitspraak van de AbRS, 3 oktober 1996, AB 1996/474 ('Luchthaven Schiphol N.V.'), dient onder 'bestuursorgaan' in art. 1a, eerste lid WOB hetzelfde te worden verstaan als daaronder in de Awb wordt begrepen. De WOB is mitsdien van toepassing op de OvJ als bestuursorgaan, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van verweerder. Een op schrift gestelde weigering van de OvJ om op grond van de Wob informatie te verstrekken is een besluit, nu deze beslissing op rechtsgevolg is gericht. Door de weigering ontstaat immers niet het door eisers beoogde recht op informatieverstrekking dat hen in beginsel toekomt krachtens de Wob.

Nu het primaire besluit is genomen door de OvJ, is de rechtbank op grond van art. 6:4, eerste lid Awb van oordeel dat bezwaar gemaakt had moeten worden door een bezwaarschrift in te dienen bij de OvJ, die vervolgens zelf op het bezwaar had behoren te beslissen.

Verweerder heeft het bestreden besluit onbevoegd genomen.

Beroep gegrond en bestreden besluit vernietigd.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid komt de rechtbank tot de conclusie dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift niet verschoonbaar is. De OvJ staat geen andere weg open dan het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

De Minister van Justitie, verweerder.

mrs. C.H. de Groot, E. de Witt, E.M. Visser

Deze uitspraak is tevens met een Awb-selectiemotief opgenomen in deze Nieuwsbrief onder nummer 52-2001.

De Minister van Justitie, verweerder.

mrs. C.H. de Groot, E. de Witt, E.M. Visser

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 6:4
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Wet openbaarheid van bestuur
Wet openbaarheid van bestuur 1a
Wet openbaarheid van bestuur 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2001/60 met annotatie van F.A.M. S

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/820 WOB

Inzake het geding tussen

1. [eiser 1 en eiseres 1], wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2], wonende te [woonplaats] en

3. [eiseres 2], wonende te [woonplaats],

eisers, gemachtigde mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam,

en

de Minister van Justitie,

verweerder, gemachtigde mr. P.A. Timmerman, senior medewerker bestuurlijke en juridische zaken bij het parket-generaal van het College van procureurs-generaal.

1. Procesverloop

Bij brief van 13 juni 2000 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (verder: WOB).

Tegen dit besluit op bezwaar hebben eisers bij brief van 20 juli 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft besloten het beroep versneld te behandelen met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De op het opsporingsonderzoek betrekking hebbende stukken zijn door de officier van justitie bij het arrondissementsparket te Leeuwarden (de OvJ) aan de rechtbank toegezonden onder mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken. De rechtbank, van oordeel dat dit beroep op artikel 8:29 lid 1 Awb gerechtvaardigd is, heeft deze stukken niet aan eisers toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 17 november 2000. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.H. Ruys, advocate te Amsterdam en kantoorgenote van mr. A. Moszkowicz. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn bovengenoemde gemachtigde, die ter zitting was vergezeld van mr. D.J. de Jong, ambtenaar bij de staf van het College van procureurs-generaal.

2. Motivering

Bij telefaxbericht van 25 januari 2000 heeft de toenmalige gemachtigde van eisers het arrondissementsparket te Leeuwarden verzocht om aan eisers afschriften te verstrekken van alle stukken, althans van zekere met name genoemde stukken, betreffende het opsporingsonderzoek naar de moord op mevrouw [slachtoffer].

Bij primair besluit van 2 februari 2000 heeft de OvJ dit verzoek afgewezen. Hij heeft gesteld en gemotiveerd dat door 20 rechercheurs voltijds aan het onderzoek wordt gewerkt en dat het belang van eisers bij verstrekking van de stukken niet opweegt tegen de in artikel 10 WOB genoemde belangen van opsporing en vervolging van het strafbare feit, van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van in de stukken voorkomende personen en van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij het onderzoek betrokken personen of van derden. De OvJ heeft voorts vermeld dat hij reeds diverse keren mondeling in grote lijnen aan eisers heeft verteld wat door de betrokkenen is verklaard.

Bij bezwaarschrift, gericht aan verweerder en gedateerd 1 maart 2000, hebben eisers gesteld zich niet met het primaire besluit te kunnen verenigen. Eisers volgen het rechercheonderzoek kritisch, stellen vragen aan het Openbaar Ministerie (OM) en ontvangen daarop mondelinge en schriftelijke reacties. Eisers krijgen echter niet op al hun vragen antwoorden. Zonder processtukken kunnen eisers het handelen van recherche en OM onvoldoende kritisch controleren. Het uitgangspunt van de WOB is dat verzoeken om informatie worden ingewilligd, tenzij de in artikel 10 WOB genoemde uitzonderingsgronden daaraan in de weg staan. Eisers achten hun belang zwaarwegender dan de in artikel 10 WOB genoemde belangen. Eisers nemen -subsidiair- genoegen met inzage, met uittreksels of samenvattingen van de stukken, met inlichtingen over de inhoud ervan of met het (deels) anonimiseren ervan. Zij achten het opsporingsbelang niet geschaad door verstrekking van gegevens over ex-verdachten, van wie door DNA-onderzoek is vastgesteld dat zij niet de dader zijn. Ten aanzien van degenen die hun verhaal ook al direct aan eisers hebben verteld, achten zij privacybescherming zelfs onnodig.

Bij brief van 27 maart 2000 heeft de toenmalige gemachtigde van eisers verweerder meegedeeld dat hij het WOB-bezwaarschrift op 28 februari 2000 aan verweerder heeft gezonden, maar dat hij daarop nog geen antwoord heeft ontvangen. De gemachtigde heeft verweerder verzocht schriftelijk te bevestigen dat het bezwaarschrift is ontvangen. Aangezien het bezwaarschrift bij verweerder niet bekend bleek te zijn, heeft de gemachtigde op 5 april 2000 het bezwaarschrift aan verweerder gefaxt.

Op 26 april 2000 hebben eisers hun bezwaar nader mondeling toegelicht ten overstaan van verweerders hoorcommissie. Inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft de toenmalige gemachtigde van eisers meegedeeld dat hij het bezwaarschrift op 1 maart 2000 aan verweerder heeft gezonden, met afschrift aan eisers op 2 maart 2000. Op 27 maart 2000 heeft hij verweerder schriftelijk verzocht om een ontvangstbevestiging. Omdat het bezwaarschrift toen bij verweerder niet bekend bleek, heeft hij het op 5 april 2000 naar verweerder gefaxt. Namens verweerder is ter hoorzitting opgemerkt dat het bezwaarschrift op het Ministerie nog steeds niet getraceerd is.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Ter zake de ontvankelijkheid heeft verweerder overwogen dat niet met zekerheid is vast te stellen of het originele bezwaarschrift op of omstreeks 1 maart 2000 is ingediend, dat het originele bezwaarschrift op 13 juni 2000 nog niet was ontvangen, maar dat op grond van de toelichting zijdens eisers tijdens de hoorzitting wordt aangenomen dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Inhoudelijk heeft verweerder overwogen dat het grofweg gaat om twee categorieën informatie. De eerste categorie betreft verklaringen van personen inzake verdachten en de mogelijke toedracht van het delict. Ten aanzien van alle verdachten heeft DNA-onderzoek uitgewezen dat zij niet de dader zijn. Het verstrekken van informatie over ex-verdachten maakt inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer, terwijl zij niet de dader kunnen zijn. Openbaarmaking zou voorts leiden tot onevenredig nadeel voor de betrokkenen. Ten aanzien van de niet als verdachte aangemerkte personen geldt dat het verstrekken van informatie over hen inbreuk maakt op hun persoonlijke levenssfeer, terwijl onvoldoende aanwijzingen bestaan om hen als verdachte aan te merken. Bovendien moeten burgers in het belang van de opsporing vrijelijk tegenover de politie kunnen verklaren, zonder angst dat hun verklaringen later aan de openbaarheid worden prijsgegeven. De tweede categorie stukken betreft de opsporingshandelingen, waaronder het met name door eisers opgevraagde sectierapport, het proces-verbaal van bevindingen op de plaats van het delict en het proces-verbaal van het technisch onderzoek. Verweerder beroept zich op het in artikel 10 WOB genoemde belang van opsporing en vervolging. Geheimhouding van deze informatie is noodzakelijk met het oog op toekomstig onderzoek, om verdachten met deze gegevens te confronteren, om opsporing door anderen dan politie en justitie te voorkomen en om te voorkomen dat mogelijke verdachten zouden vluchten of sporen zouden wegmaken. De tapverslagen, stukken betreffende gerechtelijk vooronderzoek en rechtshulpverzoeken bevatten privacygevoelige informatie, vooral ten aanzien van ex-verdachten die na DNA-onderzoek niet langer verdacht zijn. Anonimisering van stukken acht verweerder nauwelijks denkbaar omdat weggelakte gegevens voor ingewijden toch te achterhalen zullen zijn en omdat na uitgebreid weglakken slechts onsamenhangende fragmenten zouden resteren. Anonimisering zou zoveel arbeid vereisen van in de zaak ingevoerde mensen, dat de vlotte voortgang van de werkzaamheden in het gedrang zou komen. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bevatten geen indicaties over gepleegde strafbare feiten. Eisers zijn meermalen ingelicht over deze verklaringen; het publiek verkrijgt geen extra kennis door openbaarmaking.

Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het verzoek om informatie is ondersteund met een door 5853 personen getekende petitie. Verweerder heeft verzuimd aan te geven waarom bepaalde stukken in het geheel niet kunnen worden verstrekt. Elk stuk dat slechts deels onder een uitzonderingsgrond valt, kan voor het overige worden vrijgegeven. Verweerder is echter niet bereid tot het verschaffen van delen van stukken, tot anonimiseren of onleesbaar maken, of tot het verstrekken van samenvattingen. Er is onvoldoende aangetoond dat anonimiseren leidt tot een onleesbare verzameling tekstfragmenten. Dat hiertoe veel mankracht nodig is, is geen weigeringsgrond. Eisers beroepen zich op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 augustus 1996, JB 1996/201. Door DNA-onderzoek wordt de onschuld van verdachten bewezen. Na DNA-onderzoek weegt derhalve het belang van ex-verdachten bij geheimhouding van hun gegevens veel minder zwaar. Gegevens over ex-verdachten vallen evenmin onder het opsporingsbelang. Bovendien is informatieverstrekking hangende de opsporing en vervolging mogelijk. Verweerder heeft het privacy-argument ingeroepen zonder betrokkenen te horen en aldus heeft hij onvoldoende informatie vergaard omtrent de relevante gegevens. Verweerder heeft voorts verzuimd te toetsen aan zijn circulaire 'Informatieverstrekking door politie en OM' van 27 mei 1992, Stcrt. 1992, 111. Verweerder heeft evenzeer verzuimd onderscheid te maken tussen getuigen die geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking van hun verklaring en getuigen die dat wel hebben. Het argument dat moet worden voorkomen dat getuigen niet meer vrijuit zouden spreken tegen de politie, gaat lang niet voor alle getuigen op. Ongewenste opsporing door privé-personen kan ook worden uitgelokt doordat het OM onvoldoende informatie prijsgeeft. Door te overwegen dat openbaarmaking van de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] voor het publiek geen nieuw licht op de zaak werpt, miskent verweerder dat het publiek belang bij openbaarheid uitgangspunt van de WOB is. Zonder de verlangde stukken kunnen eisers de opsporing onvoldoende controleren, waardoor het door de WOB gewaarborgde belang van een goede en democratische bestuursvoering wordt geschonden. In deze zaak is geen tijd te verliezen nu het onderzoek binnenkort zal worden gestaakt. Het zeer bijzondere belang van verzoekers mag onder omstandigheden toch meewegen, zoals blijkt uit de uitspraken AbRS 16 januari 1997 en rechtbank Den Haag 23 september 1999. Inzage in het sectierapport van een naaste is een algemeen aanvaard recht. Dit persoonlijke belang bij kennisname is in feite een publiek belang. Dit brengt mee dat de informatie in dit geval toch exclusief aan eisers kan worden verstrekt. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid, innerlijk tegenstrijdig althans onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.

In het verweerschrift heeft verweerder zijn motivering nader uiteengezet en is hij ingegaan op de beroepsgronden van eisers. Verweerder heeft de rechtbank verzocht het beroep ongegrond te verklaren.

In rechte

In artikel 8:52 Awb is bepaald dat, indien de zaak spoedeisend is, de rechtbank kan bepalen dat de zaak versneld wordt behandeld. De rechtbank heeft in hetgeen namens eisers in het beroepschrift met betrekking tot het verzoek om versnelde behandeling is aangevoerd, voldoende grond aanwezig geacht om de zaak versneld te behandelen. Partijen zijn van dit besluit bij schrijven van de griffier van 5 september 2000 op de hoogte gesteld.

De rechtbank zal eerst ingaan op de vraag of verweerder bevoegd was op het bezwaar van eisers te beslissen.

Ingevolge artikel 1:1 lid 1 onder a Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.

De OvJ behoort tot de rechtspersoon krachtens publiekrecht de Staat der Nederlanden. Aan zijn ambt zijn zelfstandige bevoegdheden geattribueerd. De OvJ is derhalve bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 onder a Awb .

Blijkens artikel 1:1 lid 2 onder c en g Awb worden niet als bestuursorganen aangemerkt de onafhankelijke, bij de wet ingestelde organen die met rechtspraak zijn belast, net zo min als de voorzitters, leden, griffiers en secretarissen van die organen en de commissies uit het midden van die organen. De officieren van justitie bij de arrondissementsparketten zijn volgens artikel 2 van de Wet op de rechterlijke organisatie niet met rechtspraak belast. Ingevolge artikel 1:1 lid 2 onder g Awb zijn de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal en de advocaten-generaal bij de Hoge Raad evenmin bestuursorganen. Anders dan deze leden van het OM, is de OvJ is niet uitgezonderd als bestuursorgaan.

Voor zover hier van belang bepaalt artikel 1a lid 1 WOB dat die wet van toepassing is op de volgende bestuursorganen:

a. Onze Ministers;

b. (…)

c. bestuursorganen die onder de verantwoordelijkheid van de onder a (…)genoemde organen werkzaam zijn; (…).

Blijkens de wetsgeschiedenis van de Awb (PG Awb I, blz. 136 rechterkolom en blz. 143 linkerkolom en Memorie van Toelichting op de Aanpassingswet Awb I, Tweede Kamer, 1990-1991, 22 061, nummer 3, blz. 41 en 51-52) en de uitspraak van de AbRS, 3 oktober 1996, AB 1996/474 ('Luchthaven Schiphol N.V.') dient onder 'bestuursorgaan' in de WOB hetzelfde te worden verstaan als daaronder in de Awb wordt begrepen. De WOB is mitsdien van toepassing op de OvJ als bestuursorgaan, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van verweerder.

Blijkens artikel 1:3 lid 1 Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beschikking van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een op schrift gestelde weigering van de OvJ om op grond van de WOB informatie te verstrekken is een besluit, nu deze beslissing op rechtsgevolg is gericht. Door de weigering ontstaat immers niet het door eisers beoogde recht op informatieverstrekking dat hen in beginsel toekomt krachtens de WOB.

In artikel 6:4 lid 1 Awb is bepaald dat het maken van bezwaar tegen een besluit geschiedt door het indienen van een bezwaarschrift bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen. De WOB bevat geen bepalingen die hierop een uitzondering maken.

Nu het primaire besluit is genomen door de OvJ, is de rechtbank op grond van laatstgenoemd artikellid van oordeel dat bezwaar gemaakt had moeten worden door een bezwaarschrift in te dienen bij de OvJ, die vervolgens zelf op het bezwaar had behoren te beslissen. Nadat het bezwaarschrift ten onrechte aan verweerder was gezonden, heeft verweerder het bestreden besluit onbevoegd genomen. Hij had het bezwaarschrift op grond van artikel 6:15 lid 1 Awb moeten doorzenden aan de OvJ. Dit oordeel brengt met zich mee dat het beroep gegrond is -zij het op andere dan de door eisers aangevoerde gronden- en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met art. 6:4 lid 1 Awb.

Dit brengt mee dat het primaire besluit herleeft en dat de OvJ alsnog dient te beslissen op het bezwaar. Met het oog hierop acht de rechtbank het aangewezen aan de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift nog enkele overwegingen te wijden.

Krachtens artikel 6:15 leden 1 en 3 onder a Awb is het tijdstip van indiening bij verweerder beslissend voor de vraag of het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Ingevolge artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Artikel 6:8 Awb bepaalt dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41 lid 1 Awb is onder meer bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Volgens artikel 6:9 Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen. Uit jurisprudentie blijkt dat deze wettelijke voorschriften met betrekking tot de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift van openbare orde zijn en ambtshalve door bestuursorgaan en rechter moeten worden gehandhaafd.

In dit geval is het primaire besluit aan eisers toegezonden bij brief van 2 februari 2000, zodat de bezwaartermijn is aangevangen op 3 februari 2000. De laatste dag van de bezwaartermijn was derhalve 15 maart 2000.

Blijkens het verslag van de hoorzitting is zijdens verweerder op de hoorzitting medegedeeld dat het originele bezwaarschrift op 26 april 2000 nog niet was getraceerd op het Ministerie. Ook in het bestreden besluit is vermeld dat het originele bezwaarschrift nog steeds niet door verweerder is ontvangen. Ter zitting is van de zijde van verweerder meegedeeld dat (nog steeds) geen bezwaarschrift is aangetroffen. Het bestreden besluit vermeldt voorts dat verweerder niet met zekerheid kan vaststellen dat het bezwaarschrift op of omstreeks 1 maart 2000 is ingediend. Verweerder heeft uitsluitend op grond van de toelichting door de gemachtigde tijdens de hoorzitting aangenomen dat het bezwaar tijdig is gemaakt en heeft het bezwaar ontvankelijk geacht.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn door verweerder is ontvangen of voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en uiterlijk een week na afloop van de termijn is ontvangen. Weliswaar heeft de voormalige gemachtigde onbetwist gesteld dat het bezwaarschrift tijdig is verstuurd, doch dit brengt niet mee dat het ook tijdig door verweerder is ontvangen, zoals artikel 6:9 Awb eist. Blijkens het verslag van de hoorzitting, het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting is het originele bezwaarschrift nimmer door verweerder ontvangen. Het gefaxte bewaarschrift is eerst op 5 april 2000 en dus na afloop van de bezwaartermijn ontvangen.

Artikel 6:11 Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit doet echter niet af aan het hiervoor gegeven oordeel, nu dit artikel niet méér inhoudt dan dat het bestuursorgaan moet beslissen of sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het bepaalde in dit artikel geeft het bestuursorgaan geen vrijbrief om afstand te doen van de termijn wanneer het dat opportuun acht. Of de beslissing van het bestuursorgaan juist is, kan achteraf worden getoetst door de rechter. In dit geval zijn door eisers geen gronden aangevoerd voor de termijnoverschrijding, anders dan het feit dat het bezwaarschrift kennelijk in het ongerede is geraakt op het traject tussen terpostbezorging en ontvangst. De rechtbank overweegt dat de verzending van het bezwaarschrift voor risico van eisers plaatsvindt en voorts dat het bezwaarschrift aangetekend had kunnen worden verstuurd of dat spoedig na verzending om een ontvangstbevestiging had kunnen worden verzocht, zodat het bezwaarschrift zo nodig binnen de termijn opnieuw verstuurd had kunnen worden. Dat het primaire besluit niet is voorzien van een rechtsmiddelvermelding als bedoeld in artikel 3:45 Awb, maakt dit niet anders. Eisers hebben zich voorzien van de bijstand van een advocaat als gemachtigde. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat het eisers of hun gemachtigde onduidelijk is geweest binnen welke termijn bezwaar ingesteld had moeten worden.

Nu het bezwaar te laat is gemaakt, staat de OvJ geen andere weg open dan het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de Staat der Nederlanden het door eisers gestorte griffierecht van / 225,- te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eisers / 1.420,- terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt / 710,-). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de Staat der Nederlanden het betaalde griffierecht van / 225,- aan eisers vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van / 1.420,- aan eisers te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en mrs. E. de Witt en E.M. Visser, rechters, en in het openbaar uitgesproken op

door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier.

w.g. J. de Jong w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: