Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8595

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/1108 GEMWT
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 00/1108 GEMWT

Inzake het geding tussen

[naam verzoeker], wonende te [woonplaats verzoeker], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, zetelend te Balk, verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 27 september 2000 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek van verzoeker om bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het klimrek op het schoolplein van de Christelijke Basisschool De Bolster te Balk, plaatselijk bekend Wikelerdyk 14 te Balk (hierna: de school).

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 28 oktober 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij schrijven van gelijke datum heeft hij zich tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder het klimrek verwijdert.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is ter zitting van 17 november 2000 behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote. Verweerder is - zoals tevoren schriftelijk bericht - niet verschenen. De school, die op de voet van art. 8:26 lid 1 Awb als derde-belanghebbende aan het geding deelneemt, heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, J. Faber.

Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op de volgende feiten.

Bij brieven van 12 juni en 16 juni 2000 heeft verzoeker verweerder verzocht het klimrek op het schoolplein bij de school te verwijderen. Dit in verband met het feit dat het klimrek op zodanig korte afstand van verzoekers perceelsgrens is gesitueerd dat beklimming van het klimrek volledig uitzicht geeft over zijn tuin en woning. Verzoeker heeft erop gewezen dat het klimrek illegaal is, aangezien voor het bouwwerk geen bouwvergunning is aangevraagd. Het betreft hier een klimrek van 2.40 m. hoog, in een kruisvorm van 5 bij 5 m.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten om geen bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het klimrek. Daartoe heeft verweerder overwogen dat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden, aangezien het klimrek niet bouwvergunningplichtig is. Verweerder wijst er in deze op dat het klimrek is geplaatst ter vervanging van het oude klimrek en dat het nieuwe klimrek hiermee kan worden aangemerkt als een verandering van niet-ingrijpende aard als bedoeld in art. 43 aanhef en lid 1 onder e van de Woningwet.

Voorts heeft verweerder erop gewezen dat, indien de bevoegdheid tot handhaving wel aanwezig zou zijn, het onredelijk is om van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het klimrek kan namelijk zonder meer gelegaliseerd worden, aangezien het klimrek in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand alsmede voldoet aan de voorschriften van het bouwbesluit en de bouwverordening.

Verzoeker heeft aangevoerd dat het klimrek op een zodanig korte afstand van zijn erfafscheiding is gesitueerd dat het zijn woongenot aantast. Vanaf het klimrek hebben kinderen namelijk vrij uitzicht over zijn perceel, zodat zijn privacy wordt aangetast en er sprake is van overlast. Dit klemt te meer daar er voldoende ruimte op het schoolplein is om het klimrek elders te plaatsen.

Voorts heeft verzoeker dat aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat voor het plaatsen van het klimrek geen bouwvergunning is vereist. Hiertoe wijst verzoeker erop dat het oude klimrek ongeveer een jaar voor de plaatsing van het nieuwe klimrek is verwijderd, zodat van vervanging geen sprake is. Bovendien zijn de maatvoering, vormgeving, kleur en plaats van het nieuwe klimrek geheel afwijkend van het oude klimrek.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd voor hem geen reden is een ander standpunt in te nemen. Daarbij wijst verweerder erop dat uit inspectierapporten van de beheerder van de speeltoestellen op het schoolplein bij de school blijkt dat op de plek van het nieuwe klimrek een klimpaal met een hoogte van 3 meter heeft gestaan en in de directe nabijheid hiervan een klimrek. Aangezien beide speeltoestellen in een slechte staat van onderhoud verkeerden, zijn deze toestellen verwijderd en vervangen door het onderhavige klimrek. Volgens verweerder is hiermee sprake van een verandering van niet-ingrijpende aard, waarvoor geen bouwvergunning is vereist. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de uitstraling van het klimrek op de omgeving zeer marginaal is. Aan het vorenstaande doet volgens verweerder niet af dat tussen het verwijderen van de oude speeltoestellen en het plaatsen van het nieuwe klimrek enige tijd is gepasseerd.

De president overweegt het volgende.

In art. 40 lid 1 van de Woningwet is bepaald dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

In art. 43 aanhef en lid 1 onder e van de Woningwet is voorts (voor zover hier van belang) bepaald dat in afwijking van artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning is vereist voor het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) dient het begrip "van niet ingrijpende aard" niet louter in bouwkundige zin te worden verstaan maar ook in stedenbouwkundige zin. Bij dit laatste aspect is ook van belang het feitelijk effect dat de verandering op de omgeving heeft. Mede in het belang van de rechtsbescherming van de burger dient voorts een restrictieve uitleg te worden gegeven aan de in de Woningwet opgenomen uitzonderingen van het vereiste van een bouwvergunning.

Op grond van art. 125 Gemeentewet in samenhang met art. 5:21 Awb zijn burgemeester en wethouders bevoegd om met toepassing van bestuursdwang op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. Het toepassen van bestuursdwang strekt er derhalve toe dat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de rechtens behorende situatie.

Volgens vaste jurisprudentie van de (voormalige) Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (ARRS) en van de AbRS mag een belanghebbende erop vertrouwen dat een overheidsorgaan de ter zake geldende wettelijke voorschriften handhaaft. Dit is alleen anders indien andere zwaarwegende belangen ervoor pleiten dat, al dan niet tijdelijk, een illegale situatie wordt gedoogd. Voorts kan in het algemeen niet van burgemeester en wethouders worden gevergd dat zij met toepassing van bestuursdwang een eind maken aan met een bestemmingsplan strijdige activiteiten, indien het in de bedoeling van het gemeentebestuur ligt deze te legaliseren, dat streven niet bij voorbaat kansloos is te achten en daaraan naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd ook gestalte kan worden gegeven.

De president kan zich niet verenigen met het standpunt van verweerder, dat, nu het klimrek is geplaatst ter vervanging van andere speeltoestellen, gelet op het bepaalde in art. 43 aanhef en lid 1 onder e van de Woningwet, geen bouwvergunning is vereist. Die speeltoestellen zijn in september 1999 wegens de slechte staat van onderhoud afgekeurd en weggehaald. Vervolgens is eerst geruime tijd later, op 5 juni 2000, het in geding zijnde klimrek op de onderhavige plek geplaatst. Genoegzaam staat vast dat dit nieuwe klimrek op een andere plek en op veel kortere afstand van het perceel van verzoeker staat dan de oude speeltoestellen; het heeft een andere vorm en een grotere omvang dan de oude speeltoestellen. Er kan dan ook, mede gelet op de jurisprudentie, in casu niet worden gesproken van "het aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard aan een bouwwerk" als bedoeld in art. 43 aanhef en lid 1 onder e van de Woningwet.

Voorts is niet gebleken dat voor het klimrek op grond van enige andere bepaling geen bouwvergunning is vereist, zodat naar het oordeel van de president het in geding zijnde klimrek bouwvergunningplichtig is.

Nu deze bouwvergunning niet is verleend, is verweerder in beginsel bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Bij zijn besluit om van die bevoegdheid geen gebruik te maken omdat het klimrek kan worden gelegaliseerd heeft verweerder echter volstaan met de enkele, niet concreet onderbouwde mededeling dat het klimrek in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en met de redelijke eisen van welstand en dat het voldoet aan de voorschriften van het bouwbesluit en de bouwverordening.

Al het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust. Weliswaar zal verweerder dit gebrek in heroverweging kunnen helen. Hij zal echter alleen dan het verzoek om bestuursdwang mogen afwijzen als hij met concrete argumenten aannemelijk maakt dat hij inderdaad de bedoeling heeft om het bouwwerk te legaliseren, dat streven niet bij voorbaat kansloos is te achten en daaraan naar redelijke verwachting binnen afzienbare tijd ook gestalte kan worden gegeven.

Uit het vorenoverwogene volgt dat niet bij voorbaat is uit te sluiten dat het klimrek alsnog kan worden gelegaliseerd. De president zal in dit verband de belangen van verzoeker bij het meteen weghalen van het klimrek afwegen tegen de belangen van de school. Nu het weghalen of verplaatsen van het op een betonnen fundering geplaatste klimrek, al dan niet tijdelijk, volgens verklaring van Faber ter zitting ongeveer f 1.000,= zal gaan kosten, dienen naar het oordeel van de president de belangen van de school de doorslag te geven. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal derhalve moeten worden afgewezen.

De president ziet geen aanleiding een partij in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De president van de rechtbank:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 20 november 2000, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 28 november 2000