Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8585

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
H 97/279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 8 november 2000

Rolnummer: H 97/279

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna te noemen: [eiser],

procureur: mr. G. Wymenga-Kooistra,

tegen

het bestuur van de rechtspersoonlijkheid bezittende besloten vennootschap PAQUES B.V.,

gevestigd te Balk,

gedaagde, hierna te noemen: Paques,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. P. Struijk.

PROCESGANG

Bij tussenvonnis van 16 juni 1999 - hierna: het tussenvonnis - is [eiser] bewijslevering opgedragen. [Eiser] heeft in enquête op 26 oktober 1999 drie getuigen voorgebracht. Van hun verhoor is proces-verbaal opgemaakt. In contra-enquête heeft Paques op 23 februari 2000 één getuige voorgebracht. Van zijn verhoor is proces-verbaal opgemaakt. [Eiser] heeft vervolgens een conclusie na enquête genomen, gevolgd door een conclusie na enquête van de zijde van Paques.

Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd onder overlegging van de stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Nadere beoordeling van het geschil

1. De rechtbank handhaaft hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2. [Eiser] is in het tussenvonnis toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waarop kan worden gebaseerd dat zijn rechterhand en rechterpols bekneld zijn geraakt door het - zonder toedoen van [eiser] - losschieten van een brandtrapdeel.

3. In enquête heeft [eiser] zichzelf,.[getuige 1] (die destijds samen met [eiser] een schoonmaakbedrijf runde in de vorm van een vennootschap onder firma) en [getuige 2] (na het ten processe bedoelde ongeval in loondienst werkzaam bij de vennootschap onder firma van [eiser] als getuigen voorgebracht.

Voor de afgelegde verklaringen wordt verwezen van het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

4. In contra-enquête heeft Paques [getuige 3] (destijds zelfstandig schade-expert) als getuige voorgebracht.

Voor de afgelegde verklaring wordt verwezen van het van het verhoor opgemaakte proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

5.1. [Eiser] heeft verklaard dat hij op de bewuste dag eerst had gewerkt vanaf het bovenste bordes van de ten processe bedoelde brandtrap. Toen hij naar beneden liep naar een lager gelegen bordes zag hij een handle. Omdat hij wist dat hij daarmee voorzichtig moest zijn, heeft hij goed opgelet dat hij deze handle niet aanraakte. Toen hij bij het lager gelegen bordes aankwam, heeft [eiser] naar beneden gekeken naar zijn collega die elders - op de begane grond - bezig was met zijn werkzaamheden. [Eiser] vroeg hem om samen een kopje koffie te gaan drinken. Terwijl [eiser] in de richting van zijn collega sprak, had hij zijn linkerhand op de reling van het bordes en zijn linkervoet stond op het bordes. Zijn rechterhand rustte op dat moment op de ladder en ook zijn rechtervoet leunde op dat moment op de ladder. In die houding staand hoorde [eiser] een ratelend geluid en voelde hij iets zwaars op zijn rechterpols vallen. Toen hij keek zag hij dat het onderste gedeelte van het bovenste gedeelte van de ladder op zijn pols zat, hetgeen vanzelf was gegaan. Volgens [eiser] heeft hij niet iets gedaan waardoor het bovenste gedeelte van de ladder naar beneden kwam.

5.2. [Getuige 1] heeft verklaard dat hij in zijn vak als schoonmaker heel wat brandladders heeft gezien, maar dat die nooit zo zwaar waren als de onderhavige ladder.

5.3. [Getuige 2] heeft verklaard dat hij op de bewuste dag samen met [eiser] glazenwaswerkzaamheden heeft verricht aan een pand in Balk. [Getuige 2] was beneden bezig en [eiser] maakte de bovenste lagen schoon. Terwijl [getuige 2] bezig was met zijn eigen werkzaamheden heeft hij onder meer gezien dat [eiser] van het bordes afstapte en via de brandladder naar een lager gelegen bordes, eveneens deeluitmakend van de brandladder, is gegaan. Ook heeft [getuige 2] gezien dat [eiser] met beide voeten op dat lager gelegen bordes stond en dat hij zijn rechterhand op de brandladder liet rusten. [Getuige 2] heeft vervolgens gezien dat op een gegeven moment het bovenste gedeelte van de brandladder naar beneden kwam. Daarop begon [eiser] te schreeuwen en [getuige 2] hoorde [eiser] "au" roepen. [getuige 2] is [eiser] toen te hulp geschoten. [Getuige 2] zag dat de rechterpols van [eiser] beklemd zat tussen het onderste gedeelte van de brandladder en het naar beneden gekomen bovenste gedeelte daarvan. [Getuige 2] heeft dit bovenste gedeelte toen omhoog geschoven teneinde de pols van [eiser] te kunnen bevrijden, hetgeen heel zwaar ging. Toen [eiser] een beetje bijgekomen was, heeft [getuige 2] hem gevraagd hoe dit kon gebeuren. [Eiser] antwoordde dat hij het niet wist en dat hij in een keer was losgeschoten. Volgens [getuige 2] is hij in zijn werkzaamheden als glazenwassser nooit een ladder tegengekomen die zo zwaar was als de onderhavige brandladder. Voordat het gebeurde hadden [eiser] en [getuige 2] net afgesproken dat zij een kopje koffie zouden gaan drinken, aldus [getuige 2]. Desgevraagd verklaart [getuige 2] dat zijn bij conclusie van eis overgelegde schriftelijke verklaring destijds in haast is opgesteld en dat hij altijd alles snel doet zodat het wel eens onzorgvuldig geschiedt. Volgens [getuige 2] is het zo gegaan, zoals hij als getuige heeft verklaard.

5.4. In contra-enquête heeft [getuige 3] verklaard dat hij op verzoek van expertiseburo Versnel een onderzoek ter plaatse heeft uitgevoerd in de onderhavige kwestie. Op 5 juni 1996 is [getuige 3] naar het gebouw van Paques in Balk gegaan. Daar heeft hij de ten processe bedoelde brandtrap bekeken. Tevens heeft hij van deze brandtrap een zestal foto's gemaakt, die aan zijn proces-verbaal van getuigenverhoor zijn gehecht. Volgens [getuige 3] is aan beide plateaus van de brandtrap een kooiconstructie bevestigd, waarin zich een uit twee delen bestaande ladder bevindt. Eén van deze twee delen van de ladder kan worden losgemaakt en glijdt dan naar beneden. Laatstbedoeld gedeelte van de ladder wordt ontgrendeld door een zich op beide plateaus bevindende hefboomconstructie. Volgens [getuige 3] moet de hefboom omhoog worden gedaan, waarna je van het plateau op de ladder kunt stappen en waardoor het desbetreffende gedeelte van de ladder naar beneden schuift. [Getuige 3] kan zich niet meer herinneren of hij onderzocht heeft of de beide hefbomen direct gekoppeld waren of dat ze los van elkaar functioneerden. [Getuige 3] heeft de constructie onderzocht en gecontroleerd. Volgens hem werkte de constructie goed en was deze deugdelijk. In zijn ogen betrof het een eenvoudige constructie. Gelet op de werking van de constructie acht hij het hoogst onwaarschijnlijk dat de ladder spontaan naar beneden is gaan schuiven. [Getuige 3] is naar eigen zeggen geen expert op het gebied van brandtrappen en had ook tot het hiervoor genoemde onderzoek niet eerder onderzoek naar brandtrappen gedaan in relatie tot een incident maar hij heeft wel eerder met het oog op risicobeoordeling bekeken of brandtrappen werkten. In dat kader heeft hij ook wel eens een brandtrap als de onderhavige onderzocht.

6. De rechtbank overweegt het navolgende. [Getuige 3] heeft als schade-expert de brandtrap onderzocht. Volgens [getuige 3] is het hoogst onwaarschijnlijk dat de ladder spontaan naar beneden is gaan schuiven. Volgens hem werkte de constructie goed en was deze deugdelijk. Tegenover deze verklaring staat de verklaring van [eiser], die heeft verklaard dat hij niet iets heeft gedaan waardoor het bovenste gedeelte van de ladder naar benenden kwam. Deze verklaring kan als partijgetuigeverklaring echter slechts dienen ter aanvulling van onvolledig bewijs.

De verklaring van [getuige 1] levert geen bewijs van de ondeugdelijkheid van de brandtrap op; de enkele omstandigheid dat deze brandtrap zwaar was impliceert nog niet de ondeugdelijkheid daarvan.

[Getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij gezien heeft dat op een gegeven moment het bovenste gedeelte van de brandladder naar beneden kwam. Daarop begon [eiser] volgens hem te schreeuwen, waarna [getuige 2] [eiser] te hulp is geschoten. [Eiser] heeft hem toen gezegd dat hij niet wist hoe het kon gebeuren en dat de ladder in een keer was losgeschoten. In de bij conclusie van eis overgelegde schriftelijke verklaring van [getuige 2] van 19 oktober 1996 heeft [getuige 2] niet verklaard dat hij het ongeval heeft zien gebeuren. Volgens deze verklaring hoorde [getuige 2] [eiser] om hulp schreeuwen toen [getuige 2] bezig was met ramenwassen op de begane grond. Toen hij [eiser] aantrof, zag [getuige 2] dat [eiser] op de onderste bordes stond en tegelijk met zijn rechter hand/pols beklemd zat tussen twee ladderdelen van de brandtrap. Ook uit de dagvaarding blijkt niet dat [getuige 2] het ongeval heeft zien gebeuren. In de dagvaarding staat - overeenkomstig de schriftelijke verklaring van [getuige 2] - dat [getuige 2] naar aanleiding van het hulpgeroep van [eiser], [eiser] uit diens benarde postitie heeft kunnen bevrijden. [Getuige 2] heeft als getuige - ongeveer 3,5 jaar na het ten processe bedoelde ongeval - slechts als verklaring kunnen geven dat de schriftelijke verklaring, die slechts ongeveer een half jaar na het ongeval is opgesteld, destijds in haast is opgesteld en dat hij altijd alles snel doet zodat het wel eens onzorgvuldig geschiedt. Zoals Paques bij conclusie na enquête terecht heeft opgemerkt, is deze verklaring aan het papier en het lettertype te zien echter opgesteld door of met assistentie van de advocaat van [eiser]. Niet aannemelijk is dat een dergelijke verklaring - met name voor wat betreft het meest essentiële gedeelte daarvan - in haast is opgesteld. Overigens heeft [getuige 2] als getuige niet met zoveel woorden verklaard dat de ladder zonder toedoen van [eiser] is losgeschoten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank [eiser] niet geslaagd in het opgedragen bewijs. De vordering zal dus worden afgewezen.

7. [Eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechtbank

1. wijst de vordering af;

2. veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, aan de zijde van Paques gevallen en begroot op ¦ 540,00 aan verschotten en op ¦ 3.285,00 aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. R. Giltay en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 8 november 2000

fn 82.

HET TUSSENVONNIS

Uitspraak: 16 juni 1999

Rolnummer: H 97/279

VONNIS

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige handelskamer, in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur: mr. G. Wymenga-Kooistra,

tegen

het bestuur van de rechtspersoonlijkheid bezittende besloten vennootschap PAQUES B.V.,

gevestigd te Balk,

gedaagde,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. P. Struijk.

PROCESGANG

De zaak is bij dagvaarding van 20 maart 1997 aanhangig gemaakt. Partijen zijn verschenen. In de procedure zijn de volgende processtukken gewisseld:

- conclusie van eis van de zijde van eiser (in het vervolg: [eiser]);

- conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde (verder: Paques);

- conclusie van repliek van de zijde van [eiser];

- conclusie van dupliek van de zijde van Paques;

- akte van de zijde van [eiser];

- antwoordakte van de zijde van Paques.

[Eiser] heeft produkties overgelegd.

Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd onder overlegging van de stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

De vordering

1.1. De vordering van [eiser] strekt er toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- Paques zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van al zijn geleden en nog te lijden schade - vermeerderd met de wettelijke rente over die schade vanaf 4 april 1996, danwel vanaf 15 januari 1997, althans vanaf latere data ten aanzien van schadeposten die later zijn ontstaan, tot aan de dag der betaling - voortvloeiende uit het [eiser] op 4 april 1996 overkomen ongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- Paques zal veroordelen om als voorschot op en te zijner tijd te verrekenen met de in de schadestaatprocedure vast te stellen schadevergoeding, aan [eiser] te betalen een bedrag van ¦ 20.000,00, omvattende een bedrag van ¦ 10.000,00 ter zake van smartengeld en een bedrag van ¦ 10.000,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening, althans een door de rechtbank ex aequo en bono te betalen bedrag;

- Paques zal veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. Paques heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de vordering en tot veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

De vaststaande feiten

2. Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

2.1. [Eiser] heeft op 4 april 1996 - als vennoot van de firma Nieuw Schoonmaakbedrijf Glas te Drachten - glazenwaswerkzaamheden verricht aan het Thipaq/Mopaq gebouw te Balk aan de Tjalke de Boerstrjitte nummer 11/13, hierna te noemen het pand.

2.2. Aan de buitenkant van het - drie verdiepingen tellende - pand, bevindt zich over (vrijwel) de gehele hoogte een tweedelige stalen brandtrap, met daarbij, zowel ter hoogte van de tweede als de eerste verdieping, een brandtrapbordes.

2.3. [Eiser] heeft bij de sub 2.1. genoemde werkzaamheden gebruik gemaakt van de sub 2.2. genoemde brandtrap en brandtrapbordessen.

2.4. [Eiser] is met zijn rechterhand en rechterpols beklemd geraakt tussen twee brandtrapdelen.

2.5. Paques is als bezitter van het pand aan te merken.

Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. Ten aanzien van de toedracht van het ongeval heeft [eiser] het navolgende aangevoerd. Na eerst zijn eigen ladder naast de brandtrapbordessen geplaatst te hebben, is [eiser] via deze ladder omhoog gegaan tot aan/tot en met de tweede verdieping, waarna hij ter hoogte van deze etage van zijn ladder naar het bijbehorende (brandtrap)bordes is overgestapt om het - zich aan het bordes grenzende - raam op de tweede verdieping te reinigen. Na deze werkzaamheden verricht te hebben is [eiser] vervolgens via de brandtrap naar het lager gelegen (brandtrap)bordes afgedaald om een zich op de eerste verdieping bevindend raam, grenzend aan laatstgenoemd bijbehorend bordes, te reinigen. Toen hij op voormeld bordes aankwam en met zijn rechterhand nog een tree van de brandtrap vasthield, voelde hij een zware pijn in zijn rechterhand/-pols hetgeen het gevolg bleek te zijn van een beklemming van de hand/pols tussen twee brandtrapdelen, in die zin dat het bovenste brandtrapdeel - dat met de verticale zijden langs de buitenzijde van het daarondervolgende brandtrapdeel loopt - was losgeschoten - zonder toedoen van [eiser] - waardoor de onderkant c.q. de onderste tree van dit bovenste trapdeel op de hand/pols van [eiser] was terechtgekomen. Dit bij vergrendeling bovenste trapdeel vormt bij ontgrendeling het onderste/gronddeel van de brandtrap. Het bovenste trapdeel zat ten tijde van het voorafgaand gebruik door [eiser] - bij diens afdaling van het bovenste naar het ondergelegen bordes - vast.

3.2. [Eiser] baseert zijn vordering op de artikelen 6:174, 6:162 en 6:181 Burgerlijk Wetboek. Volgens [eiser] is het ongeval het gevolg van een gebrekkige opstal - de brandtrap - als bedoeld in artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek, nu de brandtrap bij normaal gebruik door [eiser] gevaar voor [eiser] heeft opgeleverd. [eiser] mocht verwachten dat de brandtrap voldeed aan de eisen die er vanuit een oogpunt van veiligheid aan gesteld mogen worden.

4.1. Paques heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] zijn stelling dat sprake is van een gebrekkige brandtrap niet voldoende heeft onderbouwd; niet is toegelicht waaruit de beweerde gebrekkigheid zou bestaan. De vordering ligt dan ook - volgens Paques - reeds op deze grond voor afwijzing gereed.

4.2. Het verweer gaat niet op. [eiser] heeft gemotiveerd aangegeven wat volgens hem de toedracht van het ongeval is geweest. De gebrekkigheid van de brandtrap is volgens [eiser] hier in gelegen dat een trapdeel is losgeschoten zonder eigen toedoen van [eiser].

5.1. Paques heeft voorts de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval betwist, zomede dat de brandtrap gebrekkig was/is. Volgens Paques is de brandtrap door de brandweer te Balk op haar juiste werking gecontroleerd - van welke controle overigens geen schriftelijke rapportage is opgemaakt - en zijn daarbij geen tekortkomingen geconstateerd. Het ligt dan ook voor de hand dat er sprake is geweest van onoordeelkundig gebruik van de brandladder door [eiser], aldus Paques.

5.2. Geoordeeld moet worden dat indien de toedracht van het ongeval zoals door [eiser] is gesteld juist is en derhalve komt vast te staan dat een trapdeel is losgeschoten zonder eigen toedoen van [eiser], Paques op grond van artikel 6:174 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk is voor de schade van [eiser]. In dat geval voldoet de brandtrap niet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Nu Paques deze toedracht van het ongeval gemotiveerd heeft betwist, ligt het op de weg van [eiser] zijn stelling ter zake te bewijzen. De rechtbank zal [eiser] tot het bewijs van zijn stelling toelaten.

6.1. Voor het geval [eiser] slaagt in het opgedragen bewijs, zal reeds nu ingegaan worden op het verweer van Paques dat [eiser] heeft verzuimd bij zijn werkzaamheden toestemming te vragen om de brandtrap te gebruiken. Volgens Paques zou zij deze toestemming niet gegeven hebben omdat de brandladder uitsluitend voor veiligheidsdoeleinden dient te worden gebruikt. Nu [eiser] zijn eigen ladder bij zich had, valt ook niet in te zien waarom er voor [eiser] een noodzaak bestond om de brandladder te gebruiken, aldus Paques.

6.2. Voorop wordt gesteld dat een bezitter van een opstal niet voor meer aansprakelijk is dan waarvoor hij op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek in het geval hij bekend was met het gebrek aan de opstal, zou kunnen worden aangesproken.

De rechtbank begrijpt het hiervoor genoemde verweer van Paques aldus, dat Paques zich op het standpunt stelt dat nu zij geen toestemming aan [eiser] heeft gegeven voor het gebruik van de brandtrap, zij niet jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Geoordeeld moet worden dat Paques slechts dan jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld indien Paques rekening had dienen te houden met het welzijn van [eiser]. Dit laatste is naar het oordeel van de rechtbank het geval. Gelet op de feitelijke situatie - die blijkt uit de door [eiser] bij akte overgelegde foto's - had Paques er rekening mee moeten houden dat een glazenwasser uit praktisch oogpunt de brandtrap zou kunnen gebruiken in plaats van zijn eigen ladder. Het verweer gaat dan ook in zoverre niet op.

6.3. Voor zover Paques een beroep heeft willen doen op eigen schuld van [eiser], overweegt de rechtbank als volgt. Indien [eiser] slaagt in het op te dragen bewijs, is er geen sprake van eigen schuld van [eiser]. In dat geval heeft [eiser] namelijk zorgvuldig gehandeld omdat dan bewezen is dat een trapdeel zonder toedoen van [eiser] is losgeschoten. De enkele omstandigheid dat [eiser] zonder toestemming van Paques gebruik heeft gemaakt van de brandtrap, leidt nog niet tot het oordeel dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] en dat Paques niet (volledig) aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade.

7. Voor het overige - waaronder het geschil omtrent de schade - zal iedere beslissing worden aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

laat [eiser] toe en draagt hem voor zoveel nodig op tot het bewijs van feiten en omstandigheden waarop kan worden gebaseerd:

dat zijn rechterhand en rechterpols bekneld zijn geraakt door het - zonder toedoen van [eiser] - losschieten van een brandtrapdeel;

bepaalt dat indien bewijs wordt aangedragen door getuigen het verhoor van de getuigen zal plaatsvinden ten overstaan van de rechter mr. R. Giltay, op een door deze nader te bepalen dag en uur in een van de zalen van het Gerechtsgebouw, Zaailand 102 te Leeuwarden;

verwijst de zaak naar de rol van 14 juli 1999 voor dagbepaling overeenkomstig de enquêteregeling van deze rechtbank, waarvan een afschrift aan dit vonnis is gehecht en hiervan deel uitmaakt;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr.R. Giltay en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 16 juni 1999

fn 82.

ENQUÊTEREGELING RECHTBANK LEEUWARDEN.

1. De zaak wordt verwezen naar de rol van 4 weken na de uitspraak van het vonnis, waarin bewijs is opgedragen, voor het vaststellen van datum en tijd van een getuigenverhoor.

2. De procureur van de partij, die bewijs moet leveren, bericht schriftelijk aan de griffier:

a. of bewijs door getuigen zal worden geleverd;

b. zo ja, hoeveel getuigen zullen worden voorgebracht;

c. welke verhinderdagen er zijn voor een periode van 6 weken met ingang van de 3e maandag na de onder 1. bepaalde rolzitting.

3. De procureur van de wederpartij doet op dezelfde wijze opgave van verhinderdagen.

4. De opgaven van verhinderdagen moeten ter griffie zijn ontvangen (eventueel per fax nummer 058-2341475) uiterlijk op de maandag te 17.00 uur voorafgaand aan de onder 1. genoemde rolzitting.

5. Indien de opgave van één of beide procureurs niet (tijdig) is ontvangen, wordt op genoemde rolzitting ambtshalve een datum voor het getuigenverhoor bepaald.

6. Een eenmaal vastgestelde datum zal - behoudens in zeer dringende gevallen - niet worden gewijzigd.

7. Indien een vastgesteld getuigenverhoor

- door afwezigheid van getuigen of anderszins geen doorgang kan vinden c.q. heeft gevonden, dan wel

- moet worden voortgezet

en niet terstond een nadere datum kan worden vastgesteld, wordt de zaak naar de rol verwezen op een termijn van vier weken, hetgeen aan de voet van het proces-verbaal wordt vermeld c.q. door de griffie aan de procureurs afzonderlijk wordt bericht, waarna de onder 2.c. tot en met 6. omschreven procedure wederom wordt gevolgd.

8. Getuigen moeten conform artikel 196 Rv. uiterlijk 7 dagen tevoren aan de wederpartij en de griffier worden opgegeven.

9. Indien van getuigenverhoor wordt afgezien, wordt op de onder 1. genoemde rolzitting voortgeprocedeerd.