Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8435

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Diergeneesmiddelenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 23 november 2000

Kort-geding-nummer: 00/237

VONNIS

van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

1. de naamloze vennootschap naar Duits recht

BAYER AG, gevestigd te Leverkusen, Bondsrepubliek Duitsland,

2. de besloten vennootschap naar Nederlands recht

BAYER B.V., gevestigd te Mijdrecht, gemeente De Ronde Venen,

3. de naamloze vennootschap naar Belgisch recht

BAYER SA/NV, gevestigd te Brussel, België,

eiseressen, hierna gezamenlijk mede te noemen: Bayer,

procureur: mr. M.A. Buys,

advocaat: mr. H.G.T.J. Jansen te 's-Gravenhage,

tegen

1. [Gedaagde 1],

wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],

hierna mede te noemen: [gedaagde 1],

2. [Gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] gemeente [gemeente 2],

hierna mede te noemen: [gedaagde 2],

3. [Gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 3], gemeente [gemeente 3],

hierna mede te noemen: [gedaagde 3],

gedaagden, gezamenlijk ook te noemen: het actiecomité,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. D.M.H.M. van Dijk te Arnhem.

PROCESGANG

Bayer heeft gedaagden in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 4 oktober 2000. De zitting is op verzoek van partijen aangehouden tot 9 november 2000.

Bayer heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden haar - ten opzichte van de aankondiging in die dagvaarding gewijzigde - eis aldus geformuleerd dat de president bij vonnis - zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - ieder der gedaagden handelend voor zich in privé en/of in haar/zijn hoedanigheid van lid van het zich "Ziek van Bayer" noemende actiecomité:

1. verbiedt om mondeling, schriftelijk of op enige andere wijze publiekelijk mede te delen:

a. dat hij/zij, respectievelijk één of meer gedaagden of derden “door het chemiebedrijf Bayer gedupeerd zijn” door het gebruik van in lichte mate BVD-1 virus bevattend IBR-Marker vaccin of in andere woorden mede te delen dat voor hen of voor derden door de enting met IBR-Marker vaccin schade is ontstaan waarvoor Bayer aansprakelijk is;

b. dat het door Bayer ter bestrijding van koeiengriep (IBR) in het verkeer gebrachte in lichte mate BVD-1 virus bevattend IBR-Marker vaccin de dood van daarmee gevaccineerde runderen, dan wel ziekteverschijnselen en/of “dierenleed” veroorzakende aandoeningen heeft veroorzaakt;

c. dat het BVD-virus een agressief en voor koeien dodelijk virus is en dat het daarbij zou zijn gegaan om ruim een miljoen entingen, tenzij tezamen met een feitelijk juiste en relevante en argumentatief objectieve onderbouwing;

d. dat het BVD-2 virus een agressief virus is dat de dood van runderen veroorzaakt heeft, tenzij gelijktijdig erop gewezen wordt dat Bayer de op 12 melkbedrijven daardoor veroorzaakte schade volledig heeft vergoed;

e. dat Bayer “de gevolgen van haar foute handelen niet wil aanvaarden” of in vergelijkbare bewoordingen te stellen dat Bayer niet bereid is de (financiële) gevolgen te dragen van gebeurtenissen welke door haar vaccin veroorzaakt zijn;

f. dat Bayer weigert schadevergoeding te betalen, zonder daarbij gelijktijdig te vermelden dat het bewijs dat het vaccin de dood van en/of ziekteverschijnselen bij runderen veroorzaakt heeft, niet geleverd is en over de oorzakelijkheid daarvan in toenemende mate twijfels zijn gerezen;

g. dat er “door toedoen van Bayer aan veel veehouders economische schade is toegebracht”, of in andere bewoordingen te stellen dat enig handelen van Bayer in verband met de IBR-enting, anders dan door vaccinatie met entstof uit de batch met het nummer WG 4622, aan veehouders schade heeft toegebracht;

2. verbiedt om, anders dan gedragen door een feitelijk juiste en argumentatief objectieve onderbouwing, de naam Bayer en één of meer der door haar geproduceerde geneesmiddelen publiekelijk op enigerlei wijze middels gesproken en/of geschreven woord en/of middels het gebruik van enige afbeelding op een de eer en goede naam van Bayer aantastende, dan wel op negatieve wijze in verband te brengen met de dood van runderen of met ziekten bij runderen;

3. verbiedt om de naam Bayer af te beelden aldus, dat daarin enige letter vervangen of in verband gebracht wordt door/met enig haar goede naam aantastend teken, in het bijzonder door/met een doodshoofd al of niet tezamen met gekruiste beenderen;

4. verbiedt om, anders dan voorzien van een feitelijk juiste, relevante en argumentatief objectieve onderbouwing, publiekelijk de werkzaamheid van enig door Bayer AG vervaardigd (dier)geneesmiddel in woord, geschrift of anderszins in twijfel te trekken en/of deze geneesmiddelen met de suggestie te verbinden dat het, voor dieren, door schade wijs geworden, “maar beter (is) te maken dat je weg komt zodra je Bayer ziet” of op andere wijze tot uitdrukking te brengen dat de door Bayer vervaardigde (dier)geneesmiddelen maar beter niet aan dieren kunnen worden toegediend;

5. gebiedt om de zich (nog) in bezit of in de macht van ieder der gedaagden bevindende brieven en/of stickers binnen tien dagen nadat het te dezer zake te wijzen vonnis zal zijn gewezen, respectievelijk aan hen zal zijn betekend, in aanwezigheid van hun advocaat mr. Van Dijk te vernietigen, dan wel aan mr. Van Dijk, ter vernietiging door een professioneel handelend vernietigingsbedrijf, te (doen) overhandigen;

6.A. gebiedt om aan de dierenartsen, veetransporteurs, rijdende melkontvangers, veevoederleveranciers, loonwerkers, familieleden en kennissen, organisaties en instellingen, natuurlijke personen en/of rechtspersonen aan wie gedaagden één of meer exemplaren van de stickers en/of van de bij deze dagvaarding betekende tekst overhandigd hebben, zoveel mogelijk schriftelijk te verzoeken deze aan hen terug te geven dan wel deze op geen enkele wijze meer (publiekelijk of anderszins) te gebruiken, en

6.B. gebiedt om alle door hen retour ontvangen stickers telkens na een periode van één maand aan mr. Van Dijk (ter overhandiging aan een professioneel handelend vernietigingsbedrijf) aan te bieden/te doen aanbieden;

en voorts dat de president:

7. de in het dictum van het vonnis van 20 maart 2000 onder de nummers 6 en 7 op overtreding van de daarin onder 1 tot en met 5 gegeven verboden gestelde dwangsommen verhoogt tot ¦ 5.000,00 (vijfduizend gulden) voor iedere overtreding van enig gegeven gebod of verbod, onder vaststelling van het bedrag waarboven geen dwangsommen meer verbeurd worden op ¦ 250.000,00 (tweehonderdvijftigduizend gulden), althans onder nadere vaststelling van de dwangsom en het maximum daarvan op zodanige bedragen als de president in goede justitie zal vermenen te behoren, en voorts onder vaststelling van een dwangsom van ¦ 1.000,00 (duizend gulden) voor iedere door ieder der gedaagden in strijd met enig door de president in het onderhavige kort geding te geven verbod/gebod verrichte, dan wel nagelaten handeling met uitzondering van het onder 6A gevorderde en onder vaststelling dat het totaal van de door ieder der gedaagden te verbeuren dwangsommen niet meer dan ¦ 50.000,00 (vijftigduizend gulden) zal bedragen;

8. ieder der gedaagden veroordeelt in de proceskosten, met dien verstande dat indien één der gedaagden deze zal hebben betaald, de anderen van de verplichting tot betaling ervan zullen zijn bevrijd.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij gedaagden hebben geconcludeerd tot referte aan het oordeel van de president voor wat betreft de vorderingen 1 tot en met 4 en tot afwijzing van de overige vorderingen, kosten rechtens.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat heeft Bayer de stukken overgelegd en hebben partijen vonnis gevraagd.

De president doet heden uitspraak op basis van het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

1. Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van stellingen van partijen of ook op grond dat ze blijken uit de tussen partijen onomstreden gebleven inhoud van overgelegde schriftelijke stukken. Uit stellingen van partijen moeten feiten als vaststaand worden afgeleid als ze door de ene partij zijn gesteld en vervolgens door de andere partij zijn erkend of door die partij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

Overigens draagt de vaststelling van feiten in een kort geding noodgedwongen een voorlopig karakter, omdat de gelegenheid om getuigen te ondervragen en deskundigen-bericht in te winnen dan pleegt te ontbreken.

2. Aldus gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

2.1. Bayer AG is een te Leverkusen, Bondsrepubliek Duitsland, gevestigde onderneming met bedrijven in de chemisch-farmaceutische sector. Zij vervaardigt onder meer geneesmiddelen voor gebruik bij mens en dier. Bayer B.V. en Bayer SA/NV zijn tot het concern van Bayer AG behorende vennootschappen die de door Bayer AG en haar dochterondernemingen vervaardigde producten in Nederland respectievelijk België op de markt brengen.

2.2. Het onderzoeksinstituut "Instituut voor Diergezondheid" te Lelystad (hierna te noemen: ID-Lelystad) heeft ter bestrijding van de bij runderen voorkomende ziekte Infectieuze Bovine Rhinotracheïtis (bekend als koeiengriep en hierna te noemen: IBR) een vaccin ontwikkeld dat door Bayer AG wordt geproduceerd.

2.3. Bayer heeft aan Hoechst Roussel Vet N.V. (hierna te noemen: Hoechst) licentie verleend om in een aantal landen naast Bayer het vaccin op de markt te brengen. Runderen die met deze vaccins geënt worden, ontwikkelen daartegen antistoffen en worden daardoor geïmmuniseerd.

2.4. In Nederland zijn toelatingen onder de Diergeneesmiddelenwet verstrekt - aan Bayer op 13 februari 1995 en aan Hoechst op 13 juni 1995 - voor het vaccin in twee vormen: levend (vivum, live) en geïnactiveerd (inactivatum, inactivated).

Bij inactivatum-vaccin zijn alle zich in het vaccin bevindende levende virussen ten gevolge van een chemische behandeling geïnactiveerd.

2.5. Bayer brengt beide vaccins onder de merken "Bayovac IBR-Marker vivum" respectievelijk "Bayovac IBR-Marker inactivatum" sedert februari 1995 in Nederland op de markt. Hoechst brengt het vaccin onder de merken "Rhinobovin Marker Live" respectievelijk "Rhinobovin Marker inactivated" sedert juni 1995 op de markt. In de naam van het vaccin komt het woord "Marker" voor, omdat het vaccin ontwikkeld is op basis van een virusstam die zich van ieder IBR-veldvirus onderscheidt.

Het vaccin mag uitsluitend aan dierenartsen geleverd en door hen toegediend worden.

2.6. Omdat IBR een ziekte is die in Nederland een schade van vele miljoenen guldens per jaar veroorzaakt en een toenemend aantal IBR-vrije landen in Europa beperkingen oplegt aan de invoer van levende dieren, sperma en embryo's uit IBR-positieve landen, heeft het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) bij verordening van 11 maart 1998, gepubliceerd in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie op 20 november 1998, aan iedere veehouder met een IBR-positieve veestapel de verplichting opgelegd zijn runderen tegen IBR te doen enten. Hierbij is door de Nederlandse autoriteiten het gebruik van levend vaccin gepropageerd.

2.7. In februari 1999 hebben zich bij koeien op twaalf Nederlandse bedrijven waar met uit de productie-eenheid (batch) WG 4622 afkomstig "Bayovac IBR-Marker vivum" vaccin was geënt, ernstige ziekteverschijnselen gemanifesteerd. Bayer heeft daarop eerst de verkoop van het vaccin afkomstig van batch WG 4622 stopgezet en later ook de verkoop van "Bayovac IBR-Marker vivum" en "Rhinobovin Marker Live" met andere batchnummers. Op 24 maart 1999 heeft een algehele product-recall plaatsgehad.

2.8. Onderzoek heeft uitgewezen dat het vaccin uit batch WG 4622 in sterke mate besmet was met een agressief BVD-virus van het type 2, terwijl het vaccin uit zeven andere batches in lichte mate besmet was met een (milder) BVD-virus van het type 1.

2.9. BVD is een afkorting van Bovine Virus Diarrhea: een ziekte bij runderen die onder meer kan leiden tot algemene weerstandsvermindering tegen kiemen, productiedaling en ontsteking van de slijmvliezen, waardoor diarree, koorts en verminderde eetlust en uitdroging kunnen ontstaan en abortus, fertiliteitsstoornissen, geboorte van afwijkende kalveren en geboorte van persistent met BVD-virus besmette dragerkalveren kunnen optreden. Het laatste symptoom is specifiek voor BVD, de andere symptomen komen ook als symptoom van vele andere ziekten voor.

2.10. De voor de "Bayovac IBR-Marker vivum" en de "Rhinobovin Marker Live" vaccins onder de Diergeneesmiddelenwet gegeven toelatingen zijn op 22 maart 1999 geschorst. Deze schorsing is op 4 september 2000 opgeheven. De toelatingen voor "Bayovac IBR-Marker inactivatum" respectievelijk "Rhinobovin Marker inactivated" zijn niet geschorst (geweest). Deze ongeactiveerde vaccins zijn in september 1999 al door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij veilig verklaard.

2.11. Omdat het oorzakelijk verband tussen het sterk met BVD-virus van het type 2 besmette vaccin uit batch WG 4622 en de ziektegevallen op de twaalf bedrijven duidelijk was, heeft Bayer de aansprakelijkheid voor de schade op deze twaalf bedrijven erkend en de geclaimde schade van tien bedrijven geheel en van de overige twee bedrijven gedeeltelijk vergoed.

2.12. Nadat ook de lichte verontreiniging van het IBR-vaccin met het BVD-virus van het minder virulente type 1 aan het licht was gekomen, hebben de standsorganisatie Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (hierna: LTO) en de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna: GD) in april 1999 de 45.000 melkveehouders, die verplicht tegen IBR gevaccineerd hadden, aangeschreven met de - in zeer algemene bewoordingen gestelde - vraag of na een IBR-vaccinatie gezondheidsproblemen waren opgetreden. Hierop is door 7000 boeren gereageerd bij de Stichting IBR/BVD Schade (hierna: SIS), een intussen door LTO op 4 mei 1999 opgerichte stichting die zich ten doel stelt alle door veehouders in Nederland in de jaren 1995 tot en met 1999 ten gevolge van het gebruik van met BVD besmette IBR-entstof geleden schade te verhalen.

2.13. Sinds februari 1999 zijn er van overheidswege en anderszins onderzoeken verricht naar het mogelijk bestaan van een samenhang tussen de inenting tegen IBR en in de Nederlandse veestapel opgetreden ziekteverschijnselen. Door de onderzoeken is het bestaan van een oorzakelijk verband of samenhang tussen in lichte mate BVD-virus van het type 1 bevattend "IBR Marker vivum" vaccin en ziekteverschijnselen bij runderen niet aangetoond.

2.14. In mei 1999 hebben Bayer, LTO en GD een groep van vijf internationaal erkende experts op het gebied van BVD-virussen verzocht, onderzoek te doen naar het bestaan van eventuele samenhang en oorzakelijk verband tussen het "IBR-Marker vivum" vaccin en bij runderen die daarmee geënt waren, waargenomen ziekteverschijnselen. In hun tussenrapport van 16 september 1999 hebben deze experts desgevraagd gesteld het bestaan van een mogelijke samenhang niet te kunnen uitsluiten en hebben zij, om inzicht te verkrijgen in het al of niet bestaan van causaal verband, nader onderzoek aanbevolen. De vijf experts hebben tot op heden nog niet over het resultaat van het nader onderzoek gerapporteerd.

2.15. LTO en SIS hebben in rechte nog geen claims ingediend, waarop Bayer zich kan beraden, maar zijn wel voornemens om binnen enkele weken een bodemprocedure te starten.

SIS heeft namens zes veehouders een claim bij Bayer neergelegd. In vijf van deze gevallen wordt in het betreffende dossier een schadebedrag genoemd. Het schadebedrag bedraagt voor deze vijf gevallen in totaal ongeveer ¦ 75.000,00. De afhandeling van deze claims door Bayer bevindt zich nog in de fase waarin de wettelijk voorgeschreven farmaco-vigilantie-procedure wordt uitgevoerd. Na beëindiging van deze procedure zal Bayer een beslissing nemen over de gevraagde schadevergoeding.

2.16. Gedaagden zijn veehouders op wier bedrijven, naar zij stellen, runderen na de verplichte inenting tegen IBR allerlei ziekteverschijnselen zijn gaan vertonen. Zij hebben zich opgeworpen als spreekbuis voor een zeer groot aantal verontruste en gedupeerde veehouders. Het zijn de drie gedaagden die zich presenteren als het actiecomité "Ziek van Bayer", welk comité inmiddels de volgende acties heeft georganiseerd/gevoerd.

2.16.1. Op 14 januari 2000 zijn de toegangen tot het bedrijfsgebouw en het bedrijfsterrein van Bayer B.V. te Mijdrecht met kettingen afgegrendeld, waardoor het personeel van Bayer de toegang naar het bedrijfsterrein en de bedrijfsgebouwen werd belet. Bij deze actie zijn onder meer spandoeken gebruikt met daarop de tekst: "Bayer medicijnen rotzooi". Bayer B.V. heeft gedaagden naar aanleiding van deze actie voor een gesprek uitgenodigd. Toen Bayer niet bereid bleek een onvoorwaardelijke toezegging te doen om aan alle 7000 zich beweerdelijk bij SIS gemeld hebbende veehouders alle beweerdelijk door enting met "IBR-Marker" vaccin veroorzaakte schade te vergoeden, hebben gedaagden het onderhoud met Bayer afgebroken. Op 13 maart 2000 heeft een nieuw gesprek tussen partijen plaatsgevonden.

2.16.2. Op 2 februari 2000 is te Antwerpen aan personen die door Bayer SA/NV waren uitgenodigd om aanwezig te zijn bij een galaconcert ter viering van haar 100-jarig bestaan in België, een pamflet uitgedeeld dat aan de ene zijde afbeeldingen bevatte van een dode koe in een weiland en van een geaborteerde kalverfoetus met daartussen geplaatst de tekst: "Dood door Bayer" en het Bayerlogo. Op de andere zijde van het pamflet stond vermeld:

"Zevenduizend Nederlandse boeren zijn gedupeerd doordat Bayer een verontreinigd vaccin heeft gemaakt en verspreid.

Daardoor zijn ruim één miljoen koeien ingespoten met dit foute medicijn.

De schade die Bayer hiermee heeft veroorzaakt bedraagt honderden miljoenen guldens.

Bayer weigert tot nu toe schade te vergoeden.

Bayer is daarom onbetrouwbaar en a-sociaal.

Bovendien liegt Bayer over de ware gang van zaken.

Veel boeren hebben hier hoofdpijn van. Zij slikken aspirines.

Maar NIET die van Bayer (want die vertrouwen ze ook niet meer).

z.o.z.

Actiecomité Ziek van Bayer"

Tevens zijn bij deze gelegenheid spandoeken gedragen met daarop de tekst: "Bayer speelt vals".

2.17. Blijkens berichten in de media is het actiecomité voornemens geweest een actie te starten, bestaande uit het langs een aantal snelwegen plaatsen van borden met plakkaten met daarop boven en onder de afbeelding van een dode koe in de wei de teksten: "Dood door Bayer" en "Het zal je kind maar wezen".

2.18. [Gedaagde 2] heeft een dergelijk bord onthuld tijdens een persbijeenkomst op zijn bedrijf in [woonplaats 2] en heeft het bord in afwachting van plaatsing langs de snelweg A12 tussen Veenendaal en Ede opgehangen op de deur van zijn ligboxenstal.

2.19. De bedoeling van de actie met de borden langs de snelwegen was om de druk op Bayer te vergroten. De zinsnede "Het zal je kind maar wezen" was daarbij gekozen om een verband te leggen met de eveneens door Bayer geproduceerde humane geneesmiddelen. [Gedaagde 1] heeft zich in dit verband jegens de pers als volgt uitgelaten:

"Nu gaat het om je koeien, maar je moet er niet aan denken dat falende controle bij Bayer tot gezondheidsproblemen bij kinderen had geleid" (Oogst Landbouw, 28 februari 2000).

"Ik ben moeder van drie kinderen. Als die ziek zijn, verwacht ik dat het medicijn dat ik ze geef veilig is. Als dat niet zo is, behoort de fabrikant van dat middel zijn verantwoordelijkheid te nemen in plaats van de toevlucht te nemen tot list en bedrog." (Telegraaf, 28 februari 2000).

2.20. [Gedaagde 3] heeft jegens de pers onder meer de uitlating gedaan "De beerput

van Bayer zál opengaan. Ze kunnen er nog zoveel juristen opzetten, maar die deksel gáát er af." (Agrarisch Dagblad, 23 februari 2000; Oogst Landbouw, 25 februari 2000).

2.21. Bij kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 van de president van deze rechtbank zijn gedaagden op straffe van verbeurte van dwangsommen onder meer veroordeeld:

a. om zich - buiten de besmettingsgevallen veroorzaakt door vaccin uit batch WG 4622 - te onthouden van het doen van:

de publiekelijke mondelinge uitlating: "Dood door Bayer" al of niet vergezeld gaand van (een) afbeelding(en) die geëigend is/zijn om de eer en goede naam van een of meer eiseressen aan te tasten;

publiekelijke mondelinge uitlatingen dat een of meer eiseressen door het op de markt brengen van een besmet IBR-vaccin (aan melkveehouders) schade heeft/hebben veroorzaakt;

b. om zich te onthouden van het doen van een of meer van de navolgende publiekelijke mondelinge uitlatingen in verband met een of meer eiseressen:

"Het zal je kind maar wezen";

"De beerput bij Bayer (moet open)"; en

"Bayer speelt vals";

c. om zich te onthouden van het doen van publiekelijke mondelinge uitlatingen die tot uitdrukking brengen dat een of meer eiseressen (opzettelijk) onwaarachtigheden en/of leugens naar voren brengt/brengen, onbetrouwbaar en/of a-sociaal is/zijn, de waarheid toedekt/toedekken of anderszins haar toevlucht neemt/nemen tot leugen, list en/of bedrog.

Voort is het gedaagden verboden om publiekelijk, het op de volgtijdelijkheid van IBR-vaccinatie en ziekteverschijnselen berustende vermoeden van een causaal verband tussen enting met het in lichte mate met het BVD-virus van het type 1 besmette vaccin en de bij runderen vastgestelde ziekteverschijnselen, als (wetenschappelijk en objectief vastgesteld) feit te presenteren en zijn gedaagden veroordeeld om zich te onthouden van het uitdelen van pamfletten of geschriften en van het voor het publiek waarneembaar plaatsen of geplaatst houden van spandoeken en borden met plakkaten, voor zover houdende een of meer van de in het kort-gedingvonnis verboden uitlatingen;

2.22. Het kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 is nog in dezelfde maand aan de gedaagden betekend. Dit kort-geding-vonnis, waartegen door geen der partijen hoger beroep is ingesteld, heeft zijn gelding nog niet verloren, omdat de in rechtsoverweging 2.14 van dat vonnis bedoelde experts nog niet nader hebben gerapporteerd.

2.23. Sinds de uitspraak op 20 maart 2000 in het vorige tussen partijen gevoerde kort geding, zijn nieuwe onderzoeken naar een eventueel oorzakelijk verband tussen de inenting tegen IBR en in de Nederlandse veestapel opgetreden ziekteverschijnselen uitgevoerd en zijn nieuwe onderzoeksresultaten bekend geworden, waaraan in de media aandacht is besteed:

2.23.1. Bayer heeft op 29 maart 2000 het resultaat van het door haar uitgevoerd onderzoek (proef Heh-058) bekend gemaakt. Dit onderzoek had betrekking op zeven drachtige koeien die tweemaal binnen de periode waarin de kalverfoetus zijn afweersysteem vormt, met een normale dosis van in lichte mate BVD van het type 1 houdend IBR-marker vivum vaccin werden gevaccineerd en vervolgens met een vijftigvoudige overdosis. De onderzoeksresultaten geven geen aanknopingspunt voor het aannemen van enig causaal verband tussen de entstof en de in Nederland gerapporteerde ziekteverschijnselen.

2.23.2. In opdracht van Bayer heeft Logtenberg Advies B.V. te Dalfsen een inventarisatie-onderzoek gedaan naar gezondheidsstoornissen op melkveebedrijven waar niet tegen IBR was gevaccineerd. Bayer heeft de resultaten van dit onderzoek in juli 2000 gepubliceerd: alle ziekteverschijnselen die door sommigen aan toediening van het in lichte mate het milde BVD-1 virus bevattend IBR-marker vivum vaccin worden toegeschreven, blijken ook en soms in versterkte mate voor te komen op bedrijven waar geen vaccinatie met IBR-marker vivum had plaatsgevonden.

2.23.3. Staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft naar aanleiding van de resultaten van een door ID-Lelystad verrichte oculatieproef en twee kengetallenonderzoeken in de media gemeld (Agrarisch Dagblad van 10 mei 2000) dat tot nu toe geen duidelijk verschil is gebleken in de gezondheid van dieren die wél en die niét gevaccineerd waren met het IBR-marker vaccin.

2.24. Uit geen van deze onderzoeken en evenmin uit andere uitgevoerde onderzoeken is van een oorzakelijk verband tussen enting met het in lichte mate met het BVD-virus van het type 1 besmette vaccin en de bij runderen vastgestelde ziekteverschijnselen gebleken.

2.25. Op 28 april 2000 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de aandeelhoudersvergadering van Bayer toegesproken. Zij hebben daarbij onder meer gezegd:

[gedaagde 2]: “Blutproben haben voriges Jahr gezeigt, dass meine Rinder während der IBR-Impfungen eine BVD-Infektion bekommen haben. BVD is die Abkürzung für ‘Bovine Virusdiarrhoe’. Alle Krankheiten und Krankheitserscheinungen, die ich genannt habe, haben mit BVD zu tun.”

[gedaagde 1]: “Wir sind davon überzeugt, dass es einen Zusammenhang zwischen den Impfungen und den Krankheitserscheinungen gibt. Es laufen noch Untersuchungen, die diesen Zusammenhang weiter klären sollen.”

2.26. Op 8 september 2000 hebben gedaagden in het perscentrum Nieuwspoort in Den Haag een nieuwe actie gelanceerd. Bij deze actie maken zij gebruik van stickers. De stickers zijn er in twee formaten: 12,5 x 17,5 centimeter en 100 x 70 centimeter. Op sommige stickers is een afbeelding van een rennende met verschrikte ogen achterom kijkende koe te zien met daaronder de tekst: “HELLUP …BAYER” met dien verstande, dat de A in Bayer is vervangen door een doodshoofd met daaronder gekruiste beenderen. Op andere stickers is een afbeelding van een lachende koe te zien met daaronder de tekst: “BAYER HELPT??” De achterkant van de kleine stickers bevat de tekst:

“Geachte Lezer,

Deze stickers worden u aangeboden door het Actiecomité “Ziek van Bayer”. Het Actiecomité “Ziek van Bayer” bestaat uit veehouders die door het chemiebedrijf Bayer gedupeerd zijn. Bayer is onder andere producent van een vaccin tegen koeiengriep. Toen veehouders met dit vaccin in 1999 de koeien behandelden, werden veel van deze koeien ziek. Een groot aantal koeien is snel daarna gestorven.

Het bleek al snel dat het vaccin tegen de koeiengriep besmet was met een agressief virus, het zogenaamde BVD-virus. Bayer heeft erkend dat de door hun geleverde entstof besmet was met dit agressieve en voor koeien dodelijke virus. Het gaat hier om ruim een miljoen entingen. Het bedrijf Bayer wil echter de gevolgen van hun foute handelen niet aanvaarden. Door het leveren van besmet vaccin heeft Bayer veel dierenleed veroorzaakt. Daarnaast hebben veehouders wanhopig en machteloos moeten toezien hoe veel van hun koeien ziek werden. Tenslotte is er door toedoen van Bayer aan veel veehouders economische schade toegebracht door productieverlies en hoge kosten om de veestapel weer gezond te maken.

Veehouders willen schadevergoeding van Bayer. Bayer weigert echter te betalen. Zolang Bayer weigert de consequenties van hun fouten te aanvaarden en een schadevergoeding aan de gedupeerde veehouders te betalen, zolang zal het Actiecomité “Ziek van Bayer” doorgaan met acties.

Bayer Helpt? Nou nee, ga daar maar niet van uit.

Hellup… Bayer Je kunt maar beter maken dat je weg komt zodra je Bayer ziet. Koeien zijn door schade wijs geworden.

U kunt de acties van het Actiecomité “Ziek van Bayer” financieel ondersteunen door uw bijdrage te storten op rekeningnummer 387072779 ten name van Actiecomité Ziek van Bayer te Ede.

Door deze stickers op goed zichtbare plaatsen te plakken, laat u zien dat u ook vindt dat een groot chemiebedrijf als Bayer haar fouten moet erkennen en schadevergoeding moet betalen aan gedupeerde veehouders.

Bij voorbaat dank voor uw medewerking.

Namens het Actiecomité “Ziek van Bayer”

[gedaagde 2]

[gedaagde 1]

[gedaagde 3]”

2.27. Bayer heeft gedaagden op 8 september 2000 gesommeerd de verspreiding van de stickers en de tekst op de achterzijde met onmiddellijke ingang te staken en een verklaring te ondertekenen waarin zij bevestigen zich van verder gebruik van de tekst en de tekeningen te zullen onthouden. Naar aanleiding van deze sommatie hebben besprekingen tussen partijen plaatsgevonden, teneinde te komen tot een minnelijke regeling met betrekking tot het onderhavige geschil.

Het geschil en de beoordeling daarvan

3. Het gaat in deze zaak niet om de vraag of Bayer ernstig besmette vaccins heeft geleverd en daardoor ontstane schade moet vergoeden, maar om de wijze waarop gedaagden acties voeren om civielrechtelijke, nog niet aan de rechter voorgelegde geschillen daarover onder de publieke aandacht te brengen met alle gevolgen vandien voor de reputatie van Bayer. Partijen verschillen van mening over de toelaatbaarheid en rechtmatigheid van sommige actiemethoden. Over andere hadden zij in recente onderhandelingen al een ver gaande mate van overeenstemming bereikt, toen zij er uiteindelijk niet in slaagden, deze in een schriftelijke vaststellingsovereenkomst in een door Bayer met het oog op vereenvoudigde executie ervan gewenste notariële akte vast te leggen; ook was er een geschil over de vraag of de ter sanctionering overeengekomen boetes al dan niet voor matiging vatbaar moesten zijn.

Hoewel Bayer zich op het standpunt stelt dat partijen daarbij inhoudelijk overeenstemming hebben bereikt over de oplossing van het onderhavige geschil, vordert Bayer geen nakoming van de volgens haar gesloten vaststellingsovereenkomst, maar baseert zij haar vorderingen op de stelling dat gedaagden onrechtmatig jegens Bayer handelen door het publiekelijk doen van de mededelingen, die zij hebben geuit op de aandeelhoudersvergadering van Bayer, door het aan derden aanbieden en het gebruik aanbevelen van de in rechtsoverweging 2.26 genoemde stickers en door het verspreiden van de achterop de stickers vermelde tekst. Volgens Bayer is de inhoud van de door gedaagden op de aandeelhoudersvergadering van 28 april 2000 gehouden toespraak alsmede de verspreiding van de stickers en de daarop vermelde tekst in strijd met de bij het kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 aan gedaagden opgelegde verboden. Ook maken gedaagden zich schuldig aan smaadschrift, althans laster, aldus Bayer.

4. Het actiecomité heeft erkend dat het in strijd met het kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 in zijn uitlatingen als vaststaand feit tot uitdrukking heeft gebracht, dat er een causaal verband bestaat tussen het toegediende vaccin van Bayer en de ziekte onder de runderen. Het actiecomité geeft voorts toe dat de tekst op de achterkant van de stickers in strijd is met het eerder uitgesproken kort-geding-vonnis en als onrechtmatig jegens Bayer moet worden beschouwd. Het actiecomité heeft zich om deze reden ten aanzien van de vorderingen 1 tot en met 4 gerefereerd aan het oordeel van de president. Deze vorderingen komen de president, gelet op hetgeen in het kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 over artikel 10 EVRM in het kader van het geschil tussen partijen is overwogen en gelet op deze erkenning en deze referte van gedaagden, niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat de vorderingen als in het dictum te melden voor toewijzing in aanmerking komen.

5.1. Het actiecomité kan zich echter niet verenigen met toewijzing van de overige vorderingen van Bayer. Zij heeft de vorderingen strekkende tot - kort weergegeven - het terugroepen en vernietigen van de reeds verspreide stickers, betwist met de stelling dat Bayer overgevoelig reageert op de voorkant van de stickers. De stickers zijn ludiek van karakter en moeten door Bayer worden geduld als een gerechtvaardigde vorm van aandacht vragen voor de problematiek waarmee (de achterban van) het actiecomité kampt, aldus het actiecomité.

5.2. Dit verweer staat echter niet aan toewijzing van de gevorderde terughaal- en vernietigingsactie in de weg. De president kan zich slechts gedeeltelijk vinden in het standpunt van het actiecomité dat de stickers een ludiek karakter dragen. De afbeelding van de (lachende) koeien en de daarbij afgedrukte tekst kan als humoristisch en redelijk ludiek worden beschouwd. De tekst “Hellup … Bayer” en “Bayer helpt??”, die door Bayer wordt uitgelegd als het tot uitdrukking brengen van de ondeugdelijkheid van de geneesmiddelen van Bayer, kan ook welwillender, namelijk als een woordspeling worden uitgelegd: “Bayer helpt niet zo goed als je schade hebt geleden.” Het ludieke karakter wordt echter grotendeels weer aan de stickers ontnomen doordat in de naam BAYER de letter A is vervangen door een doodshoofd en gekruiste beenderen. Naar het oordeel van de president heeft het actiecomité hiermee - mede gelet op het feit dat een doodshoofd met gekruiste beenderen in de Bestrijdingsmiddelenwet is aangewezen als verplichte aanduiding voor (zeer) vergiftige bestrijdingsmiddelen - de grenzen van haar vrijheid van meningsuiting overschreden. In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg is de vrijheid om te shockeren, te ergeren of anderen van hun stuk te brengen gaandeweg teruggebracht tot de Staat en maatschappelijke groepen als degenen die dit moeten dulden in plaats van ook individuele (rechts)personen. Overigens hebben gedaagden zich niet verzet tegen toewijzing van het gevorderde verbod om de naam Bayer op zodanige wijze af te beelden dat daarin een doodshoofd met gekruiste beenderen voorkomt; gedaagden hebben zich immers ook met betrekking tot vordering 3 gerefereerd aan het oordeel van de president.

5.3. Verder heeft het actiecomité als verweer gevoerd dat nakoming van de gevorderde terughaal- en vernietigingsactie feitelijk onmogelijk is, omdat de stickers niet zijn uitgedeeld aan met name te noemen personen en/of instellingen, maar zijn gedeponeerd bij onder anderen dierenartsen, veetransporteurs, veevoederleveranciers, rijdende melkontvangers, familie en kennissen. Er valt volgens het actiecomité daarom nu niet meer te achterhalen, waar de stickers uiteindelijk zijn terechtgekomen.

5.4 Hoewel de president dit verweer voldoende onderbouwd en aannemelijk acht, is hij, gelet op hetgeen in rechtsoverweging 5.2. is overwogen, van oordeel dat van het actiecomité mag worden verlangd dat het doet wat in zijn vermogen ligt om zoveel mogelijk stickers terug te halen en te vernietigen. Mede in aanmerking genomen dat de terughaal- en vernietigingsactie niet op straffe van verbeurte van een dwangsom is gevorderd, zal de president de betreffende vordering als in het dictum te melden toewijzen.

6. De vordering van Bayer strekkende tot verhoging van de bij het kort-geding-vonnis van 20 maart 2000 vastgestelde dwangsommen, zal worden afgewezen. Bayer kan zich niet op de gebrekkige afschrikwekkende werking van de opgelegde dwangsommen beroepen, nu zij ter zitting erkend heeft, dat zij niet eens heeft gepoogd verbeurde dwangsommen te incasseren.

7. De president zal een maximum aan de op grond van dit kort-geding-vonnis te verbeuren dwangsommen verbinden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit kort-geding-vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen.

Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

8. Gelet op het feit dat het actiecomité geen rechtspersoonlijkheid bezit en gedaagden in die zin niet in een afzonderlijke hoedanigheid van lid of bestuurder van het actiecomité kunnen handelen, zullen de toe te wijzen verboden slechts jegens gedaagden als particuliere burgers ofwel natuurlijke personen worden uitgesproken.

9. Nu partijen over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk zijn gesteld, zal de president de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De president, recht doende in kort geding:

1. verbiedt gedaagden om mondeling, schriftelijk of op enige andere wijze in het openbaar, buiten de rechtszaal, mee te delen:

a. dat hij/zij, respectievelijk één of meer gedaagden of derden “door het chemiebedrijf Bayer gedupeerd zijn” door het gebruik van in lichte mate BVD-1 virus bevattend IBR-Marker vaccin of in andere woorden mede te delen dat voor hen of voor derden door de enting met IBR-Marker vaccin schade is ontstaan waarvoor Bayer aansprakelijk is;

b. dat het door Bayer ter bestrijding van koeiengriep (IBR) in het verkeer gebrachte in lichte mate BVD-1 virus bevattend IBR-Marker vaccin de dood van daarmee gevaccineerde runderen, dan wel ziekteverschijnselen en/of “dierenleed” veroorzakende aandoeningen heeft veroorzaakt;

c. dat het BVD-virus een (bij ruim een miljoen entingen) voor koeien dodelijk gebleken virus is, tenzij tezamen met een feitelijk juiste en relevante en argumentatief objectieve onderbouwing;

d. dat het BVD-2 virus een agressief virus is dat de dood van runderen veroorzaakt heeft, tenzij gelijktijdig erop gewezen wordt dat Bayer de op 12 melkbedrijven daardoor veroorzaakte schade volledig heeft vergoed;

e. dat Bayer “de gevolgen van haar foute handelen niet wil aanvaarden” of in vergelijkbare bewoordingen te stellen dat Bayer niet bereid is de (financiële) gevolgen te dragen van gebeurtenissen welke door haar vaccin veroorzaakt zijn;

f. dat Bayer weigert schadevergoeding te betalen, zonder daarbij gelijktijdig te vermelden dat het bewijs dat het vaccin de dood van en/of ziekteverschijnselen bij runderen veroorzaakt heeft, niet geleverd is en over de oorzakelijkheid daarvan in toenemende mate twijfels zijn gerezen;

g. dat er “door toedoen van Bayer aan veel veehouders economische schade is toegebracht”, of in andere bewoordingen te stellen dat enig handelen van Bayer in verband met de IBR-enting, anders dan door vaccinatie met entstof uit de batch met het nummer WG 4622, aan veehouders schade heeft toegebracht;

2. verbiedt gedaagden om, anders dan gedragen door een feitelijk juiste en argumentatief objectieve onderbouwing, de naam Bayer en één of meer der door haar geproduceerde geneesmiddelen in het openbaar, buiten de rechtszaal, op enigerlei wijze door middel van gesproken en/of geschreven woord en/of door middel van het gebruik van enige afbeelding in verband te brengen met de dood van runderen of met ziekten bij runderen op een de eer en goede naam van Bayer aantastende, dan wel op negatieve wijze;

3. verbiedt gedaagden om de naam Bayer af te beelden aldus, dat daarin enige letter vervangen wordt door enig haar goede naam aantastend teken, in het bijzonder door een doodshoofd al of niet tezamen met gekruiste beenderen;

4. verbiedt gedaagden om, anders dan voorzien van een feitelijk juiste en argumentatief objectieve onderbouwing, in het openbaar, buiten de rechtszaal de werkzaamheid van enig door Bayer AG vervaardigd (dier)geneesmiddel in woord, geschrift of anderszins in twijfel te trekken en/of deze geneesmiddelen met de suggestie te verbinden dat het (voor door schade wijs geworden dieren) “maar beter (is) te maken dat je weg komt zodra je Bayer ziet” of op andere wijze tot uitdrukking te brengen dat de door Bayer vervaardigde (dier)geneesmiddelen maar beter niet (aan dieren) kunnen worden toegediend;

5. gebiedt gedaagden om de zich (nog) in bezit of in de macht van ieder der gedaagden bevindende stickers binnen tien dagen nadat dit vonnis aan hen zal zijn betekend, in aanwezigheid van hun advocaat te vernietigen, dan wel aan mr. Van Dijk ter vernietiging door een professioneel handelend vernietigingsbedrijf te (doen) overhandigen;

6. gebiedt gedaagden om aan de dierenartsen, veetransporteurs, rijdende melkontvangers, veevoederleveranciers, loonwerkers, familieleden en kennissen, organisaties en instellingen, natuurlijke personen en/of rechtspersonen aan wie gedaagden één of meer exemplaren van de stickers en/of van de bij de dit kort geding inleidende dagvaarding betekende tekst overhandigd hebben, zoveel mogelijk schriftelijk te verzoeken deze aan hen terug te geven dan wel deze op geen enkele wijze meer (publiekelijk of anderszins) te gebruiken;

7. gebiedt gedaagden om alle door hen retour ontvangen stickers telkens binnen één maand na ontvangst aan mr. Van Dijk (ter overhandiging aan een professioneel handelend vernietigingsbedrijf) aan te bieden/te doen aanbieden;

8. bepaalt, dat voor zover elk van gedaagden in strijd handelt met (één van) deze ge- of verboden, hij of zij aan eiseressen gezamenlijk een dwangsom verbeurt van ¦ 1.000,00 (duizend gulden) voor iedere uitlating of afbeelding in strijd met een der onder 1 tot en met 4 uitgesproken ge- of verboden en van f 10,- (tien gulden) voor elke sticker ter zake waarvan (één der) gedaagden niet voldoet aan het onder 5 of 7 uitgesproken gebod;

9. bepaalt dat het totaal van de door ieder der gedaagden ten gevolge van dit vonnis te verbeuren dwangsommen niet meer dan ¦ 50.000,00 (vijftigduizend gulden) bedraagt;

10. bepaalt dat deze dwangsommen vatbaar zijn voor matiging door de bodemrechter voorzover handhaving van de hiervoor gekozen dwangsommen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding;

11. verstaat dat het tot zover bepaalde zijn gelding verliest, zodra de in rechtsoverweging 2.14 bedoelde experts nader rapporteren;

12. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

13. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

14. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze, president, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 november 2000.

c. 115