Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8285

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-11-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35086
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Uitspraak 8 november 2000

Rekestnummer 930/99

Zaaknummer 35086

OMGANG

BESCHIKKING

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige familiekamer, in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de man,

procureur voorheen mr. J.F. Rouwé-Danes, thans mr. W.A. Veenstra,

tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats],

hierna ook te noemen de vrouw,

procureur mr H.N.M.M. van Wilgenburg.

PROCESGANG

Bij beschikking van deze rechtbank van 23 februari 2000 -waarvan de inhoud als hier ingelast geldt- is de zaak verwezen naar een nadere terechtzitting.

Behandeling vond plaats ter terechtzitting met gesloten deuren van deze enkelvoudige kamer op 12 oktober 2000.

Bij de stukken bevindt zich thans een advies d.d. 12 juli 2000, met als bijlage een rapport d.d. 11 juli 2000, van de raad voor de kinderbescherming -hierna te noemen de raad-.

RECHTSOVERWEGINGEN

Naar aanleiding van het ter terechtzitting verhandelde en gelet op de aanwezige bescheiden overweegt de rechtbank het volgende.

1. De raad heeft schriftelijk geadviseerd een omgangsregeling vast te stellen die in gezamenlijk overleg gestaag wordt opgebouwd tot het niveau van voor eind 1998 (toen een vrij intensieve omgangsregeling door partijen werd nageleefd).

1.1 Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de raad in afwijking hiervan geadviseerd om, teneinde de vinger aan de pols te houden, thans een voorlopige omgangsregeling vast te stellen en de beslissing wat betreft de definitieve omgangsregeling aan te houden.

2. Daarbij is opgemerkt dat de problemen rond de omgangsregeling mede worden veroorzaakt door de vrouw, al is deze zich daar kennelijk niet van bewust. Nu de vrouw dit inzicht zelf niet heeft en daarom in deze niet aan zichzelf werkt blijft de situatie rond de omgangsregeling zorgelijk. In de visie van de raad dient de vrouw -in het belang van [het kind]- deskundige hulp voor zichzelf te zoeken.

[het kind] zit klem in de strijd tussen de ouders.

2.1 Wat hier ook van zij, duidelijk is dat de vrouw bij haar medewerking aan de omgangsregeling het gedrag van [het kind], hoewel deze nog maar [leeftijd beneden de 12] jaar is, zwaar laat meewegen. Zij laat beslissingen omtrent de omgang afhangen van dit gedrag. [het kind], die dit ongetwijfeld beseft, wordt daardoor gemengd in de strijd tussen haar ouders en dit legt een zware verantwoordelijkheid op haar schouders. Dat dit leidt tot grote psychische problemen is gezien haar leeftijd niet verwonderlijk. Wel is verwonderlijk dat de vrouw haar invloed in deze kennelijk niet weet in te schatten. De rechtbank acht het waarschijnlijk, gelet op de rapportage van de raad, dat [het kind] meent dat zij de vrouw in de steek laat als zij omgang met de man heeft, ondanks de pogingen van de vrouw om haar te stimuleren tot omgang. Immers de vrouw reageert met veel begrip op de angst- en paniekaanvallen van [het kind]: zij doet pogingen om de omgang te beperken.

2.2 De rechtbank zal thans volstaan met de vrouw op het hart te drukken om met het oog op het welzijn van [het kind] over te gaan tot gedegen zelfonderzoek, liefst met deskundige hulp.

3. Voorts zal de rechtbank de suggestie van de raad volgen om thans nog geen definitieve beslissing omtrent de omgangsregeling te nemen.

Beslist zal worden als na te melden. Op de hierna vast te stellen nadere terechtzitting zal de thans opgelegde voorlopige omgangsregeling kunnen worden geëvalueerd.

BESLISSING

De rechtbank:

bepaalt voorlopig -totdat omtrent de omgang nader zal zijn beslist- de omgang tussen de man en de minderjarige

[het kind], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboortegemeente]

als volgt:

de minderjarige zal één weekend per twee weken bij de man verblijven, waarvan de eerste vijf weekenden zonder overnachting, met dien verstande dat de man de minderjarige telkens zal halen en brengen en dat deze omgangsregeling door partijen in onderling overleg kan worden uitgebreid;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak wat betreft de (definitieve) beslissing omtrent de omgangsregeling naar de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 12 april 2001, op een nog nader te bepalen tijdstip;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr E.N. Brons, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 november 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

(cc: 18)