Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA8281

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
24-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2000/1036 WRO19
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 2000/1036 WRO19

Inzake

[K. B.], wonende te Nes (Ameland), verzoeker,

gemachtigde mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland, verweerder,

gemachtigde W.F. Bakema, wethouder van verweerders gemeente.

1. Procesverloop

Op 29 augustus 2000 heeft verweerder een bouwvergunning en vrijstelling verleend aan de Vereniging voor Vreemdelingenverkeer Ameland (hierna: VVV) voor de bouw van een kantoorgebouw aan de Reeweg te Nes.

Verzoeker heeft tegen dit besluit op 4 oktober 2000 bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 4 oktober 2000 tot de president van de rechtbank gewend met het verzoek om ingevolge het bepaalde in art. 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de bouwvergunning alsmede de vrijstelling wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaarschrift.

Verweerder heeft de op het verzoek betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 oktober 2000. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde voornoemd.

Voor de VVV zijn verschenen de heren P.S. Smit en P.D. Faber, respectievelijk directeur en bestuurslid, bijgestaan door hun gemachtigde mr. W. Sleijfer, advocaat te Leeuwarden.

2. Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de president dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de president in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De president baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 1997' (hierna: bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van verweerders gemeente bij besluit van 17 augustus 1998 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Fryslân (hierna: GS) bij besluit van 1 april 1999. Op grond van dit bestemmingsplan heeft het gebied waarvoor de bouwvergunning is verleend (hierna: perceel) de bestemming 'agrarisch gebied'. Het perceel is gelegen in het zoekgebied van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Voor het perceel is een voorbereidingsbesluit genomen. Dit besluit is op 23 september 1999 in werking getreden.

Op 24 december 1999 heeft verweerder een bouwaanvraag van de VVV ontvangen. Het bouwplan houdt in dat op het perceel een kantorencomplex wordt gebouwd waarin een VVV-kantoor, een filiaal van de ING-bank en een postagentschap gevestigd worden. GS heeft op 14 augustus 2000 een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de realisering van het bouwplan afgegeven.

Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft verweerder -onder verlening van vrijstelling van de vigerende bepalingen van het bestemmingsplan- de VVV de gevraagde bouwvergunning verleend.

Tegen dit besluit richt zich het onderhavige verzoek.

Verzoeker is van mening -kort samengevat- dat er een grote planologische inbreuk wordt gepleegd wanneer het kantorencomplex wordt gebouwd op de plek waarvoor thans een bouwvergunning is verleend. Ook betwist verzoeker dat er dringende redenen zijn voor het volgen van een anticipatieprocedure op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van het huidige (recent vastgestelde) bestemmingsplan. Tot slot stelt verzoeker dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een grote planologische inbreuk, omdat het plan onderdeel uitmaakt van de dorpsrand van Nes, het plan eigenlijk een verlenging vormt van het bedrijventerrein aan de overzijde van de weg, de hoogte van het gebouw mede is afgestemd op de bebouwing van het tegenovergelegen garagebedrijf en aan de kant van de weg waar het bouwplan is gepland reeds de nodige bebouwing staat. Verweerder is van mening dat de procedure van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) correct is toegepast en dat daarbij de juiste afwegingen zijn gemaakt. Voorts stelt verweerder dat de bezwaren van verzoeker zich vooral richten tegen het ontnemen van uitzicht. Voor dergelijke gevolgen kan verzoeker echter een planschadeprocedure starten. Met betrekking tot het welstandsadvies merkt verweerder op dat het bouwplan is aangepast conform de adviezen van Hûs en Hiem, maar dat verweerder hiervan geen schriftelijke verklaring heeft ontvangen of gevraagd.

Namens de VVV is aangevoerd dat sprake is van urgentie, omdat de VVV in vijf jaar tijd een groei heeft doorgemaakt van 12 naar 17 personeelsleden, waardoor de huidige locatie niet (meer) voldoet aan de vereisten op grond van de Arbo-wet en waardoor thans ruimtegebrek is. Voorts stelt de VVV dat ten tijde van het vaststellen van het vigerende bestemmingsplan nog gedacht werd dat op de huidige locatie van het VVV-kantoor uitbreiding kon plaatsvinden, hetgeen echter niet mogelijk bleek te zijn. Toen vervolgens bleek dat in de dorpskern geen andere geschikte locatie beschikbaar was, is de keuze op de huidige locatie gevallen. Aansluitend brengt de VVV naar voren dat het streekplan niet uitsluit dat er in EHS-gebieden gebouwd wordt en dat thans reeds begonnen is met de bouwwerkzaamheden waardoor schorsing van de vergunning ernstig financieel nadeel voor de VVV meebrengt. Een en ander leidt volgens de VVV tot de conclusie dat de belangen van verzoeker niet opwegen tegen de belangen die gemoeid zijn met het voortzetten van de bouw van het complex.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op 3 april 2000 is de Wet van 1 juli 1999, houdende wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Stb. 1999, 302) in werking getreden. Op grond van art. VI lid 1 van deze wet blijft ten aanzien van het nemen van besluiten op een aanvraag ingevolge artikel 19 WRO, die is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende bepalingen van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing tot het tijdstip waarop het betrokken besluit onherroepelijk is geworden.

Op grond van art. 19 lid 1 WRO (oud) kunnen burgemeester en wethouders voor het gebied waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd -behoudens het bepaalde in het derde lid- vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan mits vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij geen bezwaar hebben tegen het verlenen van vrijstelling.

De president stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat inmiddels het voorbereidingsbesluit is verlopen en dat door verweerder (nog) geen ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd. Ter zitting is namens verweerder opgemerkt dat dit formele gebrek op korte termijn -in ieder geval voor de beslissing op het bezwaarschrift genomen wordt-, door middel van het nemen van een nieuw voorbereidingsbesluit, zal worden hersteld. Gelet hierop zullen door de president aan dit gebrek in deze procedure geen gevolgen worden verbonden.

In het geval een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd vormt art. 44 aanhef en onder c Woningwet -op grond waarvan de bouwvergunning moet worden geweigerd bij strijd van het bouwplan met het bestemmingsplan of krachtens dit plan gestelde eisen- geen belemmering meer voor de inwilliging van de bouwaanvraag. Niettemin dient de voorgenomen bouw in overeenstemming te zijn met het toekomstige bestemmingsplan. Laatstgenoemd plan vormt dus bij uitzondering, nog voordat het de in de WRO voorgeschreven procedure heeft doorlopen, het toetsingskader voor de bouwaanvraag.

Volgens vaste jurisprudentie is de toepassing van art. 19 WRO slechts passend indien daarvoor voldoende dringende redenen aanwezig zijn en daaraan geen overwegende bezwaren zijn verbonden. De mate van de te verlangen spoedeisendheid van het project is afhankelijk van de omvang van de inbreuk op het ter plaatse geldende planologische regime alsmede van de zwaarte van de planologische uitstraling die het project op de omgeving heeft. Hetzelfde geldt voor de eisen die moeten worden gesteld aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gegrepen.

Zo is de anticipatieprocedure in beginsel geschikt indien het gaat om een bouwwerk of werkzaamheid bij de verwezenlijking waarvan zodanig dringende belangen zijn gemoeid dat bezwaarlijk op afronding van de bestemmingsplanprocedure kan worden gewacht, maar kan deze procedure ook worden gevolgd indien het gaat om een project dat dermate geringe planologische effecten heeft dat om die reden van de belanghebbende bij dat project redelijkerwijs niet kan worden gevergd te wachten op het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan, mits de belangen van derden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.

Bij de toepassing van art. 19 WRO moet derhalve het belang bij onverwijlde uitvoering van het bouwplan worden afgewogen tegen het belang dat ermee gemoeid is dat eerst de uitkomst van de bestemmingsplanprocedure wordt afgewacht.

De administratieve rechter dient zich daarbij te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders niet in redelijkheid tot verlening van de gevraagde vrijstelling hebben kunnen komen.

Naar het oordeel van de president is de inbreuk die het bouwplan op het ter plaatse geldende planologische regime maakt en is de planologische uitstraling van het bouwplan op de omgeving zodanig dat aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gegrepen, alsmede aan de te verlangen spoedeisendheid de nodige eisen dienen te worden gesteld.

De president wijst in dat verband onder meer op het feit dat het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd thans op grond van het bestemmingsplan de bestemming agrarisch gebied heeft waarop geen bebouwing is toegestaan (waarbij mogelijk, zoals verweerder stelt, een uitzondering geldt voor deeltijdhobbyschuren tot maximaal 200m²), terwijl het bouwplan van de VVV voorziet in bebouwd oppervlakte van ongeveer 1200 m² en een maximale hoogte van ongeveer 8,5 meter.

De president is voorshands van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van de nodige urgentie bij de realisering van het bouwplan nu de VVV op de huidige locatie, mede door een toename van het personeel, al enkele jaren te krap is behuisd.

Met betrekking tot de planologische onderbouwing stelt de president vast dat verweerder heeft volstaan met het nemen van een voorbereidingsbesluit met ad hoc standpunt inzake het project en het toekomstig ruimtelijk beleid voor de omgeving. Verweerder had evenwel, gelet op de ingrijpendheid van het bouwplan, voor het bewerkstelligen van de vereiste aanpassing van het bestemmingsplan strengere eisen dienen te stellen aan de onderbouwing van het bouwplan en de keuze voor de te volgen procedure dan thans gebeurd is. Naar het oordeel van de president had verweerder voor dit bouwplan tenminste op grond van artikel 10 Besluit op de Ruimtelijke Ordening (BRO) overleg moeten plegen met onder meer die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening.

Gelet hierop kleeft aan de planologische onderbouwing een motiveringsgebrek.

Het voorgaande klemt temeer nu de gemeente Ameland vrijwel geheel is gesitueerd in EHS-gebied en het gebied waarbinnen het perceel is gelegen bovendien is aangemerkt als stabiel gebied. In het streekplan is hierover op pagina 28 -voor zover van belang- opgenomen:

'Op de plankaart staan landbouwgebieden met natuurlijke waarden weergegeven. Het gaat om bestaande beheersgebieden, die in of tegen bestaande natuur- en bosgebieden gelegen zijn. Deze beheersgebieden vormen met deze natuur- en bosgebieden ecologisch (en vaak ook hydrologisch) een eenheid. Door deze sterke samenhang is er voor gekozen om deze gebieden tot stabiele gebieden te rekenen. Onze inzet hierbij is de instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke waarden van deze in agrarisch gebruik zijnde gebieden.'

Naar het oordeel van de president is het onderhavige perceel gelegen in het buitengebied van verweerders gemeente. Dit leidt de president af uit het feit dat ter zitting is komen vast te staan dat het perceel buiten de bebouwde kom is gelegen. Voorts is op de plattegronden van het dorp Nes te zien dat het perceel geïsoleerd ligt van overige bebouwing, nu een rondweg en de weg naar de veerboten het perceel scheidt van de overige bebouwing en de bebouwing aan de pier aan de zijde van het perceel op behoorlijke afstand van het perceel is gelegen. In het streekplan wordt op pagina 30 -voor zover hier van belang- vermeld:

'In zijn algemeenheid gaan wij ervan uit dat de landelijke gebieden buiten de (bebouwde kommen van de) kernen functies vervullen voor landbouw, recreatie en natuur. Voor de overige functies, waaronder detailhandel en andere publiektrekkende functies zal in de eerste plaats ruimte moeten worden gevonden in de kernen of op terreinen daarop aansluitend. Het zal echter niet altijd mogelijk zijn de hier bedoelde functies in of bij kernen te plaatsen. Voor zulke gevallen is inpassing in het buitengebied mogelijk.

De locatie zal steeds zorgvuldig gekozen moeten worden, waarbij wij de volgende prioriteiten aanhouden.

1. De inpassing dient vooral gericht te worden op de dynamische gebieden. Inpassing in de stabiele gebieden is alleen aan de orde voor die functies, die steunen op kwaliteiten en eigenschappen van deze stabiele gebieden.

2. In de volgorde van voorkeur zal de plaatskeuze gezocht moeten worden

- in linten of bebouwingsclusters buiten de bebouwde kommen

- op 'e romte.'

Naar het oordeel van de president is het buiten twijfel dat aan het onderhavige bouwplan geen functies zijn verbonden die steunen op kwaliteiten en eigenschappen van het stabiele gebied waarin het is gepland.

De cursief gedrukte tekst is aangemerkt als richtinggevende uitspraak, hetgeen betekent dat GS volgens een bepaalde procedure gemotiveerd kunnen afwijken. Van een dergelijke afwijking is in het onderhavige geval echter niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de president evenzeer van oordeel dat, nu GS zonder de afwijking te motiveren zijn overgegaan tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar ten behoeve van het realiseren van voormeld bouwplan, aan die verklaring een motiveringsgebrek kleeft.

Nu verweerder de verklaring van geen bezwaar aan zijn besluit tot het verlenen van vrijstelling en het verlenen van de bouwvergunning ten grondslag heeft gelegd, moet worden vastgesteld dat ook aan dit besluit een motiveringsgebrek kleeft.

Tot slot constateert de president dat voor het onderhavige bouwplan een advies van de welstandscommissie is afgegeven waar een aantal opmerkingen ten aanzien van het bouwplan wordt gemaakt. Uit de stukken blijkt echter niet dat het bouwplan conform deze opmerkingen is aangepast of dat verweerder gemotiveerd is afgeweken van het afgegeven advies. Blijkens de verklaring ter zitting van verweerder is evenmin alsnog een positief advies van de welstandscommissie ontvangen. Gelet hierop is de president voorshands van oordeel dat de bouwvergunning in strijd met artikel 44 sub d van de Woningwet is verleend.

Op grond van het voorgaande zal de president de beslissing van verweerder schorsen tot twee weken nadat verweerder een beslissing op bezwaar heeft genomen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in artikel 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Ameland het door verzoeker gestorte griffierecht van ƒ 225,= te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 juncto 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de president verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoeker ƒ 1.420,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt ƒ 710,=). De president wijst de gemeente Ameland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

3. Beslissing

De president van de rechtbank:

- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat de gemeente Ameland het betaalde griffierecht van ƒ 225,= aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van ƒ 1.420,= aan verzoeker te vergoeden door de gemeente Ameland.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, fungerend president, en door hem in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2000 in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulsel als griffier.

w.g. M. van Hulsel

w.g. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 7 november 2000