Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA7425

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
00/647 WW + 00/930 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 00/930 WW en 00/647 WW

Inzake

W. V., wonende te Sneek, verzoeker,

gemachtigde: mr. P.R. Tjallema, advocaat te Sneek,

tegen

het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, medewerker bezwaar en beroep van het districtskantoor te Leeuwarden van Gak Nederland BV.

Procesverloop

Bij brief van 15 mei 2000 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een beslissing op bezwaar inzake de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens verzoeker op 30 mei 2000 beroep ingesteld. De beroepszaak is geregistreerd onder nummer 00/647 WW.

Op 23 augustus 2000 is namens verzoeker aan de president van de rechtbank het verzoek gericht om op grond van het bepaalde in art. 8:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 2 oktober 2000. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. O.J. Klabou, kantoorgenoot van mr. Tjallema. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Art. 8:81 Awb bepaalt, dat de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de president op grond van art. 8:86 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de president is dit het geval. De president zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De president gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker heeft laatstelijk gewerkt als magazijnmedewerker in dienst van [werkgever A] te Diemen. De vestiging in Sneek waar verzoeker werkzaam was, is medio september 1998 om bedrijfseconomische redenen gesloten. Verzoeker diende vanaf dat tijdstip naar de vestiging in Diemen te reizen. Zijn werkgever [A] heeft verzoeker een auto ter beschikking heeft gesteld en is hem tegemoetgekomen in de werktijden.

Verzoeker heeft zich op 26 november 1998 ziek gemeld. Hij heeft zijn werk hervat op 2 december, doch per 8 december 1998 heeft verzoeker zich opnieuw ziek gemeld en hij heeft sindsdien niet meer voor [werkgever A] gewerkt. Via zijn advocaat heeft verzoeker zijn werkgever [A] op 10 februari 1999 laten weten dat hij in verband met zijn kinderen en zijn sociale contacten graag in Sneek wil blijven wonen. In de brief is verder vermeld dat verzoeker, door de situatie waarin hij verkeert, psychisch in de versukkeling is geraakt. Aan de werkgever [A] wordt voorgesteld een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter te starten, in welk geval namens verzoeker slechts pro forma verweer zal worden gevoerd voor het behoud van zijn WW-rechten.

De kantonrechter te Amsterdam heeft de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en [werkgever A] met ingang van 1 april 1999 ontbonden, waarbij aan verzoeker een vergoeding is toegekend die overeenkomt met één maandsalaris.

Op 9 april 1999 heeft verzoeker een WW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 5 mei 1999 heeft verweerder verzoeker ervan in kennis gesteld dat nog geen beslissing kan worden genomen op zijn WW-aanvraag. In afwachting van een definitieve beslissing wordt aan verzoeker een voorschot verstrekt van ƒ 100,= bruto per dag. Verweerder verwacht van verzoeker dat hij in de tussenliggende periode zijn advocaat aanspreekt voor een vergoeding over de fictieve opzegtermijn in het kader van de WW.

Bij brief van 17 juli 1999 heeft verzoeker verweerder laten weten dat hij per 1 juni 1999 is begonnen als zelfstandig ondernemer in deeltijd.

Bij beschikking van 30 juli 1999 heeft verweerder aan verzoeker met ingang van 1 juli 1999 een WW-uitkering toegekend. Daarbij is rekening gehouden met een fictieve opzegtermijn over de maanden april, mei en juni.

Op 6 juli 1999 is verzoeker in dienst getreden van [werkgever B] te Groningen voor 8 uren per week. Met ingang van 2 augustus 1999 is verzoeker door zijn zoon ziekgemeld in verband met een opname in het psychiatrisch ziekenhuis te Franeker. Op 4 augustus 1999 heeft verzoeker van [werkgever B] schriftelijk bericht ontvangen dat hij binnen de proeftijd is ontslagen.

De advocaat van verzoeker heeft verweerder op 10 september 1999 telefonisch verzocht om toezending van een kopie van de beschikking van 30 juli 1999, aan welk verzoek verweerder heeft voldaan. Op 13 september 1999 heeft verzoekers gemachtigde per fax bezwaar aangetekend tegen de beslissing van 30 juli 1999. Bij beslissing van 13 december 1999 zijn deze bezwaren ongegrond verklaard.

Naar aanleiding van de bezwaarprocedure heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de vraag waarom verzoeker niet heeft gezegd dat het initiatief voor de ontbindingsprocedure van hem is uitgegaan en naar de vraag waarom hij niet ingegaan is op het aanbod van [werkgever A] om werk te aanvaarden bij [werkgever C] in Emmeloord. De buitendienstmedewerker K. de Jong heeft verzoeker in verband hiermee op 4 januari 2000 thuis bezocht en hem deze vragen voorgelegd. Verzoeker heeft daarop geantwoord dat hij van [werkgever C] in Emmeloord nooit meer iets heeft vernomen nadat hij daar op sollicitatiegesprek was geweest. Over het ontslag geeft verzoeker aan dat hij naar zijn idee niet zelf ontslag heeft genomen, zoals op het formulier wordt gevraagd; het contract met [werkgever A] is immers op vordering van de werkgever [A] door de kantonrechter ontbonden, aldus verzoeker. Het rapport vervolgt:

Toen ik hem uitgelegd had wat er werd bedoeld bevestigde verz. mij dat hij de vraag dan niet juist had beantwoord. Vanwege het feit dat verz. vanaf september iedere dag van Sneek naar Diemen reed raakte verz. overspannen en heeft zich a.o. gemeld. Dat verz. geestelijk niet stabiel was heeft er mede toe geleid dat verz. "ontslag heeft genomen".

Bij besluit van 1 februari 2000 heeft verweerder verzoeker in kennis gesteld van het volgende besluit:

(...) U hebt een werkloosheidsuitkering aangevraagd op 9 april 1999. U kunt geen uitkering krijgen omdat u verwijtbaar werkloos bent geworden. U bent namelijk ontslagen via een kantongerechtsprocedure waarbij onlangs is gebleken dat het initiatief tot ontbinding van het dienstverband voornamelijk bij u zelf heeft gelegen. De door u aangevoerde reden dat er medische aspecten hebben meegespeeld is door ons onderzocht en levert uit het oogpunt van de werkloosheidsverzekering onvoldoende bezwaar op.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aan te wijzen die in uw situatie tot verminderde verwijtbaarheid leiden. De uitkering wordt daarom met ingang van 3 mei 1999 blijvend en geheel geweigerd. (...)

Op 15 februari 2000 is namens verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hiertoe is aangevoerd dat de beslissing onvoldoende is gemotiveerd, dat het besluit in strijd is met de beschikking van 30 juli 1999 en dat er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Het bezwaarschrift is op 18 april 2000 toegelicht op een hoorzitting.

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren, onder hierna weer te geven overwegingen, hoofdzakelijk ongegrond verklaard.

Het standpunt van verweerder

Eerst tijdens de bezwaarprocedure is naar voren gekomen dat de voormalige werkgever [A] op verschillende wijzen gepoogd heeft verzoeker aan een andere baan te helpen. Verzoeker is in dit verband weliswaar op sollicitatiegesprek geweest bij [werkgever C] in Emmeloord, maar op basis van informatie van werkgever [A] is verweerder van mening dat verzoeker deze baan niet heeft geaccepteerd omdat dat werk niet gelijkwaardig was aan zijn oude functie.

Aan verzoeker kan worden toegegeven dat van hem niet kon worden gevergd dat hij zo lang en ver moest reizen voor zijn werk. Wat verzoeker echter wel kan worden verweten is de wijze waarop de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Uit de brief van zijn advocaat van 10 februari 1999 blijkt dat verzoeker zelf het voorstel aan [werkgever A] doet om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan, dat hij zijn rechten op schadevergoeding beperkt tot één maandsalaris en dat hij slechts pro forma verweer zal voeren bij de kantonrechter. In de procedure bij de kantonrechter is echter geen melding gemaakt van op dat moment voortdurende arbeidsongeschiktheid van verzoeker. Dit terwijl tijdens ziekte in principe een opzegverbod geldt voor de werkgever, behalve indien de werknemer zelf met de opzegging instemt.

Verweerder is van mening dat er geen gegronde medische reden was om ontslag te nemen. Een werknemer heeft tijdens zijn ziekte recht op doorbetaling van loon. Slechts in uitzonderingssituaties kan bij een ontslagname wegens ziekte worden aangenomen dat er geen sprake is van verwijtbaarheid. Een tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid betekent derhalve niet dat er een acute noodzaak tot ontslagname bestaat. Verzoeker had immers tijdens de periode van loondoorbetaling kunnen solliciteren naar ander werk. Verweerder heeft geen aanleiding gezien verzoeker medisch te doen onderzoeken omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst reeds in een eerder stadium heeft plaatsgevonden en verzoeker zich daarbij heeft laten bijstaan door een advocaat.

Verder ligt op grond van de beslissing op bezwaar van 13 december 1999 vast, dat het recht op WW niet eerder dan op 1 juli 1999 kan ingaan. De primaire beslissing wordt dan ook in zoverre herroepen, dat aan verzoeker in verband met verwijtbare werkloosheid de WW-uitkering ingaande 1 juli 1999 blijvend geheel wordt geweigerd.

Het standpunt van verzoeker

Verzoeker is het er niet mee eens dat hij zich in verband met zijn arbeidsongeschiktheid niet bij een beëindiging van het dienstverband had behoeven neer te leggen. De ziekte van verzoeker vond juist zijn oorsprong in de voortduring van het dienstverband en de daarmee gepaard gaande werksituatie. Verweerder verlangt in feite van verzoeker dat hij zijn ziekte deed voortduren, hetgeen verzoeker onredelijk voorkomt. Verder wordt de ernst van de ziekte door verweerder onderschat. Het ging niet enkel om wat gevoelens van stress, maar om ernstige psychische klachten. Dit blijkt wel uit de latere opname in het psychiatrisch ziekenhuis. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft verzoeker medische stukken in het geding gebracht.

In rechte

Op grond van art. 24 lid 1 onder a WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge art. 24 lid 2 WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien:

a. hij zich verwijtbaar zodanig heeft gedragen dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben;

b. de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Art. 27 lid 1 WW -voor zover in dit geding van belang- bepaalt dat indien de werknemer de verplichting van art. 24 lid 1 onder a niet is nagekomen, het Lisv de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Lisv de uitkering gedeeltelijk door gedurende 26 weken het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

De president is van oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. In hierna weer te geven overwegingen zal de president uiteenzetten waarom. Hij zal daarbij verder gaan dan voor de beoordeling van deze zaak strikt noodzakelijk is, maar uit proceseconomisch oogpunt komt het de president het meest geraden voor om partijen niet in het ongewisse te laten over geschilpunten die in eventuele latere procedures mogelijk nog een rol gaan spelen.

Naar het oordeel van de president staat voldoende vast dat het initiatief tot het beëindigen van de dienstbetrekking met [werkgever A] van verzoeker is uitgegaan. In beginsel zou dan ook sprake kunnen zijn van verwijtbare werkloosheid op de voet van art. 24 lid 2 onder b WW. Verweerder is blijkens het bestreden besluit echter ook zélf van mening dat van verzoeker vanwege de reisafstand tussen zijn woonplaats en de vestiging van [werkgever A] in Diemen, redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij het dienstverband zou voortzetten. De president ziet geen aanleiding om dit standpunt voor onjuist te moeten houden. Verweerders argument dat verzoeker wel een verwijt kan worden gemaakt met betrekking tot de wijze waarop de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, vindt naar het oordeel van de president geen steun in de tekst van art. 24 lid 2 onder b WW. De president is dan ook van oordeel dat van verwijtbare werkloosheid op de door verweerder aangegeven grondslag geen sprake is.

De president kan dan ook voorbijgaan aan de argumenten die over en weer naar voren zijn gebracht met betrekking tot de vraag of verzoekers ontslagname -want zo valt zijn handelwijze te kwalificeren- al dan niet op een medische grondslag berust. De president is echter wel van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het instellen van een nader medisch onderzoek naar verzoekers psychische gesteldheid ten tijde van de ontslagname. Weliswaar werd hij daarin bijgestaan door een advocaat, maar nu van de zijde van verzoeker gemotiveerd wordt gesteld dat zijn beoordelingsvermogen door zijn verminderde psychische spankracht aanmerkelijk is aangetast, had een en ander voor verweerder uit oogpunt van zorgvuldigheid aanleiding moeten zijn om een nader onderzoek te entameren. Dit geldt te meer nu op grond van de gedingstukken voldoende vaststaat dat verzoeker een psychiatrische voorgeschiedenis kent en op grond van verzoekers persoonlijke omstandigheden, zoals die verweerder genoegzaam bekend waren, niet onaannemelijk is dat voorafgaand aan verzoekers psychische instorting in augustus 1999 ook reeds ten tijde van de ontslagname een ziekteproces in gang was gezet op grond waarvan verzoeker -zo er al sprake zou zijn geweest van verwijtbare werkloosheid- mogelijk verminderd verwijtbaar in de zin van art. 27 lid 1 WW zou kunnen worden geacht.

Verder blijkt uit de gedingstukken dat verweerder zijn standpunt dat het werk bij [werkgever C] in Emmeloord door verzoeker als niet passend wordt beschouwd en dat hij daarom die baan niet heeft geaccepteerd, geheel op de verklaring van verzoekers ex-werkgever [A] berust. Dit wekt naar het oordeel van de president op zijn minst enige bevreemding, omdat de verklaringen van verzoeker en [werkgever C] over de gang van zaken in feite overeenstemmen. Bovendien blijkt uit de stukken, waarvan met name genoemd het telefoonrapport van 21 januari 2000, dat de vertegenwoordiger van het Lisv dezelfde ervaringen met [werkgever C] heeft opgedaan als verzoeker, namelijk dat afspraken om terug te bellen herhaaldelijk niet werden nagekomen. Dit versterkt het beeld dat door verzoeker is geschetst over de gang van zaken bij [werkgever C]. Verweerders motivering van het bestreden besluit, die er in wezen op neer komt dat verzoeker ook verweten zou kunnen worden dat hij heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden, schiet naar het oordeel van de president vooralsnog dan ook tekort.

Verder had verweerder naar het oordeel van de president, conform het bepaalde in art. 22a WW, het besluit waarbij aan verzoeker een WW-uitkering is toegekend, zoals dat besluit na de beslissing op bezwaar van 13 december 1999 luidt en dat, nu daartegen geen beroep is aangetekend, in rechte is komen vast te staan, expliciet dienen te herzien of in te trekken.

De president komt op grond van bovenstaande overwegingen tot de slotsom dat verweerders besluit strekkende tot blijvend gehele weigering aan verzoeker van een werkloosheidsuitkering niet in rechte stand kan houden. Het beroep dient daarom gegrond te worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met art. 27 lid 1 WW in samenhang met art. 24 lid 1 onder a WW en art. 24 lid 2 onder b WW. De president ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening omdat ter zitting duidelijk is geworden dat verzoeker al weer geruime tijd (fulltime) werk heeft, zodat er van uitgegaan kan worden dat hij niet in een financiële noodsituatie verkeert. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Verweerder zal voorts worden opgedragen het door verzoeker betaalde griffierecht (twee maal

ƒ 60,=) te vergoeden. Als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden wijst de president het Lisv aan.

Op grond van art. 8:75 lid 1 Awb juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de president verweerder in de proceskosten van verzoeker. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten / 2.130,= terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (verzoekschrift 1 punt; beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt ƒ 710,=). De president wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De president van de rechtbank:

- verklaart het beroep (00/647 WW) gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- verstaat dat het Lisv het griffierecht ten bedrage van totaal ƒ 120,= aan verzoeker vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van ƒ 2.130,=, aan verzoeker te vergoeden door het Lisv;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (00/930 WW) af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, fungerend president, in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2000 in tegenwoordigheid van F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. D.J. Keur

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening (00/930 WW) staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak (00/647 WW) staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 10 oktober 2000