Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA7120

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
99/434 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 99/434 BESLU

In het geding tussen

[J.B.], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. Achterhof, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 29 april 1999 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift van 17 oktober 1998 tegen de brief van 13 oktober 1998 van mevrouw E. van Wolde, plaatsvervangend secretaris van de commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (verder: de commissie), betreffende de toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB). Bij besluit van 27 april 1999, verzonden op 7 mei 1999, heeft verweerder eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 8 augustus 2000. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Op 13 oktober 1998 heeft eiser per telefoon mevrouw Van Wolde verzocht om aan hem de adresgegevens van de leden van de socialezekerheidskamer van de commissie te verstrekken. Bij schrijven van eveneens 13 oktober 1998 heeft mevrouw Van Wolde de inhoud van het telefoongesprek bevestigd. Aan dit schrijven ontleent de rechtbank de volgende passages:

"Zoals ik u reeds heb meegedeeld, zullen wij geen adresgegevens verstrekken van de leden van de commissie (…). U heeft niet duidelijk kunnen maken welk belang u erbij heeft om over deze adresgegevens te beschikken. Wij zijn derhalve van mening dat de belangen van de leden van de commissie, namelijk het beschermen van hun privacy, dienen te prevaleren boven uw, niet nader aangegeven, belang om over de gegevens te beschikken".

Bij brief van 17 oktober 1998 heeft eiser een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd schrijven van 13 oktober 1998. Hierbij heeft eiser aangegeven dat zijn verzoek is gebaseerd op de WOB en dat de weigering de gevraagde gegevens te verstrekken niet dan wel onvoldoende is gemotiveerd.

Bij brief van 29 december 1998 heeft eiser, gelet op de mogelijke onbevoegdheid van mevrouw Van Wolde om een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen inzake de verstrekking van de adresgegevens van de leden van de commissie, verweerder verzocht de eerder opgestarte bezwaarschriftprocedure te beëindigen. Hierbij heeft eiser tevens een verzoek aan verweerder gericht om (alsnog) een zodanig voor bezwaar en beroep vatbaar besluit te nemen. Eiser heeft aangevoerd dat de benoemingen van de voorzitter en de leden van de commissie op 29 juni 1998 aan de orde zijn geweest in de vergadering van de raad en dat de hierop betrekking hebbende stukken openbaar zijn.

Bij brief van 7 januari 1999 heeft de secretaris van de commissie mr. Zittema aan eiser voorgesteld om zijn bezwaarschrift te handhaven. Volgens mr. Zittema had het besluit inderdaad door verweerder moeten worden genomen, maar kunnen onbevoegd genomen besluiten hersteld worden in de bezwaarschriftprocedure. Vervolgens heeft eiser bij brief van 12 januari 1999 meegedeeld een besluit van verweerder te verwachten.

Verweerder heeft het bezwaarschrift ter advisering in handen gesteld van de algemene kamer van de commissie. Eiser is op 2 februari 1999 gehoord door de algemene kamer, waarna op 24 maart 1999 aan verweerder is geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. Hiertoe is onder meer overwogen dat eisers verzoek om de adresgegevens van de leden van de socialezekerheidskamer te verstrekken op grond van artikel 10, tweede lid, onder e, WOB moet worden geweigerd, omdat het belang van eiser niet opweegt tegen het belang van de commissieleden dat hun privacy wordt beschermd.

Bij besluit van 27 april 1999, verzonden op 7 mei 1999, heeft verweerder onder overneming van het advies van de commissie het bezwaarschrift ongegrond verklaard, alsmede de brief van mevrouw Van Wolde van 13 oktober 1998 tot zijn besluit gemaakt en gehandhaafd.

Bij brief van 26 mei 1999 heeft eiser gronden aangevoerd waarom hij van mening is dat het besluit van 27 april 1999 niet in stand kan blijven. Ten aanzien van zijn belang wijst eiser op een persbericht waarin onder meer is vermeld: "Waren het voorheen wethouders en ambtenaren die zich over de bezwaren van de Leeuwarders bogen, vanaf vandaag zijn dat mensen van buiten de gemeente". Omdat eiser regelmatig met de socialezekerheidskamer van de commissie heeft te maken, wil hij helderheid over de leden ervan. Verder voert eiser aan dat de WOB niet vereist dat degene die informatie verzoekt daarbij een specifiek belang heeft. Het raadsbesluit waarbij de leden van de socialezekerheidskamer zijn benoemd en waarin hun adresgegevens zijn vermeld is openbaar.

Daarnaast maakt eiser bezwaar tegen de omstandigheid dat verweerder zijn besluit heeft gebaseerd op een advies van de algemene kamer van de commissie, welke niet zonder vooringenomenheid tot dit advies heeft kunnen komen, nu de leden van deze kamer moesten oordelen over collega-commissieleden en als zodanig te zeer bij de zaak betrokken waren. Eiser acht het tenslotte in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel dat verweerder de leden van de socialezekerheidskamer niet zelf heeft gevraagd naar het vrijgeven van hun adressen.

In het verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat de adressen van de commissieleden niet verstrekt dienen te worden, onder verwijzing naar het verweerschrift in de bezwaarschriftprocedure en het advies van de commissie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, blijft ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan verplicht een besluit op de aanvraag te nemen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. In het vierde lid is bepaald dat het beroep mede geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit op de aanvraag, tenzij dat besluit aan het beroep geheel tegemoet komt. Ingevolge het zesde lid kan het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag alsnog gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft.

Nadat eiser beroep heeft ingesteld in verband met het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift, heeft verweerder zijn beslissing strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar aan eiser bekendgemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de tijdigheid van de beslissing op zijn bezwaar, zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Uit het stelsel van de WOB volgt dat de bevoegdheid te beslissen op een verzoek om informatie ligt bij het bestuursorgaan waarbij het desbetreffende document berust. Derhalve was verweerder in het onderhavige geval bevoegd te beslissen op het verzoek van eiser om de adresgegevens van de leden van de commissie te verstrekken. Niet gebleken is dat mevrouw Van Wolde bevoegd was namens verweerder op dit verzoek te beslissen. In de bezwaarschriftprocedure heeft verweerder het bevoegdheidsgebrek onderkend en vorenbedoelde brief tot zijn besluit gemaakt. Nu de beslissing ter zake alsnog door verweerder is genomen, moet worden geoordeeld dat genoemd bevoegdheidsgebrek met dit besluit is hersteld. Tegelijkertijd heeft verweerder het bezwaarschrift na heroverweging ongegrond verklaard. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser door deze handelwijze van verweerder in zijn belangen is geschaad.

De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat verweerder het bestreden besluit niet kon stoelen op het advies van de algemene kamer van de commissie.

Artikel 7:13, eerste lid, Awb bepaalt dat dit artikel van toepassing is indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:

a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,

b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en

c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.

Tussen partijen is niet in geschil dat de voorzitter van de algemene kamer niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van verweerder.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2:4, eerste lid, Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid.

De rechtbank acht geen grond aanwezig voor het oordeel dat, gelet op de samenstelling van de algemene kamer van de commissie, de in artikel 2:4 Awb neergelegde eis van onpartijdigheid onvoldoende is gewaarborgd. Het verzoek van eiser betrof enkel de adresgegevens van de leden van de socialezekerheidskamer, zodat geen sprake is van een persoonlijk belang van de leden van de algemene kamer. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van vooringenomenheid van de desbetreffende commissieleden. Overigens kan worden opgemerkt dat iedere andere samenstelling van de commissie tot hetzelfde verwijt van eiser zou kunnen leiden, hetgeen de advisering door een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb in de onderhavige kwestie onmogelijk zou maken.

De rechtbank acht geen aanleiding aanwezig om te stellen dat verweerder gehouden was de leden van de socialezekerheidskamer te raadplegen omtrent de door eiser gevraagde verstrekking van hun adresgegevens. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat de desbetreffende leden geen bezwaar hebben tegen de verstrekking van hun adresgegevens en weegt een eventuele instemming ten gunste van het belang van de openbaarheid mee; dit laat echter onverlet dat verweerder, ondanks de instemming van de betrokkenen, niet tot openbaarmaking zal mogen besluiten indien deze naar algemene maatstaven genomen een schending van de persoonlijke levenssfeer betekent. De verplichting tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer blijft op het bestuursorgaan rusten ook al is de privacygevoelige informatie door de betrokkene zelf of anderszins in de openbaarheid geraakt. Het bestuursorgaan is verplicht tot een eigen afweging en oordeelsvorming.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, WOB blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet (eveneens) achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld Administratiefrechtelijke Beslissingen 1995, nummer 364) vormt het specifieke belang van de verzoeker bij openbaarmaking van informatie geen belang dat wordt betrokken in de afweging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, WOB. De WOB veronderstelt de aanwezigheid van het publieke belang van openbaarheid van overheidsinformatie. Bij de belangenafweging worden derhalve betrokken het publieke belang bij openbaarmaking en de door de ingeroepen weigeringsgrond beschermde belangen.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder voormelde belangen in zijn afweging heeft betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder zich, bij afweging van deze belangen, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, WOB genoemde belang.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het door eiser gestelde belang bij openbaarmaking mede berust op een misvatting met betrekking tot de eisen die in de Awb dan wel anderszins worden gesteld aan de voorzitter en de leden van een adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 Awb. Anders dan eiser meent, is de woonplaats van de leden van de commissie niet van belang in het kader van hun benoembaarheid.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep tegen het besluit van 27 april 1999 ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift

niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 15 september 2000 in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

w.g. B.M. van der Doef

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan: De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 15 september 2000