Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA6966

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-08-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
41549
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank Leeuwarden

VERLENGING MACHTIGING VAN DE UITHUISPLAATSING

Datum uitspraak: 30 augustus 2000

Clusternummer: 3000

Zaaknummer: 41549

BESCHIKKING

van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de ondertoezichtstaande minderjarigen:

[naam minderjarige]

en

[naam minderjarige]beiden geboren op [geboortedatum minderjarigen] in de gemeente [naam gemeente];

vader: [naam vader]

moeder: [naam moeder]

gezag: ouders;

gezinsvoogdij-instelling: [naam en vestigingsplaats gezinsvoogdij-instelling]

PROCESGANG

Bij beschikking van de kinderrechter is de ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige verlengd ingaande 3 september 2000 tot 3 september 2001.

In het belang van de verzorging en opvoeding heeft de kinderrechter met ingang van 3 september 1999 machtiging verleend tot plaatsing van voornoemde minderjarige in een voorziening voor pleegzorg.

De gezinsvoogdij-instelling heeft op de in haar verzoekschrift gestelde gronden verzocht een verlenging van de machtiging tot plaatsing af te geven. Daarbij heeft zij overgelegd het hulpverleningsplan en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling.

Op 30 augustus 2000 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn daarbij:

mevrouw [naam], namens de gezinsvoogdij-instelling;

de heer [naam vader], vader;

mevrouw [naam moeder], moeder;

de heer [naam psychiater], psychiater, informant.

OVERWEGINGEN

Van de zijde van de [naam gezinsvoogdij-instelling] is betoogd dat de kinderen bij de pleegouders in een veilige omgeving wonen en dat de kinderen in staat bleken om met hen een hechtingsrelatie aan te gaan. Inmiddels is door de gezinsvoogdes een psychologisch onderzoek aangevraagd om te onderzoeken wat de pedagogische vaardigheden van de ouders zijn. Het doel van het onderzoek is te kijken naar de mogelijkheid of de kinderen wel of niet kunnen worden teruggeplaatst.

De ouders daarentegen betogen dat de kinderen, nadat ze een jaar buitenshuis moesten verblijven vanwege de psychiatrische ziekte van de moeder, nu weer terug kunnen omdat moeder na een psychiatrische behandeling thans geheel in staat is om de opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen.

De ouders verwijzen naar een verklaring van de behandelend psychiater, de heer [naam psychiater]. Voorts wijzen ze op het feit dat de moeder nu een aantal dagen per week als vrijwilligster in een rusthuis werkt tot grote tevredenheid van de leidinggevenden. Bovendien werkt de vader - vanwege een verandering van werkgever - thans drie dagen thuis zodat hij veel meer in het gezin aanwezig is.

De Kinderrechter oordeelt als volgt.

Het uitgangspunt dient te zijn dat het recht op gezinsleven, in deze zaak het recht van de ouders om hun kinderen bij zich te hebben, wordt geëerbiedigd. Ingrijpen in het gezinsleven in de vorm van een uithuisplaatsing of een verlenging daarvan, is slechts geoorloofd indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige en andere mogelijkheden om dat belang te effectueren afwezig zijn. De maatregel heeft derhalve een ultimum remedium karakter, hetgeen in de onderhavige situatie wil zeggen dat gebleken moet zijn dat de ouders niet in staat zijn het kind die begeleiding en opvoeding te geven die het nodig heeft, zodat diens geestelijke en/of lichamelijke gesteldheid gevaar loopt. De vraag die hier derhalve beantwoord moet worden is of de situatie waarin de ouders thans verkeren of binnen afzienbare tijd zullen verkeren, de verzochte verlenging van de ingrijpende maatregel van uithuisplaatsing kan rechtvaardigen.

In de brief van psychiater [naam psychiater] van 26 juli 2000, welke brief is gevoegd bij de processtukken, staat onder meer vermeld: " Met name van psychiatrische zijde zijn er geen belemmeringen en is mevrouw [naam moeder] in staat haar moederschap zonder voorbehoud uit te oefenen". Genoemde psychiater wijst er voorts nog op dat de moeder Intensieve Psychiatrische Thuiszorg krijgt. De psychiater is als informant ter terechtzitting gehoord en heeft verklaard bij de inhoud van eerdervermeld schrijven te blijven. Voorts merkte hij nog op dat het zelfs toen de moeder destijds in een psychotische toestand verkeerde het opmerkelijk goed ging in de relatie moeder/kinderen. Moeder deed de kinderen niet te kort en kon de nodige aandacht aan hen besteden. Bovendien is het de psychiater gebleken dat de moeder over een goed ziekte-inzicht beschikt, zich uitstekend kan redden en stress-bestendig is. Zolang moeder de medicatie blijft gebruiken kan zij uitstekend functioneren. Gelet op haar ziekte-inzicht en motivatie valt het niet te verwachten dat zij de medicatie later zal weigeren. Zou de moeder desalniettemin onverhoopt nalatig worden in het tot zich nemen van medicatie, dan is er voldoende toezicht zodat er onmiddellijk ingegrepen kan worden, aldus de psychiater. Daarbij acht hij het van belang dat de vader op een positieve manier ging samenwerken met de psychiater en andere hulpverleners. Ten slotte geeft de psychiater aan dat hij de raad voor de kinderbescherming heeft betrokken bij het overleg over de behandeling, dit in verband met het oog op het moederschap van zijn cliënte.

De kinderrechter is hierdoor tot de overtuiging gekomen dat de moeder voldoende in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen. Hieraan doet niet af de zorg die er bij de gezinsvoogdes bestaat over een eventuele terugval van moeder. Een garantie dat er nooit een terugval zal komen, kan nimmer gegeven worden en kan reeds daarom niet van de ouders worden gevergd.

Bij dit alles acht de kinderrechter van belang dat het hier om een

gezinssituatie gaat waar beide ouders aanwezig zijn. De vader werkt drie dagen per werkweek thuis, zodat hij dus het overgrote deel van de week bij zijn gezin doorbrengt, althans voor hen onmiddellijk bereikbaar is. Dat er getwijfeld zou moeten worden aan zijn pedagogische capaciteiten is naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende gebleken. Voorts is van belang het aanwezige toezicht op het gezin - ook door de gezinsvoogdes in het kader van de inmiddels verlengde ondertoezichtstelling - zodat er voldoende waarborgen aanwezig zijn.

Op grond van bovenstaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat beide ouders voldoende in staat moeten worden geacht hun kinderen te verzorgen en op te voeden. Hij wordt nog gesterkt in dit oordeel doordat uit de verslagen van de gezinsvoogdes blijkt van een sterke betrokkenheid van de ouders bij hun kinderen. Hieraan doet niet af de bevinding van de gezinsvoogdes dat beide kinderen eerder een ontwikkelingsachterstand hebben opgelopen, omdat dit voortvloeide uit een situatie die eerder bestond en op grond waarvan de kinderrechter destijds oordeelde. De verlenging van de maatregel dient echter beoordeeld te worden vanuit de huidige situatie en de verwachtingen omtrent de nabije toekomst. Zoals reeds is overwogen, is de kinderrechter van oordeel dat de situatie zodanig gewijzigd is dat de ouders de verzorging en opvoeding weer ter hand kunnen nemen. De kinderrechter ziet dan ook geen aanleiding het aangevraagde psychologisch onderzoek af te wachten, te meer niet nu dat onderzoek zeven maanden na aanvraag nog niet begonnen is, terwijl de ouders in die periode slechts een zeer minimale omgangsregeling is toegestaan, thans nog van één uur in zes weken, waardoor het gevaar groot is dat de kinderen van hun ouders zullen vervreemden, hetgeen de terugplaatsing bij de ouders - ook bij een uithuisplaatsing nog steeds de eerste optie - te zijner tijd nog problematischer zal maken.

BESLISSING

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing.

Deze beslissing is gegeven te Leeuwarden door mr. A.H.M. Dölle, kinderrechter, in bijzijn van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2000.

cc:38

afschrift verzonden:[gezinsvoogdij-instelling]/RvdK/bel/

Van deze beschikking kan binnen 2 maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen.

Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!