Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA5028

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/080356 en 17/080050-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Beknopt vonnis.

Uitspraak d.d. 22 februari 2000.

Parketnummer 17/080356-98 en hierbij ter berechting gevoegd parketnummer 17/080050-99.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren [1950] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 10 februari 2000.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr J.W. Spanjer, advocaat te Haarlem.

TELASTELEGGING:

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

GEVOERDE VERWEREN:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- betoogd dat vanwege het ontbreken van de stukken in het dossier van [verdachte] inzake het (voor)onderzoek verricht in de zaak [medeverdachte], naar aanleiding waarvan zijn cliënt als verdachte kon worden aangemerkt, de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard, nu de vraag naar de rechtmatigheid van dit vooronderzoek niet kan worden beantwoord.

De rechtbank overweegt dat de raadsman op geen enkel moment heeft verzocht om voeging van stukken betreffende het vooronderzoek verricht in de zaak [medeverdachte] in de zaak van verdachte.

Nu in de zaak tegen [medeverdachte] al uitvoerig is geoordeeld over het vooronderzoek, waaraan naar het oordeel van de rechtbank geen onrechtmatigheden kleefden, verzet geen redelijk belang zich tegen de wijze waarop het onderzoek naar aanleiding waarvan de verdenking tegen verdachte is ontstaan in het proces-verbaal is neergelegd.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en zal de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging verklaren.

De raadsman van verdachte heeft tevens ter terechtzitting betoogd -zakelijk weergegeven- dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geschied, omdat er geen aanleiding bestond dat op grond van de Nederlandse strafwet kon worden vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat, nu uit de stukken naar voren is gekomen dat [medeverdachte] betrokken was bij het transport van verdovende middelen met de "Canute", redelijke gronden voor het vermoeden van de betrokkenheid van personen waarop de Nederlandse strafwet van toepassing is, zijn komen vast te staan. De rechtbank stelt het verweer van de raadsman aldus terzijde.

Voorts heeft de raadsman van verdachte ter terechtzitting -zakelijk weergegeven- betoogd dat verdachte onrechtmatig is aangehouden, vanwege het ontbreken van de toestemming van de staat Belize tot onderzoeking, overbrenging en inbeslagneming van de "Canute".

De rechtbank overweegt dat de kennelijke strekking van het betoog van de raadsman luidt dat de entering van de Canute en de handelingen die daarop gevolgd zijn, niet gedekt zijn door enige toestemming van de autoriteiten van de staat Belize en derhalve onrechtmatig nu geen verdovende middelen op het schip zijn aangetroffen en bovendien Belize geen toestemming heeft gegeven om het schip op te brengen naar een Nederlandse haven.

De rechtbank is daaromtrent van oordeel dat, gelet op het feit dat in het door Nederland aan Belize gedane verzoek werd verwezen naar het eerder door Engeland aan Belize gerichte verzoek, welk verzoek door Belize integraal was gehonoreerd, alsmede gelet op het feit dat in het Nederlandse verzoek werd aangegeven dat er niet alleen tegen de Canute als zodanig een verdenking bestond, maar dat ook haar bemanning werd verdacht van strafbare feiten, te weten overtreding van artikel 3 Opiumwet, alsmede artikel 140 Wetboek van Strafrecht, de op basis van dit verzoek afgegeven toestemming van Belize naar zijn aard en strekking ruim dient te worden uitgelegd, in die zin dat de Nederlandse autoriteiten toestemming hadden die handelingen te verrichten die zij noodzakelijk achtten indien er een redelijk vermoeden bestond dat de Canute en haar bemanning daadwerkelijk betrokken bleken bij (één van) de hiervoren genoemde strafbare feiten.

Nu dat vermoeden aanwezig geacht kon worden is derhalve niet in strijd met de door Belize gegeven toestemming gehandeld. De rechtbank stelt ook dit verweer van de raadsman terzijde.

PARTIëLE VRIJSPRAAK:

De verdachte moet van het onder feit 3 primair telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

BEWEZENVERKLARING:

De rechtbank acht het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat verdachte:

ZAAK CANUTE

1. in de periode van 1 november 1998 tot en met 23 december 1998, aan boord van een onder de vlag van Belize varend vaartuig, genaamd "Canute", en/of aan boord van een Nederlands vaartuig, genaamd "[naam]", voorzien van het visserij-registratieteken "[nummer]" en/of buiten Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 19188 kilogram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van genoemde wet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II, opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededaders, als schipper van die "Canute" vanuit de in Groot Brittannië gelegen havenplaats Poole met die "Canute" heeft koers gezet naar/in de richting van de kust van Marokko, en op/in dat vaartuig die hashish voor de kust van Marokko heeft geladen en/of doen of laten laden, en met dat vaartuig en die hashish naar/in de richting van de Noordzee is gevaren en op volle zee, die hashish vanaf die "Canute" heeft overgeladen en/of doen en/of laten overladen op het hiervoor genoemde vaartuig "[naam]", en met laatstgenoemd vaartuig heeft koers gezet in de richting van de Nederlandse kust, althans de Nederlandse territoriale wateren, in elk geval in de richting van Nederland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ZAAK JUDITH

2. in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 en september 1998, te Stavoren en/of te Workum, in de gemeente Nijefurd, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht met gebruikmaking van het schip "Judith" en daarop volgend de schepen "Walk About" en "Savoir Vivre" en "Najade" en/of "Juwentha" een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

ZAAK BLUE SPIRIT

3. subs. [medeverdachte] en anderen in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 tot en met oktober 1998, te en in de gemeente Vlieland en/of te Makkum, in de gemeente Wunseradiel, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht met gebruikmaking van - onder andere - het schip "Blue Spirit" een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II, aan welk bovenomschreven misdrijf hij, verdachte, in de periode gevormd door de maanden april 1998 tot en met oktober 1998, in Denemarken, opzettelijk medeplichtig is geweest door opzettelijk, een persoon te benaderen om met dat schip een hashtransport uit te voeren;

ZAAK DEELNEMEN AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE

4. in de periode van 1 augustus 1997 tot 24 december 1998, te Workum, in de gemeente Nijefurd, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door hem, verdachte, en een of meer anderen onder andere [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medeverdachte], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk meermalen binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en het opzettelijk meermalen vervoeren en/of aanwezig hebben van telkens een hoeveelheid van telkens in totaal meer dan 30 gram, van telkens een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), aldus zijnde telkens een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE:

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. primair:

Medeplegen van: Poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

2. Medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

3. subsidiair:

Medeplichtigheid aan: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

4. Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

STRAFBAARHEID VERDACHTE:

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING:

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken de hem betreffende voorlichtingsrapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en tot verbeurdverklaring van de inbelaggenomen Canute en buitenlands geld.

Verdachte is betrokken geweest bij een drietal transporten van hasj naar Nederland, waarvan eenmaal als kapitein van het transportschip. Deze transporten werden uitgevoerd in het kader van de criminele organisatie waarvan verdachte deel uitmaakte. Genoemde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank ernstige feiten, die worden gekenmerkt door de grootschaligheid en professionaliteit waarmee zij werden uitgevoerd.

Verdachte maakte in dit geheel deel uit van het hogere middenkader dat dichtbij de hoofdpersonen functioneerde.

Weliswaar is verdachte zonder justitiële documentatie, maar dat doet aan de verwijtbaarheid van het bewezenverklaarde niet af.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte een aanmerkelijke gecombineerde gevangenisstraf opleggen, zij het van wat kortere duur dan door de officier van justitie gevorderd.

INBESLAGGENOMEN GOEDEREN:

De rechtbank acht de hierna te vermelden inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring nu met behulp van deze voorwerpen het feit is begaan, en ze toebehoren aan verdachte, dan wel, degene aan wie ze toebehoren bekend was met het gebruik in verband daarmee.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN:

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47, 48, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 3 primair is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 subsidiair en feit 4 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 24 MAANDEN.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen "Canute", inclusief toebehoren, en een kleine hoeveelheid buitenlands geld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr R.S. Wegener Sleeswijk, voorzitter, mrs J.Y.B. Jansen en I.M. Dölle, rechters, bijgestaan door mr N.D.P. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 22 februari 2000.