Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA4890

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-02-2000
Datum publicatie
21-02-2000
Zaaknummer
98/986 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 98/986 GEMWT

Inzake het geding tussen

B, wonende te Capelle aan den IJssel, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim, verweerder,

gemachtigde H.W. Bierma, beleidsmedewerker Recreatie en Toerisme bij verweerders gemeente.

1. Procesverloop

Bij brief van 7 september 1998 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar strekkende tot ongegrondverklaring van eisers bezwaar tegen een besluit van 4 februari 1998 inzake het uit de vaart nemen van de gemeentelijke schouwtjes, gebruikt voor de oversteek van het Prinses Margrietkanaal voor het bereiken van De Burd.

Tegen dit besluit heeft eiser op 16 oktober 1998 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 19 januari 2000. Eiser is -zoals tevoren schriftelijk bericht- niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Motivering

Eiser is eigenaar/gebruiker van het pand Burd 15, gelegen op het eiland De Burd in het Prinses Margrietkanaal. Om zijn woning te bereiken moet eiser het Prinses Margrietkanaal oversteken.

Hiervoor is voor de bewoners van De Burd een veerdienst beschikbaar. Buiten de vaartijden van de pont om werd, zonder dat verweerder dit wist, gebruik gemaakt van een tweetal gemeentelijke roeischouwtjes. Deze schouwtjes waren oorspronkelijk bedoeld ten dienste van de pontwachters die zowel op De Burd als elders hun verblijf hadden en zijn in eigendom en beheer bij verweerders gemeente.

Bij besluit van 4 februari 1998 heeft verweerder besloten tot het uit de vaart nemen van deze schouwtjes.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 1 juli 1998 is hij in de gelegenheid gesteld om ten overstaan van de commissie voor beroep- en bezwaarschriften van verweerders gemeente (hierna: de commissie) zijn bezwaarschrift mondeling toe te lichten. Van deze gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt.

Overeenkomstig het advies van de commissie heeft verweerder het bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beslissing om twee gemeentelijke schouwtjes uit de vaart te nemen voldoet aan het besluit-begrip als bedoeld in art. 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat aan dit besluit publiekrechtelijke argumenten ten grondslag liggen.

Hij is voorts van mening dat met het uit de vaart nemen van de schouwtjes een illegale (strijdigheid met de provinciale Vaarwegenverordening) en gevaarlijke situatie is beëindigd. Voorts meent verweerder dat de nodige zorgvuldigheid is betracht door verruiming van de bedieningstijden van de veerpont. Alleen tijdens enkele nachtelijke uren vinden geen overzettingen plaats en voor noodgevallen is een calamiteitenregeling.

Eiser stelt dat met het uit de vaart nemen van de schouwtjes een volstrekt ongevaarlijke situatie is beëindigd, met geen nader doel dan de belanghebbenden in De Burd te dwingen een hogere bijdrage te betalen voor de motorpont. Eiser is van mening dat er voor de nachtelijke uren sprake is van een isolement. Eiser stelt dat een alternatieve oplossing mogelijk is, waarbij de gemeente voor het vervoer via de schouwtjes haar aansprakelijkheid kan uitsluiten.

In dit geding dient de rechtbank te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Zij overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank kan zich verenigen met verweerders standpunt dat het besluit van 4 februari 1998 een besluit is in de zin van art. 1:3 Awb.

Ter adstructie van zijn stelling dat het oversteken van het Prinses Margrietkanaal met de gemeentelijke schouwtjes gevaarlijk is, heeft verweerder aangevoerd dat de geul in het kanaal recentelijk is uitgediept, het kanaal verbreed wordt en er schepen tot 110 meter lang varen. In de toekomst zullen er steeds grotere schepen (tot tweebaksduwvaart met een lengte van 186 meter) varen. In normale situaties is volgens verweerder de overtocht met de schouwtjes al niet verantwoord, terwijl er door slecht weer, slecht zicht en hoge golven een reële kans bestaat op ongelukken. Bij het op juiste wijze aanleggen van de schouwtjes moet één keer een van de schouwtjes door het andere op sleeptouw genomen worden.

De rechtbank acht deze stelling van verweerder niet in strijd met de redelijkheid. Eiser heeft deze stelling -die kennelijk door andere bewoners van De Burd wel wordt onderschreven- niet dan wel onvoldoende met concrete argumenten bestreden. Dat er tot nu toe nog geen ongelukken zijn gebeurd, doet aan dit oordeel van de rechtbank niet af.

Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt heeft kunnen baseren op het -door eiser niet met concrete argumenten weersproken- gegeven dat verweerders gemeente in strijd handelde met de provinciale Vaarwegenverordening door haar schouwtjes ter plaatse een ligplaats te laten innemen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van eiser, bestaande uit diens mogelijkheden van en naar De Burd te reizen. Na het uit de vaart nemen van de schouwtjes zijn de vaartijden van de veerpont ter voorkoming van een sociaal isolement van de bewoners van De Burd verruimd. De veerpont is -weliswaar onder enige voorwaarden en tegen extra betaling- op afroep beschikbaar en bij noodsituaties kan er altijd, zonder kosten, direct een beroep op de veerpont worden gedaan. Reeds om die reden vermag de rechtbank niet in te zien waarom verweerder had moeten kiezen voor de door eiser aangedragen alternatieve oplossing.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt voldoende is gemotiveerd, niet in strijd is met de redelijkheid en dat verweerder de betrokken belangen voldoende heeft afgewogen. In de beschikbare gegevens heeft de rechtbank voorts geen aanknopingspunten kunnen vinden voor de conclusie dat verweerder -zoals eiser heeft gesteld- zijn bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven.

Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om gebruik te maken van haar bevoegdheid, neergelegd in art. 8:75 lid 1 Awb, een partij te veroordelen in de proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2000 in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.