Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2000:AA4838

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
2000/17
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ondernemingsrecht 2000, 26

Uitspraak

Uitspraak: 14 februari 2000

Kort-geding-nummer: 2000/17

VONNIS

van de president van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eiser, hierna mede te noemen: [eiser],

procureur: mr. P. Stehouwer,

advocaat: mr. F.W. van Dijk te Wageningen,

tegen

de besloten vennootschap

FRIESE EKOLOGISCHE ZUIVEL B.V.,

gevestigd te Drachten, gemeente Smallingerland,

gedaagde, hierna mede te noemen: FEZ,

gemachtigde: mr. F.P.H.H. van der Velden,

verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

PROCESGANG

[eiser] heeft FEZ in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 7 februari 2000.

[eiser] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de president bij vonnis - zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - FEZ veroordeelt

primair om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de op het bedrijf van [eiser] geproduceerde melk weer overeenkomstig de gebruikelijke voorwaarden voor consumptiemelk op te (doen) halen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van / 1.000,00 voor iedere dag of resterend gedeelte daarvan dat FEZ in gebreke blijft om aan het gevorderde te voldoen,

subsidiair om aan [eiser] ontheffing te verlenen van de verplichting om aan de KKM-voorwaarden te voldoen, tot het moment dat een vervangende publiekrechtelijke regeling tot stand is gekomen, en wel binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van / 1.000,00 voor iedere dag of resterend gedeelte daarvan dat FEZ in gebreke blijft om aan het gevorderde te voldoen,

meer subsidiair om de termijn waarop [eiser] aan de KKM-voorwaarden zal moeten voldoen, te verlengen tot 1 juli 2000, en tot die tijd de op het bedrijf van [eiser] geproduceerde melk conform de gebruikelijke voorwaarden voor consumptiemelk op te (doen) halen, en zulks binnen 24 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk aan [eiser] mee te delen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van / 1.000,00 voor iedere dag of resterend gedeelte daarvan dat FEZ in gebreke blijft om aan het gevorderde te voldoen,

alles onder gelijktijdige veroordeling van FEZ in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaat respectievelijk gemachtigde, mede aan de hand van pleitnotities, waarbij FEZ heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk-verklaring van [eiser] in zijn vorderingen althans afwijzing daarvan, kosten rechtens.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Het verzet van [eiser] tegen het overleggen van productie 11 van FEZ heeft de president gehonoreerd, op grond dat [eiser] op die productie niet meer voldoende heeft kunnen reageren.

Na voortgezet debat en schorsing teneinde een schikking te beproeven, hebben partijen de stukken - waarvan de inhoud als hier ingelast geldt - overgelegd voor vonnis.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

1. Binnen het kader van dit kort geding zijn onder meer de navolgende feiten als vaststaand tussen partijen komen te gelden. Deze feiten zijn vastgesteld op grond van stellingen van partijen of ook op grond dat ze blijken uit de tussen partijen onomstreden gebleven inhoud van overgelegde schriftelijke stukken. Uit stellingen van partijen moeten feiten als vaststaand worden afgeleid als ze door de ene partij zijn gesteld en vervolgens door de andere partij zijn erkend of door die partij niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken.

Overigens draagt de vaststelling van feiten in een kort geding noodgedwongen een voorlopig karakter, omdat de gelegenheid om getuigen te ondervragen en deskundigenbericht in te winnen dan pleegt te ontbreken.

2. Aldus gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

2.1. [eiser] exploiteert een ecologische melkveehouderij te [woonplaats] en is lid van de Vereniging "Ekologische Zuivelleveranciers" (EKOmelk Noord) te Drachten; hij leverde tot 1 januari 2000 de op zijn bedrijf geproduceerde melk aan FEZ, die te Drachten ecologisch verantwoorde zuivelprodukten verwerkt. Partijen hebben daartoe een - door beide partijen ondertekende - schriftelijke overeenkomst gesloten, verder Leveringsovereenkomst genaamd, gedateerd 29 april 1999.

2.2. Artikel 6.2. van de Leveringsovereenkomst luidt:

"Het Lid zegt toe dat de geleverde Melk zal voldoen aan de SKAL-normen. Er zal kwaliteitscontrole plaatsvinden overeenkomstig deze normen en de daarna te volgen procedure zal plaatsvinden op voorwaarden die binnen de Nederlandse zuivelmarkt gebruikelijk zijn. De KKM-normen die FCDF hanteert gelden ook voor het Lid."

De SKAL-normen zijn ecologische normen voor biologische produktiemethoden die onder meer ook dierenwelzijn en bodembescherming beogen. De Leveringsovereenkomst voorziet in een hogere prijs dan voor niet-ecologische boeren gewoon is en die doorberekend wordt aan de ecologisch bewuste consument.

2.3. De afkorting KKM staat voor Keten Kwaliteit Melk. De Stichting KKM is in het leven geroepen door alle zuivelproducenten en de standsorganisaties van melkveehouderijbedrijven met onder meer als doel de kwaliteitshandhaving van voor menselijke consumptie bestemde melk. Rechtspersonen die rechtstreeks Boerderijmelk van veehouders ontvangen en verwerken, kunnen zich aansluiten bij de Stichting KKM. Dezen kunnen dan evenals door KKM beoordeelde en erkende veehouderijbedrijven op hun produkten het KKM-beeldmerk voeren. Deze laatste heeft een Reglement Aangeslotenen opgesteld, welk Reglement per 1 januari 2000 in werking is getreden.

Artikel 1 van genoemd Reglement luidt, voor zover thans van belang:

"Aangeslotene: rechtspersoon die als zodanig door Het Bestuur van de Stichting KKM is toegelaten. KKM erkenning is een erkenning als bedoeld in artikel 2 van de statuten, ter bevestiging dat een Veehouderijbedrijf in voldoende mate voldoet aan de eisen, gesteld in het erkenningsreglement Veehouderijbedrijven.

Beoordeling: vaststelling van feiten op een Veehouderijbedrijf door of namens de Stichting KKM, gericht op de toetsing van de door de Stichting KKM vastgestelde normen.

Boerderijmelk: melk die geen be- of verwerking heeft ondergaan.

KKM beeldmerk: het beeldmerk van de Stichting Keten Kwaliteit Melk, gedeponeerd in het Merkenregister."

2.4. Artikel 9 van het Reglement Aangeslotenen luidt, voor zover van belang:

"Indien een Aangeslotene bij de productie in Nederland van melk- en zuivelproducten bestemd voor humane consumptie Boerderijmelk aanwendt, zal deze melk uitsluitend direct of indirect afkomstig zijn van veehouderijbedrijven die door de Stichting KKM zijn erkend. ....."

2.5. Artikel 8 van het Reglement Aangeslotenen luidt, voor zover van belang:

"De Aangeslotene doet al het mogelijke zodat de werkzaamheden van de Stichting KKM, zoals nader uitgewerkt in het Erkenningsreglement Veehouderijbedrijven, goed kunnen plaatsvinden...."

2.6. Het in rechtsoverweging 2.6. genoemde Erkenningsbesluit Veehouderijbedrijven is op 1 januari 2000 in werking getreden. Artikel 2 daarvan luidt:

"De Stichting KKM verleent de mogelijkheid aan Veehouders die aan de gestelde voorwaarden van het KKM-programma voldoen, een KKM- erkenning te verkrijgen."

Artikel 14 van genoemd Erkenningsbesluit luidt:

"Er is een beoordelingsprotocol van toepassing. Vaststelling van het beoordelingsprotocol vindt plaats door Het Bestuur."

Artikel 15 van genoemd Erkenningsbesluit luidt:

"Het bestuur van de Stichting KKM beslist op basis van de beoordelingsresultaten over de KKM-erkenning."

2.7. Het Reglement Aangeslotenen is ter ontheffing toegezonden aan de Nederlandse Mededingingsautoriteit(NMa). Deze heeft onder meer het hier boven aangehaalde artikel 9 strijdig geacht met het mededingingsrecht. De Stichting KKM heeft vervolgens besloten onder andere artikel 9 buiten toepassing te laten in afwachting van de formulering van een nadere publiekrechtelijke regeling. In haar brief d.d. 3 december 1999, gericht aan Stibbe Simont Monahan Duhot - de advocaat van de Stichting KKM - stelt de Nederlandse Mededingingsautoriteit:

"Gezien het bovenstaande en gelet op de eerdere aanpassingen die KKM reeds in overleg met de NMa heeft aangebracht, levert het KKM-systeem naar mijn voorlopig oordeel thans geen strijd meer op met artikel 6 van de Mededingingswet. ....Met instemming heb ik kennisgenomen van het voornemen van KKM om gepaste publiciteit te geven aan het buiten toepassing laten van genoemde artikelen van het Reglement Aangeslotenen. Zoals reeds met u besproken hecht ik er sterk aan dat dit met name richting de bij KKM aangesloten melkverwerkers op een heldere en directe wijze gebeurt, opdat duidelijk wordt dat melkveehouders die aan de wettelijke eisen ter zake van door hun geproduceerde melk bestemd voor menselijke consumptie voldoen, deze melk op gelijke wijze als voorheen moeten kunnen blijven leveren."

2.8. Reeds op 3 juli 1998 had FEZ met de Vereniging Ekologische Zuivelleveranciers(verder te noemen Ekomelk Noord) een raamovereenkomst gesloten, waarvan de voorwaarden eveneens deel uitmaken van de overeenkomst tussen FEZ en [eiser], met dien verstande dat de Leveringsovereenkomst - genoemd in rechtsoverweging 2.1. - een nadere specificering vormt van de leveringsvoorwaarden zoals genoemd in de Raamovereenkomst.

Artikel 5.1. van de Raamovereenkomst luidt, voor zover van belang:

"FEZ verplicht zich hierbij, binnen de Raamovereenkomst opgenomen voorwaarden, van de Leden maximaal 30.000.000 (zegge: dertig miljoen) kilo Melk (het "Maximum") af te nemen....."

2.9. Artikel 11.1 van genoemde Raamovereenkomst luidt:

"De Vereniging zegt toe dat de melk die de Leden zullen leveren aan FEZ voldoet aan de SKAL-normen. Er zal kwaliteitscontrole plaatsvinden overeenkomstig deze normen en de daarna te volgen procedure zal plaatsvinden op voorwaarden die binnen de Nederlandse zuivelmarkt gebruikelijk zijn. De KKM-normen die FCDF hanteert gelden ook voor de Leden." FCDF is een grote zuivelfabrikant te Meppel, die de ecologische SKAL-normen niet hanteert.

2.10. [eiser] (partij 1) heeft op 4 maart 1999 een contract gesloten met Ekomelk Noord (partij 2) en FEZ (partij 3). Artikel 2 van dat contract luidt:

"De door de partij 3 uitbetaalde melkprijs ligt minimaal 10 cent hoger dan de door Friesland Coberco Dairy Foods(FCDF) uitbetaalde melkprijs op basis van het voor haar geldende melkgeld-reglement en praktijkreglement, waartoe niet wordt gerekend de door FCDF op aandelen betaalde vergoedingen. Partij 3 zal bij haar prijsbepaling dezelfde inhoudingen en toeslagen gebruiken die FCDF gebruikt."

2.11. Artikel 7 van het in rechtsoverweging 2.10 genoemde driepartijencontract luidt:

"Kwaliteitscontrole en hantering van de SKAL-normen en de daaraan te verbinden gevolgen vinden plaats op voorwaarden die binnen de Nederlandse zuivelmarkt gebruikelijk zijn en nader worden bepaald en vastgelegd. De KKM-normen, alsmede de regelingen betreffende de kwaliteit van de melk die FCDF hanteert gelden ook voor Partij 2."

2.12. In artikel 5.2. van de Leveringsovereenkomst van 29 april 1999, genoemd in rechtsoverweging 2.1., staat:

"FEZ, dan wel de door haar aangewezen derde, is verplicht de door het Lid aan FEZ, dan wel de door haar aangewezen derde, geleverde Melk te ontvangen. FEZ, casu quo de door haar aangewezen derde, is echter niet verplicht Melk te ontvangen die niet voldoet aan enige in de Leveringsovereenkomst, dan wel in het Praktijkreglement, zoals gedefinieerd in Artikel 6.1., genoemde norm of waarvan vaststaat, redelijkerwijs moet worden vermoed dan wel door het bevoegd gezag is verklaard dat deze niet geschikt is voor menselijke consumptie, dan wel met betrekking waartoe van FEZ, casu quo van de door haar aangewezen derde, redelijkerwijs niet kan worden gevergd deze te ontvangen."

2.13. Artikel 6.1. luidt, voor zover van belang:

"Bij reglement ( welk reglement als Bijlage 1 onderdeel uitmaakt van de Leveringsovereenkomst en hierna te noemen het "Praktijkreglement"), zoals vastgesteld door het bestuur van ZDZP en zoals gebruikt door FCDF in haar leveringsovereenkomsten, en zoals eventueel later, conform de statutaire bepalingen van ZDZP ter zake, gewijzigd door het bestuur van ZDZP, worden voorschriften gegeven omtrent de winning, behandeling, opslag, levering en kwaliteit (borging en certificering(erkenning) daaronder begrepen) van de Melk. Het Lid is gehouden het Praktijkreglement stipt na te leven casu quo ervoor zorg te dragen dat het wordt nageleefd." ZDZP is de Zuivelcoöperatie De Zeven Provinciën.

Artikel 6.2. luidt, voor zover van belang:

Het Lid zegt toe dat de geleverde Melk zal voldoen an de SKAL-normen...De KKM-normen die FDCF hanteert gelden ook voor het lid.

2.14. Bij brief van 30 december 1999 heeft FEZ aan [eiser] het volgende geschreven:

"Zoals u bekend is, volgt FEZ het beleid van FCDF inzake de normen van de Stichting Keten Kwaliteit Melk, waardoor ook voor leden van de Vereniging Ekomelk Noord, ingevolge artikel 6.2. van de met die leden gesloten leveringsovereenkomsten, de door FCDF gehanteerde KKM normen van toepassing zijn.

Het is u op onder andere 8 november j.l. dan ook bekend gemaakt dat FEZ, evenals FCDF, met ingang van 1 januari 2000 de melk van niet KKM-erkende zuivelleveranciers niet meer zal verwerken tot producten voor de menselijke voedselketen. Omdat FEZ echter slechts producten voor de menselijke voedselketen verwerkt, betekent dat dat de melk van op 1 januari 2000 niet-KKM-erkende zuivelleveranciers door FEZ in het geheel niet meer kan worden verwerkt.

Omdat uw bedrijf op 1 januari 2000 niet is erkend als KKM-leverancier, zal FEZ ingevolge artikel 5 lid 2 Jo. artikel 6 lid 2 van de met u gesloten leveringsovereenkomst de door uw bedrijf geproduceerde melk met ingang 1 januari 2000 dan ook niet meer in ontvangst nemen en derhalve ook niet meer ophalen."

Beoordeling van het geschil

Primaire vordering

3.1. [eiser] heeft zijn primaire vordering om FEZ te dwingen tot het weer ophalen van de op zijn bedrijf geproduceerde melk gebaseerd op de ook al door de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna NMa) vastgestelde strijdigheidn van artikel 9 van het Reglement Aangeslotenen van de Stichting KKM - geciteerd in de rechtsoverwegingen 2.4. en 2.5. - met artikel 6 van de Mededingingswet. De Stichting KKM heeft onder meer artikel 9 vervolgens buiten toepassing verklaard in afwachting van een nadere publiekrechtelijke regeling die het optreden van FEZ alsnog kan rechtvaardigen. Desondanks weigert FEZ per 1 januari 2000 de melk van [eiser]'s - niet KKM-gecertificeerd - bedrijf op te halen. Het bedrijf en de melk van [eiser] voldoen aan alle overige gestelde voorwaarden. Zo is zijn bedrijf wel SKAL-erkend. Zijn bedrijf voldoet zelfs aan de KKM-normen, maar op vrijwillige basis en zonder daarvoor erkenning te vragen. FEZ blijft echter, evenals alle andere zuivelfabrikanten de KKM-normen onverkort opleggen en handhaven, en zo feitelijk niet KKM-erkende bedrijven uitsluiten van de Nederlandse zuivelmarkt. Dat is volgens [eiser] strijdig met de beoordeling door de Nederlandse Mededingingsautoriteit en levert een onderling afgestemde feitelijke gedraging op als bedoeld in artikel 6 Mededingingswet. FEZ handelt derhalve onrechtmatig jegens [eiser].

3.2. FEZ heeft zich verweerd door te stellen dat zij alleen ecologische zuivelproducten produceert. Dit doet zij niet alleen vanuit de filosofie dat deze duurzame wijze van melkproductie en -verwerking het leefmilieu en de samenleving ten goede komt, maar ook met de bedrijfseconomische gedachte dat de consument bereid is meer te betalen voor dergelijke producten. Dit komt onder meer tot uitdrukking in het door FEZ gehanteerde tarief. FEZ betaalt de melkleveranciers 10 cent meer per kilo dan bij voorbeeld FCDF. Daar staat tegenover dat de geproduceerde melkproducten naast deze meerwaarde minimaal dezelfde kwaliteit moeten hebben als de standaard producten. De consument stelt aan ecologische producten geen andere maar hogere eisen dan aan standaard producten. FEZ streeft derhalve de hoogste kwaliteit na en eist daarom van haar leveranciers KKM-certificering. FEZ werkt aan een HACCP-certificering (Hazard Analized Critical Check Point) voor haar bedrijf. Dit wordt ook geblokkeerd, doordat [eiser] als enige van de 40 leveranciers niet KKM-gecertificeerd is. Daarnaast is FEZ pas gerechtigd het KKM-beeldmerk te voeren, zodra al haar leveranciers KKM-gecertificeerd zijn. [eiser] is door de inhoud van de met hem gesloten contracten van 4 maart 1999 respectievelijk 29 april 1999 gebonden aan de KKM-normen. Nu [eiser] daaraan niet voldoet, heeft FEZ terecht per 1 januari 2000 geweigerd diens melk af te nemen.

3.3. De president is hieromtrent van oordeel dat [eiser] zich door het ondertekenen van de contracten van 4 maart respectievelijk 29 april 1999 vanaf die data gebonden heeft aan de eis dat hij dient te voldoen aan de KKM-normen. De door de NMa in haar brief van 3 december 1999 gedane mededelingen hebben tot gevolg gehad dat onder meer artikel 9 van het Reglement Aangeslotenen door de Stichting KKM buiten werking is gesteld wegens strijd met artikel 6 van de Mededingingswet. Dit heeft eveneens tot gevolg dat de naar de KKM-normen verwijzende artikelen in de diverse met de individuele melkleveranciers gesloten contracten met terugwerkende kracht van onwaarde zijn geworden en dat de melk van leveranciers die aan de overige wettelijke en contractuele eisen voldoet, nog steeds dient te worden afgenomen. [eiser] heeft - niet of onvoldoende weersproken - gesteld dat zijn bedrijf en melk aan alle overige wettelijke en contractuele eisen voldoen. [eiser] verkeert in de feitelijke onmogelijkheid zijn melk aan andere zuivelproducenten dan FEZ te leveren, doordat iedere zuivelproducent in Nederland het voldoen aan de KKM-normen als voorwaarde voor afname van melk voor menselijke consumptie stelt. De president vat het door de gezamenlijke zuivelproducenten weigeren van afname van melk van niet KKM-gecertificeerde bedrijven op als onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 6 Mededingingswet. Door deze handelingen wordt de mededinging op de Nederlandse markt beperkt of zelfs verhinderd. Strijd met de Mededingingswet betekent dat de desbetreffende bepalingen nietig zijn. Voor zoveel nodig heeft [eiser], naar hij onbetwist heeft gesteld, de nietigheid ingeroepen. Door desondanks te weigeren de melk van [eiser] af te nemen handelt FEZ onrechtmatig jegens [eiser]. De president is derhalve van oordeel dat de primaire vordering van [eiser] toewijsbaar is. De subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen en verweren behoeven derhalve geen behandeling meer.

3.4. De president zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen verbinden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit kort-geding-vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde opleg-ging van dezelfde dwangsommen.

Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

3.5. FEZ zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De president, rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt FEZ om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de op het bedrijf van [eiser] geproduceerde melk weer overeenkomstig de gebruikelijke voorwaarden voor consumptiemelk op te (doen) halen;

2. bepaalt, dat zo FEZ niet aan deze veroordeling voldoet, zij aan [eiser] een dwangsom verbeurt van / 500,00 (vijfhonderd gulden) voor iedere dag of resterend gedeelte daarvan dat FEZ in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

3. verbindt aan de aldus te verbeuren dwangsommen een maximum van / 50.000,00 (vijftig duizend gulden);

4. veroordeelt FEZ in de kosten van dit kort geding, tot deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op / 514.30 voor verschotten en / 1.550,- voor salaris procureur;

5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze, president, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2000.