Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:1999:AA5747

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-12-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
36814
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Uitspraak 8 december 1999

Rekestnummer 1621/99

Zaaknummer 36814

EXEQUATURVERLENING LEVENSONDERHOUD

BESCHIKKING

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, meervoudige familiekamer, in de zaak van:

het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,

gevestigd te Gouda,

hierna ook te noemen het LBIO,

gemachtigde mevr. H. Kaman,

tegen

[verweerder],

wonende te Leeuwarden,

hierna ook te noemen [verweerder],

procureur mr O.A. van Oorschot.

PROCESGANG

Bij verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 6 oktober 1999, heeft het LBIO verzocht exequatur te verlenen van het vonnis van de rechtbank te Stargard Szczecinski (Polen) d.d. 19 maart 1998, waarbij [verweerder] werd veroordeeld om ten behoeve van de minderjarige [naam minderjarige], geboren 14 augustus 1995, wonende te Polen, een bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud zoals in dat vonnis omschreven.

De zaak is mondeling behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 9 november 1999, alwaar beide partijen waren verschenen en hun standpunten, [verweerder] mede bij monde van zijn procureur, hebben toegelicht.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Het LBIO heeft zich - kort weergegeven - op de volgende standpunten gesteld.

1.1. Het vonnis, waarvan exequatur wordt verzocht, is op correcte wijze tot stand gekomen. Het voldoet aan de voorwaarden die het Verdrag inzake de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen over onderhoudsverplichtingen, gesloten te 's-Gravenhage op 2 oktober 1973 (verder te noemen: het Verdrag van 's-Gravenhage 1973) stelt aan de mogelijkheid tot het verlenen van een bevel tot tenuitvoer-legging van een buitenlandse rechterlijke uitspraak inzake levensonderhoud. Zowel Polen als Nederland zijn partij bij dit verdrag.

1.2. Het LBIO is bevoegd om namens de moeder van de minderjarige exequatur te verzoeken; deze bevoegdheid is gebaseerd op het Verdrag inzake het verhaal in het buitenland van uitkeringen tot onderhoud, gesloten te New York op 20 juni 1956 (verder te noemen: het Verdrag van New York 1956) en de Uitvoeringswet betreffende dit verdrag d.d. 23 maart 1995 (Stb. 1995, 198).

2. [Verweerder] heeft - kort weergegeven - de volgende verweren opgeworpen:

2.1. Polen is niet aangesloten bij het Verdrag van 's-Gravenhage 1973, zodat een verzoek tot exequatur niet op dit verdrag kan worden gebaseerd.

2.2. De betekening van het inleidend verzoek heeft niet voldaan aan de voorschriften van het Haags Betekeningsverdrag 1965 waar het betreft de taal waarin de voor [verweerder] bestemde exemplaren van de betekening en het verzoek gesteld waren, zodat niet voldaan is aan het voorschrift van artikel 6 Verdrag van 's-Gravenhage 1973 en het exequatur geweigerd moet worden.

2.3. [Verweerder] heeft het inleidend verzoek nooit ontvangen, noch een stuk waaruit bleek dat en op welke wijze hij verweer kon voeren; zijn moeder, bij wie hij toen inwoonde, heeft voor de ontvangst gete-kend. Deze wijze van mededeling van de stukken voldoet niet aan de vereisten die artikel 4 lid 2 Verdrag van New York 1956 stelt.

2.4. [Verweerder] heeft nooit gemeenschap met de moeder van de minderjarige gehad. De beslissing waarvan exequatur wordt verzocht is dan ook door bedrog of arglist in de procedure in Polen verkregen en komt ingevolge artikel 5 sub 2 Verdrag van 's-Gravenhage 1973 niet voor erkenning of tenuitvoerlegging in aanmerking. Hier komt nog bij dat op de geboorteakte van de minderjarige als achternaam van de vader niet [verweerder] wordt genoemd, maar [Poolse achternaam kind], hetgeen doet vermoeden dat [verweerder] in het geheel niet als de vader van de minderjarige werd beschouwd ten tijde van de geboorte van de minderjarige.

3. De rechtbank beoordeelt de zaak als volgt.

3.1. Het Verdrag van 's-Gravenhage 1973 is op 1 juli 1996 voor Polen in werking getreden, zodat het eerste verweer van [verweerder] faalt.

3.2. Het Haags Betekeningsverdrag bevat alleen een uitdrukkelijk voorschrift betreffende de talen waarin voor de verwerende partij bestemde stukken mogen zijn gesteld voor de gevallen waarin voor de betekening gebruik wordt gemaakt van het in artikel 5 en 6 van dat verdrag bedoelde modelformulier; daarvan is in dit geval geen gebruik gemaakt. Voor andere toegelaten wijzen van mededeling, zoals toezending per post - van welke wijze in dit geval gebruik is gemaakt - geldt slechts het algemeen beginsel, dat de stukken moeten zijn gesteld in een taal die de geadresseerde begrijpt, althans in een in het algemeen in Nederland begrijpelijke taal. Het Duits is naar het oordeel van de rechtbank zo'n taal. Indien aan [verweerder] een Duitse vertaling van het verzoek en de oproep voor de zitting c.q. het indienen van een verweerschrift zijn gezonden, mocht van [verweerder] worden gevergd dat hij zich met de in het Duits gestelde stukken had gewend tot iemand die hem de inhoud daarvan in essentie duidelijk kon maken. Bij de stukken bevinden zich Duitse vertalingen van oproepen (stukken 1B en 1C), waarvan echter, gezien de datering van de vertaling, niet aannemelijk is dat deze in 1997 aan [verweerder] zijn gezonden. Op de voet van artikel 17 Verdrag van 's-Gravenhage 1973 zal het LBIO in de gelegenheid worden gesteld alsnog stukken over te leggen waaruit blijkt dat [verweerder] in 1997 tijdig en in een voor hem, althans in het algemeen begrijpelijke taal, op de hoogte is gesteld van het verzoek en van de mogelijkheden tot het voeren van verweer.

De rechtbank overweegt reeds thans, dat er voor het overige geen andere inbreuken gesteld of aannemelijk zijn geworden op de eisen die artikel 6 Verdrag van 's-Gravenhage 1973 stelt.

3.3. Dat [verweerder], zoals hij stelt, de stukken nooit ontvangen heeft die hem door de Poolse gerechtelijke autoriteiten zijn toegezonden en waarin het verzoek en de mogelijkheden tot het voeren van verweer worden omschreven, blijft voor zijn eigen rekening en risico, nu vaststaat dat hij woonde op het adres waarop blijkens het bewijs van ontvangst van PTT Post (laatste stuk van bijlage 1C) het stuk is bezorgd.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat artikel 4 lid 2 Verdrag van New York 1956, waarop door [verweerder] in dit verband een beroep is gedaan, spreekt over vormvereisten van verzending van de stukken, echter niet aan de verwerende partij, maar aan de ontvangende instelling (i.c. het LBIO), en bovendien dat de stukken moeten voldoen aan de vormvereisten van i.c. Polen, niet Neder-land.

3.4. Aangezien de beoordeling van het verweer betreffende arglist en bedrog in de procedure mogelijk kan samenhangen met de beoordeling van het verweer betreffende de taal waarin de aan [verweerder] gezonden stukken waren gesteld zal de rechtbank de behandeling van dit verweer uitstellen tot na het overleggen van de stukken zoals hierboven onder 3.2 bedoeld.

3.5. De rechtbank acht voor het overige de stukken niet volledig en zal het LBIO in de gelegenheid stellen deze aan te vullen.

Uit bijlage 3 blijkt dat volgens de Poolse rechter de uit-spraak van de rechtbank te Stargard Szczecinski d.d. 19 maart 1998 op 10 april 1998 "legally valid" werd. Dit brengt niet zonder meer mee dat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer kan worden aangewend. De rechtbank acht een ondubbelzinnige verklaring hieromtrent nodig. Aan het LBIO zal hiertoe een termijn worden vergund. De behandeling van de zaak zal worden aangehouden en de zaak zal worden verwezen naar de hierna te noemen terechtzitting.

BESLISSING

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 7 maart 2000 voor een pro forma behandeling;

draagt het LBIO op om uiterlijk drie weken voor voormelde zit-ting aan de griffier van de rechtbank en [verweerder] te zenden:

-de stukken zoals hiervoor genoemd in de rechtsoverwegingen onder 3.2 en 3.5;

draagt [verweerder] op om uiterlijk één week voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en het LBIO een schriftelijke reactie te zenden op hetgeen het LBIO heeft gesteld en ingezonden, voor zover hij zich daarmee niet kan verenigen;

bepaalt dat aan de hand van de op voormelde zitting voorhanden zijnde gegevens -zo mogelijk- een beslissing zal worden genomen, tenzij partijen dan gemotiveerd te kennen hebben gegeven alsnog een mondelinge behandeling te wensen, althans aanhouding tot een nadere pro forma behandeling;

bepaalt dat partijen in geval van aanhouding tot een nadere pro forma behandeling in beginsel tegen die behandeling op dezelfde wijze aan voormelde opdrachten dienen te voldoen, voor zover dat dan nog niet is geschied en de rechtbank niet anders heeft bepaald;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr J.D.S.L. Bosch, voorzitter, en mrs E.N. Brons en J.G.W. Lootsma, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.

=================================================================

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Uitspraak 10 mei 2000

Rekestnummer 1621/99

Zaaknummer 36814

EXEQUATURVERLENING LEVENSONDERHOUD

BESCHIKKING

van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden, meervoudige fami-lieka-mer, in de zaak van:

het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen,

gevestigd te Gouda,

hierna ook te noemen het LBIO,

gemachtigde mevr. H. Kaman,

tegen

[verweerder],

wonende te Leeuwarden,

hierna ook te noemen [verweerder],

procureur mr O.A. van Oorschot.

PROCESGANG

De rechtbank heeft op 8 december 1999 een tussenbeschikking gegeven, waarvan de inhoud als hier herhaald wordt beschouwd.

Naar aanleiding daarvan heeft het LBIO bij brief met bijlagen d.d. 14 februari 2000 aanvullende informatie verstrekt en heeft de procureur van [verweerder] schriftelijke notities ingediend.

De zaak is pro forma behandeld ter terechtzitting van deze kamer van 4 april 2000.

RECHTSOVERWEGINGEN

1.1. Ten aanzien van hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 van de tussenbeschikking heeft overwogen stelt de rechtbank vast, dat volgens het LBIO de toezending van het inleidend processtuk van de procedure voor de rechtbank te Stargard Szczecinski heeft plaatsgevonden aldus dat een in het Pools gestelde dagvaarding is toegezonden met een in het Nederlands gestelde begeleidende brief. Die brief vermeldt alleen dat die dagvaarding wordt toegezonden. Inhoudelijke informatie in een voor een Nederlander begrijpelijke taal is daarbij niet verstrekt.

1.2. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de dagvaarding niet in een voor de geadresseerde begrijpelijke taal is gesteld. Een gelijktijdig meegezonden vertaling in een wel begrijpelijke taal zou dit feilen hebben kunnen oplossen, maar dat is niet gebeurd. De brief van de vice-president van de rechtbank te Stargard Szczecinski d.d. 4 januari 2000, welke zich bij de stukken bevindt, wijst hier ook op: zij vermeldt dat toezending van een vertaling in het Nederlands wel genoemd wordt in een begeleidende brief, maar dat een dergelijke vertaling zich niet bij de stukken bevindt.

1.3. In de Nederlandse rechtsorde is het recht om in een voor de betrokkene begrijpelijke taal tijdig op de hoogte te worden gesteld van hetgeen waartegen men zich te verweren heeft (c.q. kan verkiezen zich te verweren) zozeer verankerd dat, nu blijkt dat in de procedure bij de rechtbank te Stargard Szczecinski aan dat recht onvoldoende invulling is gegeven, geoordeeld moet worden dat tenuitvoerlegging van de uit die procedure voortvloeiende beslissing onverenigbaar zou zijn met de openbare orde van Nederland. Ingevolge art. 5 onder 1 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 2 oktober 1973 is de rechtbank van oordeel dat het verzochte exequatur om die reden geweigerd moet worden.

2. Gezien hetgeen hierboven is overwogen behoeven de overige verweren van [verweerder] geen verdere bespreking, voorzover zij niet reeds bij de eerder gegeven tussenbeschikking zijn afgedaan.

3. Als de in het ongelijk gestelde partij zal het LBIO worden veroordeeld in de proceskosten.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst af het verzoek van het LBIO tot het verlenen van een exequatur op het vonnis van de rechtbank te Stargard Szczecinski d.d. 19 maart 1998;

veroordeelt het LBIO in de proceskosten, tot heden aan de zijde van [verweerder] begroot op een totaalbedrag van / 2.035,=, ofwel / 1.720,= voor salaris procureur en / 315,= terzake van griffie-recht.

Deze beschikking is gegeven door mr J.D.S.L. Bosch, voorzitter, en mrs. A.H.M. Dölle en J.G.W. Lootsma, rechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 mei 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van deze beschikking kan binnen twee maanden hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Deze termijn start op de dag van de uitspraak.

De griffier.