Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:1999:AA5026

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-11-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/080348-98
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Beknopt vonnis.

Uitspraak d.d. 30 november 1999.

Parketnummer 17/080348-98.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren [1951] te [geboorteplaats],

als ingezetene ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens te [woonplaats], [adres], ter terechtzitting van 21 september 1999 wonende te [woonplaats], [adres], doch thans zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats.

De rechtbank heeft gelet op de ter terechtzitting gehouden onderzoeken van 6 april 1999, 22 juni 1999, 21 september 1999 en 16 november 1999.

De verdachte is verschenen ter terechtzitting van 6 april 1999 en 22 juni 1999.

Ter terechtzitting van 21 september 1999 en 16 november 1999 is de verdachte niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting van 6 april 1999 verschenen mr. S.A. Roodhof, advocaat te Leeuwarden en ter terechtzitting van 22 juni 1999, 21 september 1999 en 16 november 1999 mr. E.J. Rotshuizen, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING:

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 22 juni 1999 gevorderd dat een door hem op schrift gestelde vordering nadere omschrijving tenlastelegging (art. 314a Wetboek van Strafvordering) zal worden toegelaten, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

Met betrekking tot het onder 2. telastegelegde feit heeft de raadsman betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu Nederland geen enkel belang heeft bij het vervolgen van [verdachte] in deze zaak, daar getuigen hebben verklaard dat onder Ierland/in het Kanaal of bij Duitsland gelost zou worden en dat in ieder geval de opdrachtgever een Duitser was uit Hamburg of Bremen.

Nu de rechtbank van oordeel is dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit, gelet op de artikelen 2 tot en met 8 Wetboek van Strafrecht, ten aanzien van verdachte geen rechtsmacht bestaat, is het verweer terecht gevoerd en zal de rechtbank de officier van justitie voor dit feit niet-ontvankelijk verklaren.

GEVOERDE VERWEREN:

De raadsman heeft ter terechtzitting van 20 september 1999 betoogd dat primair de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard wegens flagrante schending van de rechten van verdachte en subsidiair tot bewijsuitsluiting alsmede de vruchten daarvan, en heeft daartoe onder meer het navolgende aangevoerd:

1.1. De basis voor het pro-actieve onderzoek was, gelet op de CID-informatie, waarbij het maar om een zeer beperkt aantal betrouwbare informanten is gegaan, zeer smal en had meer weg van een fishing-expedition dan van een redelijk vermoeden, zoals de Nieuwe Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden vraagt, derhalve was er geen grondslag voor een dergelijk onderzoek.

Uit het dossier kan worden afgeleid dat op verschillende momenten bij verschillende CID’s informatie binnenkwam dat [(mede)verdachte] zich zou bezig houden met de invoer van hasj met behulp van schepen.

Gelet op de taakstelling van de politie met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving, onder meer inhoudende de werkelijke voorkoming, de opsporing en beëindiging van strafbare feiten is er geen aanleiding aan te nemen dat op grond van de hiervoren aangegeven informatie jegens [(mede)verdachte] geen nader onderzoek mocht worden opgestart gericht op het vaststellen van de juistheid danwel onjuistheid van die binnengekomen informatie.

Voor het enkele opstarten van een dergelijk onderzoek was en is niet nodig dat het een grondslag moet vinden in een formele wet. Zulks is slechts onder omstandigheden noodzakelijk voor de uitoefening van bepaalde bevoegdheden gedurende dat onderzoek.

Wel is noodzakelijk dat aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit moet worden voldaan. Nu echter het in deze zaak ging om een verdenking van ernstige strafbare feiten is de rechtbank van oordeel dat deze beginselen niet zijn geschonden.

1.2. In het pro-actieve onderzoek tegen medeverdachte [(mede)verdachte] is sprake geweest van een stelselmatige observatie met technische hulpmiddelen gedurende een periode van circa vier maanden, zodat van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene geen sprake is. Artikel 2 van de Politiewet biedt voor een dergelijke observatie geen basis. Voorts is voor een stelselmatige observatie vereist dat sprake is van verdenking van een misdrijf (ex. art. 27 Sv). Er is derhalve gehandeld in strijd met artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.

Tevens is gelet op de duur van zowel het pro-actieve onderzoek als het Gerechtelijk Vooronderzoek en het uitblijven van resultaten, door de voortzetting van het onderzoek gehandeld in strijd met art. 6 EVRM.

De onrechtmatigheden in het (voor)onderzoek tegen medeverdachte [(mede)verdachte] hebben als gevolg dat [verdachte] in zijn belangen is geschaad en een beroep op deze onrechtmatigheden mag doen.

In het vonnis d.d. 30 november 1999 tegen medeverdachte [(mede)verdachte] heeft de rechtbank met betrekking tot de observatie met behulp van technische hulpmiddelen het volgende overwogen:

"Uit het proces-verbaal blijkt dat in de periode van 19 februari 1998 tot 1 juni 1998 met machtiging van de officier van justitie statische observatie door middel van een videocamera is verricht met zicht op het bedrijfsterrein van Visserijbedrijf [(mede)verdachte] BV. In de periode van 6 februari 1998 tot 10 september 1998 werden door de officier van justitie machtigingen verleend voor het plaatsen van peilbakens onder een tweetal auto's, eveneens met het doel om zicht te krijgen op de bewegingen en contacten van verdachte [(mede)verdachte].

Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat in genoemde periode sprake is geweest van stelselmatige observatie waarbij inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [(mede)verdachte], die gelegitimeerd dient te worden door of krachtens een wet in formele zin.

De rechtbank is echter van oordeel - gelet op de criteria in de jurisprudentie alsmede anticiperend op de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden die op 1 februari 2000 in werking zal treden - dat bij afweging van het opsporingsbelang tegen het belang van verdachtes persoonlijke levenssfeer, het gebruik van peilbakens in een geval als het onderhavige (waarin sprake was van een verdenking van niet onaanzienlijke transporten van softdrugs) niet in strijd is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Evenmin is in dit geval gehandeld in strijd met genoemde eisen door verdachtes bedrijfsterrein stelselmatig met behulp van een videocamera te observeren. Daarbij is van belang dat niet de woning van verdachte is geobserveerd, maar alleen zijn bedrijf en dat slechts is geregistreerd hetgeen ieder die zich in de buurt van dat bedrijfsterrein bevond had kunnen waarnemen. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding de officier van justitie wegens schending van de persoonlijke levenssfeer van verdachte niet ontvankelijk te verklaren, danwel tot bewijsuitsluiting over te gaan."

Gelet op het bovenstaande faalt het verweer van de raadsman van [verdachte] eveneens. Voor wat betreft het standpunt van de raadsman dat gehandeld is in strijd met artikel 6 EVRM gelet op de duur van het onderzoek tegen [(mede)verdachte] en het uitblijven van resultaten, kan de rechtbank de raadsman daarin niet volgen, nu het onderzoek immers uiteindelijk het resultaat heeft gehad dat in de periode november/december 1998 zicht is verkregen op een mogelijk concreet transport van softdrugs.

1.3. Het gerechtelijk vooronderzoek (GVO) tegen [verdachte] is ten onrechte ingesteld, nu de verdenking tegen hem te dun was en door de politie informatie is verschaft waarvan zij wist dat die onjuist en/of onvolledig was en informatie die pas nadien beschikbaar zou komen. Daarnaast had de officier van justitie de mogelijkheid om in het kader van het GVO tegen [(mede)verdachte] ook andere telefoonnummers af te luisteren. Er was derhalve onvoldoende aanleiding om [verdachte] als potentiële verdachte aan te merken, zodat het GVO ten onrechte is ingesteld.

De rechtbank kan de raadsman evenmin volgen in zijn standpunt dat het GVO tegen [verdachte] ten onrechte is ingesteld. Uit het proces-verbaal blijkt dat voorafgaand aan de vordering van de

officier van justitie sprake was van een redelijke vermoeden van een strafbaar feit waarbij verdachte [verdachte] mogelijk betrokken was en dat de rechter-commissaris derhalve voldoende grond had om tot instellen van het GVO over te gaan. Van het al dan niet bewust onjuist en/of onvolledig verschaffen van informatie door de politie is de rechtbank niet gebleken.

1.4. De machtiging tot binnentreden ter aanhouding op [naam] [nummer] ontbreekt in het proces-verbaal en derhalve kan niet worden gecontroleerd of er conform de inhoud juist is opgetreden. Tevens had de politie om een schriftelijke machtiging tot binnentreden bij de officier van justitie dienen te vragen nu er een ingrijpende operatie op tafel stond en er een buitenlandse staat bij betrokken was. Derhalve kon niet worden volstaan met een machtiging van een hulpofficier van justitie;

Blijkens het door verbalisant E. van Dee d.d. 2 juni 1999 op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal onder nummer 02061999.1130.2012, is door J. Sikkema, hoofd-inspecteur van politie, aan verbalisant verklaard, dat hij onder meer een machtiging voor het binnentreden ter aanhouding van de opvarenden van de [nummer], genaamd "[naam]" heeft opgemaakt. Voorts blijkt uit dit proces-verbaal dat door de coördinator van deze actie op zee, C.J. Keller, aan verbalisant is verklaard dat hij de machtiging tot binnentreden ter aanhouding voor de [nummer] heeft ontvangen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het feit dat de onderhavige machtiging kennelijk is zoekgeraakt en daarmee aan het dossier ontbreekt, geen redelijk belang zich verzet tegen de aanname dat de entering van het schip rechtmatig is geschied nu niet is gebleken dat verdachte daardoor in zijn verdediging zou zijn geschaad.

Krachtens de Algemene wet op het binnentreden zijn krachtens artikel 3 bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden: a. de advocaat-generaal bij het gerechtshof; b. de officier van justitie en c. de hulpofficier van justitie.

Na gevraagde assistentieverlening van het Maritiem Politie-team (MPT) van het Korps Landelijke Politiediensten werd een onderzoek ingesteld waar de boot "Canute" zich bevond. Uit het onderzoek bleek deze boot zich op dinsdag 22 december 1998 omstreeks 09.47 uur in de Noordzee te bevinden en wel in de onmiddellijke nabijheid van een vissersboot met registratienummer "[nummer]" en beide boten elkaar op enig moment sleepten, van welke waarneming foto's zijn gemaakt. Vervolgens zijn beide vaartuigen blijkens het proces-verbaal van waarneming door J. Veenstra, Noordzeeluchtwaarnemer, onder nummer 435/1998, opgemaakt, onafgebroken op de in het Kustwachtvliegtuig aanwezige radar gevolgd, welk proces-verbaal voor verdere afhandeling is gezonden aan het MPT te IJmuiden.

Hierna werd vervolgens door het MPT te IJmuiden besloten om in eerste instantie het schip "[naam]" ([nummer]) te enteren om vast te stellen of er zich op het schip verdovende middelen bevonden, waartoe een machtiging tot binnentreden werd gegeven door de hulpofficier van justitie, de hoofd-inspecteur J. Sikkema. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat derhalve sprake was van een dringende noodzakelijkheid waartoe de bevoegdheid tot het geven van een machtiging toekomt aan de hulpofficier van justitie, nu het optreden van de officier van justitie niet kon worden afgewacht. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

1.5. De entering van de Canute en de handelingen die daarop gevolgd zijn, zijn niet gedekt door enige toestemming van de autoriteiten van Belize en derhalve onrechtmatig nu geen verdovende middelen op het schip zijn aangetroffen en bovendien de staat Belize geen toestemming heeft gegeven om het schip op te brengen naar een Nederlandse haven.

Gelet op het feit dat in het door Nederland aan Belize gedane verzoek werd verwezen naar het eerder door Engeland aan Belize gerichte verzoek, welk verzoek door Belize integraal was gehonoreerd, alsmede gelet op het feit dat in het Nederlandse verzoek werd aangegeven dat er niet alleen tegen de Canute als zodanig een verdenking bestond, maar dat ook haar bemanning werd verdacht van strafbare feiten, te weten overtreding van artikel 3 Opiumwet, alsmede artikel 140 Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de op basis van dit verzoek afgegeven toestemming van Belize naar zijn aard en strekking ruim dient te worden uitgelegd, in die zin dat de Nederlandse autoriteiten toestemming hadden die handelingen te verrichten die zij noodzakelijk achtten indien er een redelijk vermoeden bestond dat de Canute en haar bemanning daadwerkelijk betrokken bleken bij (één van) de hiervoren genoemde strafbare feiten.

Nu dat vermoeden aanwezig geacht kon worden is derhalve niet in strijd met de door Belize gegeven toestemming gehandeld en wordt het verweer verworpen.

1.6. Aan de aanhouding van [verdachte] kleven te veel bezwaren nu er sprake is van twee aanhoudingsprocessen-verbaal waaruit blijkt dat hij op 22 december 1998 om 22.00 uur is aangehouden op [naam] en op 23 december 1998 om 05.38 uur is aangehouden op de Canute.

De aanwezigheid van twee aanhoudingsprocessen-verbaal in het dossier ten aanzien van de aanhouding van verdachte [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank niet aan bezwaren onderhevig nu de rechtbank dit als een kennelijke vergissing ziet waarbij de belangen van [verdachte] niet zijn geschaad en derhalve wordt het verweer verworpen.

1.7. Er zijn diverse rechtshulpverzoeken gedaan in de zaak tegen [verdachte], zonder dat de raadsman daarvan op de hoogte was en in de gelegenheid is gesteld om de gehoorde getuigen zelf te kunnen ondervragen. Aan het Verenigd Koninkrijk zijn twee rechtshulpverzoeken gedaan en daarnaast een rechtshulpverzoek aan Spanje, waarbij de verdediging geen mogelijkheid is geboden tot herstel van het horen van de getuigen.

De rechtbank is gebleken, dat de twee rechtshulpverzoeken aan het Verenigd Koninkrijk van belang zijn in de zaak [verdachte] en ten deze ware het wenselijk geweest, dat de verdediging daarvan in kennis was gesteld om met de officier van justitie te kunnen overleggen of de aanwezigheid van de raadsman gewenst was.

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 juni 1999 het onderzoek geschorst voor maximaal 3 maanden met verwijzing naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen, welke door de verdediging gewenst zouden zijn. Daardoor is de raadsman in de gelegenheid geweest de bedoelde getuigen opnieuw en in zijn aanwezigheid te doen horen. De raadsman heeft om hem moverende redenen van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

1.8. Met betrekking tot het onder 4. telastegelegde feit heeft de raadsman betoogd dat [verdachte] slechts aan boord van de Blue Spirit is gegaan, omdat op het moment dat hij besloot mee te gaan naar dat schip wel bekend was dat zich aan boord een persoon bevond die ernstig gewond was, maar dat niet bekend was om wie het ging. Nu verdachte wist dat zijn zoon aan boord was kwam hij in een noodtoestand te verkeren wegens een conflict van plichten danwel was er sprake van putatieve noodtoestand, respectievelijk putatieve psychische overmacht en daarom dient verdachte te worden vrijgesproken, danwel ontslagen van alle rechtsvervolging.

Dit verweer dient te worden verworpen, nu, zelfs indien de in het verweer gestelde feiten en omstandigheden juist zouden zijn, deze feiten en omstandigheden geenszins mee kunnen brengen dat verdachte zich ook in een noodtoestand zou bevinden ten aanzien van het feitelijk invoeren van de hashish in Nederland.

Ter terechtzitting van 16 november 1999 heeft de raadsman betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, dan wel uitsluiting van bewijs dient plaats te vinden en heeft daartoe het navolgende aangevoerd.

2.1. Het proces-verbaal blijft het antwoord schuldig waarom niet de Engelsen maar de Ieren de Canute hebben waargenomen en dat hebben doorgegeven aan Customs and Excise.

Uit de voorhanden stukken kan worden afgeleid dat bij de Nederlandse autoriteiten het vermoeden bestond dat er een schip geladen met hasj naar Nederland onderweg zou zijn en dat in het kader daarvan, gebaseerd op de hieronder nog te noemen Memorandum of

Understanding aan de Engelse autoriteiten is gevraagd uit te kijken naar een bepaald schip de Canute, toen daar informatie over binnenkwam. Daar is door de Engelse autoriteiten op 18 december 1998 op gereageerd door aan de Nederlandse autoriteiten mededeling te doen van het feit dat een schip genaamd de Canute was waargenomen.

Het feit dat thans is gebleken dat deze informatie in eerste aanleg bij de Ierse autoriteiten is binnengekomen, waarna deze die informatie aan de Engelse autoriteiten hebben doorgegeven brengt niet mee dat de binnengekomen informatie niet door de Nederlandse autoriteiten mocht worden gebruikt, zulks behoudens contra-indicaties, waarvan ten deze niet is gebleken. Een rol hierin speelt dat het niet aan de Nederlandse autoriteiten is de bevoegdelijk gevraagde informatie te toetsen aan de vraag of de Engelse autoriteiten zich hebben gehouden aan de voor hen geldende regels met betrekking tot het voldoen aan het door Nederland gedane verzoek om informatie.

2.2. In het onderzoek naar aanleiding van de waarneming door de Ieren is wederom sprake van een rogatoire commissie, waarover geen informatie ontvangen is en derhalve dient de informatie van de Ieren achterwege te blijven.

Nu de in het verweer bedoelde rogatoire commissie slechts betreft een verzoek van de officier van justitie om informatie, zulks ter beantwoording van een door de rechtbank gestelde vraag en niet betreft een door of vanwege de officier van justitie nader ingesteld onderzoek naar de tenlastegelegde feiten, is de rechtbank van oordeel dat de verdediging niet behoefde te worden ingelicht en dat de verdediging door het achterwege blijven daarvan ook niet in enig belang is geschaad.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de door de rechtbank gestelde vraag, betrekking hebbende op de gedane waarneming van het schip de Canute, reeds in voldoende mate is beantwoord en dat de rechtbank geen behoefte meer heeft aan de informatie die mogelijk nog door de Ierse autoriteiten zou worden verstrekt.

2.3. Het Memorandum of Understanding is niet getekend en onbekend is of genoemd Memorandum van kracht geworden is alsmede wie tot tekenen van een dergelijk Memorandum bevoegd zijn. Bovendien waren de Ierse autoriteiten en zeker de Ierse Visserij Inspectie geen partij en is derhalve de wettelijke basis waarop informatie wordt verschaft en die vervolgens gepresenteerd wordt als ondersteuning voor verdenking en als mogelijk bewijsmateriaal niet voor gebruik vatbaar.

Het verweer dat niet is gebleken wat de wettelijke grondslag is van bedoeld Memorandum of Understanding, wordt verworpen, reeds omdat uit dat Memorandum zelf blijkt van die grondslag, te weten de diverse daarin vermelde internationale verdragen, waarbij Nederland partij is.

2.4. Door de Nederlandse politie wordt ontkend dat de Neptune aangehouden zou zijn door de Engelse autoriteiten. Het waren juist de Nederlandse autoriteiten die Custums and Excise informeerden over de mogelijke aanwezigheid van [verdachte] op dat schip. Er is derhalve meer gebeurd dan in het proces-verbaal wordt weergegeven.

Dit verweer moet reeds worden verworpen, nu de in het verweer gestelde feiten en omstandigheden geenszins aannemelijk zijn geworden.

BEWEZENVERKLARING:

De rechtbank acht het onder 1. primair, 3. primair, 4. en 5. telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

feit 1. primair:

ZAAK CANUTE

hij in de periode van 1 april 1998 tot en met 23 december 1998, te Workum, in de gemeente Nijefurd en/of te Parrega, in de gemeente Wunseradiel, en/of te Andijk, in de gemeente Andijk, en/of elders in Nederland en/of aan boord van een Nederlands vaartuig, genaamd "[naam]", voorzien van het visserij-registratieteken "[NUMMER]", en/of buiten Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 19188 kilogram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde hashish een middel, als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van genoemde wet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II, opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededaders, ten behoeve van onder andere het transport van die hashish een vaartuig (een sleepboot, genaamd Tajfun, later genaamd Canute) heeft aangekocht en bemanning voor dat vaartuig heeft aangezocht en/of laten aanzoeken en/of aangesteld en/of laten aanstellen en op/in dat vaartuig die hashish voor de kust van Marokko heeft geladen en/of laten laden, en met dat vaartuig en die hashish naar de Noordzee is gevaren en op volle zee, die hashish vanaf dat vaartuig heeft overgeladen en/of laten overladen op het hiervoor genoemde vaartuig "[naam]", en met laatstgenoemd vaartuig heeft koers gezet in de richting van de Nederlandse kust, althans de Nederlandse territoriale wateren, in elk geval in de richting van Nederland, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3. primair:

ZAAK JUDITH

hij in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 en september 1998, te Stavoren en/of te Workum, in de gemeente Nijefurd en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht met gebruikmaking van het schip "Judith" en daarop volgend de schepen "Walk About" en "Savoir Vivre" en "Najade" en "Juwentha", handelshoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

feit 4.:

ZAAK BLUE SPIRIT

hij in de periode gevormd door de maanden augustus 1998 tot en met oktober 1998, te en in de gemeente Vlieland en/of te Makkum, in de gemeente Wunseradiel, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht met gebruikmaking van - onder andere - het schip "Blue Spirit" een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), zijnde een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II;

feit 5.:

ZAAK DEELNEMEN AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE

hij in de periode van 1 augustus 1997 tot 24 december 1998, te Parrega, in de gemeente Wunseradiel, en/of te Andijk, in de gemeente Andijk, en/of te Workum, in de gemeente Nijefurd, en/of elders in Nederland en/of buiten Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, gevormd door hem, verdachte, en een of meer anderen (onder andere [(mede)verdachte]), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk meermalen binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een handelshoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish) en het opzettelijk meermalen vervoeren en/of aanwezig hebben van telkens een hoeveelheid van telkens in totaal meer dan 30 gram, van telkens een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), aldus zijnde telkens een middel als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder d. van de Opiumwet, vermeld op de bij die wet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE:

Het bewezene levert op

de misdrijven:

feit 1. primair: Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 3. primair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 4.: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 5.: Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

STRAFBAARHEID VERDACHTE:

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING:

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit:

- de hem betreffende voorlichtingsrapportage;

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie strekkende tot veroordeling van verdachte tot gevangenisstraf voor de duur van 2,5 jaar met aftrek van voorarrest.

Verdachte heeft deelgenomen aan een drietal transporten van hasj naar Nederland en hij heeft aldus doende ook deelgenomen aan een criminele organisatie. De invoer van hasj betreft een zeer ernstig strafbaar feit.

Een en ander brengt mee dat de ernst van de feiten bij de strafoplegging een bepalende factor is.

Weliswaar is omtrent de verdachte een Reclasseringsrapport opgemaakt, maar deze biedt, naar het oordeel van de rechtbank, weinig aanknopingspunten die van belang zijn voor de strafoplegging.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat in deze zaak een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. De rechtbank zal daarbij de door de officier van justitie gevorderde straf enigszins matigen temeer nu de officier van justitie in de zaak betreffende de Guerrero niet-ontvankelijk is verklaard.

INBESLAGGENOMEN GOEDEREN:

De rechtbank acht het hierna te vermelden inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor

verbeurdverklaring nu met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en deze toebehoren aan verdachte.

De rechtbank acht de hierna te vermelden inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar voor

onttrekking aan het verkeer nu zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN:

De rechtbank heeft gelet op de artikelen

33, 33a, 36b, 36c, 45, 47, 48, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht,

en de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging terzake het onder 2. primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair telastegelegde feit.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging terzake de overige telastegelegde feiten.

Verklaart het onder 1. primair, 3. primair, 4. en 5. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de navolgende inbeslaggenomen goederen:

1 GSM, merk Ericsson, type GA628 met hoesje voorzien van de nummers 655910516 en 653638831, alsmede een adaptor;

1 GSM, merk Nokia, voorzien van de nummers 655910616 en 653638831;

1 GSM, merk Philips, type Genie in een leren houder waarin het nummer 653638831 staat vermeld;

1 organizer merk Texas, type PS-2100;

1 koopovereenkomst van de boot Judith;

1 kopie van een koopovereenkomst van de Judith;

enkele rekeningen m.b.t. de Judith;

1 atlas met gebruikte kaarten.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de navolgende inbeslaggenomen goederen:

1 zwarte door met daarop vermeld: Hobby ref. Amstm18311 315 P.V.P. 9900, inhoudende:

1 verm. gas/alarmpistool, met opzetstukje, merk BBM, model 315 autom. kal. 8, made in Italy, serienummer 011734;

bijbehorende nog in het wapen zittende lege houder;

1 schoonmaakborstel voor de loop van het wapen;

1 doosje met 50 patronen, munitie 8 mm. met het opschrift hobby model ref. Amstfpbf minicion 8 mm. P.V.P. 2200;

1 blikje met afbeelding van honden en meisje, inhoudende 2 zakjes met weed en twee zakjes met hashish.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mrs. L.A.D. Lindenbergh en A.J. Rietveld, rechters, bijgestaan door dhr. A.E. Tuinstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 30 november 1999.