Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3925

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-10-1999
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
17/080119-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

Uitspraak d.d. 28 oktober 1999.

Parketnummer 17/080119-99.

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren [1971] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring De Blokhuispoort te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 14 oktober 1999.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr K.J. Meijer, advocaat te Sint Annaparochie.

TELASTELEGGING:

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telaste-legging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

BERAADSLAGING:

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, nu hij uit noodweer zou hebben gehandeld, dan wel, op grond van het beroep op noodweer-exces.

De rechtbank overweegt dat verdachte terzake heeft verklaard dat hij, nadat hij zich eerst van het latere slachtoffer vanuit diens slaapkamer heeft verwijderd, een mes uit de keuken heeft gepakt en met dat mes wederom de slaapkamer van het latere slachtoffer heeft betreden met het doel om hem het pistool afhandig te maken wat deze voorhanden zou hebben gehad en waarmee hij ver-dachte zou hebben bedreigd.

De rechtbank is alleen gelet hierop al van oordeel dat, nu verdachte zich in een situatie heeft begeven waaraan hij zich gemakkelijk had kunnen onttrekken en daarmee bewust de con-frontatie heeft gezocht wetende dat het latere slachtoffer in het bezit was van een vuurwapen waarmee hij eerder werd bedreigd, er geen sprake kan zijn van een situatie waarin verdachte zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding moest verdedigen, noch van een situatie waarin kan worden aangenomen dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een door een aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. Het verweer van de raadsman dient derhalve te worden verworpen.

BEWEZENVERKLARING:

De rechtbank acht het onder primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat verdachte:

primair:

op 14 april 1999, te Dokkum, in de gemeente Dongeradeel, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, die [slachtoffer] met een mes in de hals en de borst en de buik en beide flanken en de rug gestoken, waardoor de borstkas en de rechterlong en de lever werden geraakt en/of doorboord, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE:

Het bewezene levert op het misdrijf:

primair: Moord.

STRAFBAARHEID VERDACHTE:

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige straf-uitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING:

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit de hem betreffende multidisciplinaire rapportage;

- de ter terechtzitting gedane erkenning van de verdachte, zich nog aan andere strafbare feiten te hebben schuldig ge-maakt, zoals weergegeven in de voorgehouden processen-verbaal van politie, welke zaken derhalve hiermee zijn afgedaan.

Verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer door middel van steken met een mes om het leven heeft gebracht. De rechtbank heeft dit feit hierboven aangemerkt als moord. Voorts is vast komen te staan dat het slachtoffer 29 messteken zijn toegebracht.

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan één van de zwaarst denkbare delicten, dat uiteraard een geweldige indruk heeft gemaakt op de samenleving als geheel en meer in het bijzonder op direkt betrokkenen als familie en vrien-den van het slachtoffer.

Uit het multidisciplinair rapport opgemaakt over verdachte in het Pieter Baan Centrum komt naar voren dat verdachte waarschijnlijk gebukt gaat onder veel stress, als gevolg van het feit dat hij gescheiden is van zijn familie en in een andere cultuur leeft, maar er zijn geen aanwijzingen voor een per-soonlijkheidsstoornis of een psychiatrische stoornis in enge zin.

De conclusie van genoemd rapport is dat het grote aantal mes-steken dan ook niet verklaard kan worden vanuit een psychiatrische stoornis; het telastegelegde feit kan hem geheel worden toegerekend.

De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 10 jaar geëist. De rechtbank acht gelet op alle omstandigheden een zeer langdurige gevangenisstraf op zijn plaats. Zij zal de gevorderde straf opleggen.

BENADEELDE PARTIJ:

De erven van [slachtoffer] hebben zich via hun gemachtigde, [gemachtigde], voor de aanvang van de terechtzitting als bena-deelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hen geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder primair telastegelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade, voorzover er nog sprake is van een restschuld van / 2.352,13, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet danwel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, der-halve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN:

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

RECHTDOENDE:

Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 10 JAREN.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer de erven van [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van fl. 2.352,13 (zegge: tweeduizend drie-honderdtweeënvijftig gulden en dertien cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezen-verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij de erven van [slachtoffer]; gemachtigde

[gemachtigde], de Schrans 53, 9101 HR Dokkum toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van fl.2.352,13 (zegge: tweeduizend driehonderdtweeënvijftig gulden en dertien cent), met veroor-deling tevens van verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt en ten behoeve van de tenuit-voerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Wijst de vordering voor het meer of anders gevorderde af.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van fl. 2.352,13 ten behoeve van het slachtoffer de erven van [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de bena-deelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr A.E. Olthuis, voorzitter, mrs J.Y.B. Jansen en G.M. Meijer-Campfens, rechters, bijgestaan door mr N.D.P. van der Hoek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 28 oktober 1999.

Mrs J.Y.B. Jansen en G.M. Meijer-Campfens zijn buiten staat dit vonnis mede te onderteke-nen.