Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:1999:AA3723

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-08-1999
Datum publicatie
14-01-2002
Zaaknummer
97/713 BESLU en 97/688 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:2a, geldigheid: 1999-08-19
Waterschapswet 1, geldigheid: 1999-08-19
Waterschapswet 155, geldigheid: 1999-08-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

424 / ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE LEEUWARDEN

meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 97/173 BESLU & 97/688 BESLU

Inzake de gedingen tussen

A en vier anderen, allen wonende te B,

eisers,

gemachtigde mr. drs. L.B. Dijkstra, juridisch medewerker in dienst

van de Noordelijke Land- en Tuinbouw Organisatie (NLTO) te

Leeuwarden,

en

het college van Gedeputeerde Staten van Fryslân , verweerder,

gemachtigde J. Luinstra, medewerker bij de afdeling Milieu en

Water van verweerders provincie.

1. Procesverloop

Bij brief van 4 december 1996 heeft verweerder eisers medede-

ling gedaan van zijn uitspraak inzake het administratief beroep van

eisers tegen het besluit van het college van volmachten van het

voormalig waterschap Het Koningsdiep van 25 april 1996 inzake

de vaststelling van de keur van dat waterschap.

Bij besluit van 26 februari 1996 heeft verweerder eisers mede-

deling gedaan van zijn uitspraak inzake het administratief beroep

van eisers tegen het besluit van het voorlopig algemeen bestuur

van het waterschap Sevenwolden van 20 november 1996 inzake

de vaststelling van de keur van dat waterschap.

Namens eisers is tegen die besluiten beroep ingesteld bij deze

rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken

ingezonden alsmede een verweerschrift ingediend.

De zaken zijn, gevoegd met de beroepszaken met de reg.nrs.

97/76 BESLU en 97/173 BESLU, behandeld ter zitting van de recht-

bank, meervoudige kamer, gehouden op 29 januari 1999. Eisers

zijn in persoon verschenen, vergezeld van hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor het waterschap

Sevenwolden dat mede als rechtsopvolger van het waterschap Het

Koningsdiep als derde-belanghebbende aan het geding deelneemt,

zijn als gemachtigden verschenen R. Blaak, J.S. van der Velde en

J. Haanstra, allen werkzaam bij het waterschap.

2. Motivering

De rechtbank gaat voor de beoordeling van het geschil uit van de

volgende feiten en omstandigheden.

Het voormalig waterschap Het Koningsdiep heeft bij besluit van 25

april 1996 op grond van het bepaalde in art. 78 lid 1

Waterschapswet een nieuwe keur vastgesteld. Bij dat besluit zijn

tevens de tegen de ontwerp-keur ingediende bezwaarschriften,

waaronder de bezwaarschriften van eisers, ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 juli 1996 hebben eisers administratief beroep

ingesteld bij verweerder tegen dat besluit.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van verweerders kamer van

24 oktober 1996. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader

toegelicht. Bij brief van 5 december 1996 heeft verweerder het

beroepschrift van eisers ongegrond verklaard.

Op 1 januari 1997 is het waterschap het Koningsdiep in het kader

van een waterschapsreorganisatie opgegaan in waterschap

Sevenwolden. Bij besluit van het voorlopig algemeen bestuur van

20 november 1996 is voor dit waterschap een nieuwe keur vast-

gesteld. Ook tegen dat besluit hebben eisers administratief beroep

ingesteld bij verweerder.

Verweerder heeft, in overleg met partijen, afgezien van het houden

van een behandeling van het beroep van eiser ter zitting van

verweerders kamer. Bij besluit van 28 februari 1997 heeft

verweerder het beroepschrift van eiser ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de beide besluiten van verweerder beroep

ingesteld.

Standpunten van partijen

Eisers kunnen zich niet vinden in het bepaalde in art. 15 van de

keur. In dat artikel is een algemene ontvangstplicht voor de

aangrenzende percelen opgenomen voor maai- en baggerspecie

afkomstig uit watergangen. Naar de mening van eisers dient die

verplichting niet te gelden voor specie afkomstig van ecologische

verbindingszones. Eisers hebben er op gewezen dat zij indertijd

een strook grond langs de oevers van hun percelen in eigendom

hebben overgedragen aan het waterschap ten behoeve van de

inrichting van die strook tot een ecologische verbindingszone. Het

waterschap heeft bij de eigendomsoverdracht gesteld dat de

verantwoordelijkheid van onderhoud en beheer bij haar zou komen

te liggen. Nu blijkt echter dat de ecologische verbindingszone bij

de watergang wordt gevoegd en dat eisers verantwoordelijk

worden voor ontvangst en afvoer van die specie. Eisers worden

aldus vanwege het natuurvriendelijke beheer geconfronteerd met

(hogere) kosten. Naar de mening van eisers dient de

ontvangstplicht van art. 15 van de keur evenwel niet te gelden voor

specie afkomstig uit ecologische verbindingszones aangezien het

onderhoud van die zones noch op grond van de Waterschapswet

en het Reglement van het waterschap noch op grond van de Wet

op de waterhuishouding tot de taak van het waterschap behoort.

Evenmin kan uit he eerste Waterhuishoudingsplan Friesland 1992-

1995 van verweerders provincie en/of uit het waterkwaliteitsplan

1994-1997 van het waterschap worden opgemaakt dat een

dergelijke ontvangstplicht zou gelden.

Verweerder is van mening dat de noodzaak van een algemene

ontvangstplicht voor onderhoudsspecie voldoende vaststaat en dat

artikel 15 derhalve terecht in de keur is opgenomen. Verweerder

heeft in dat verband geconstateerd dat de bezwaren van eisers

geen betrekking hebben op de verplichting op zich, maar zich

richten tegen de toepassing daarvan in een bepaalde situatie, te

weten bij ecologische verbindingszones. Naar de mening van

verweerder zijn die bezwaren echter niet aan de orde. De afweging

hoe in de praktijk in een concreet geval door het waterschap met de

ontvangstplicht wordt omgegaan is primair een taak van het

bestuur van het waterschap. De beoordeling hiervan valt buiten de

bevoegdheid van verweerder ex art. 153 Waterschapswet.

Namens het waterschap is gesteld dat in de onderhavige zaak de

keur centraal staat en niet het door het waterschap gevoerde beleid

met betrekking tot ecologische verbindingszones. Het Rijk heeft in

het kader van de ruilverkaveling Opsterland gronden aangekocht

en deze als ecologische verbindingszone ingericht. Het waterschap

heeft op grond van zijn taakopvatting besloten eigendom, beheer

en onderhoud van die zones op zich te nemen. In de bij de keur

behorende toelichting is aangegeven dat het waterschap in

gevallen dat de ontvangstplicht onevenredig zwaar is kan besluiten

de specie zelf af te voeren of een vergoeding toe te kennen. Op dit

moment wordt onderzoek verricht naar de omvang van de

hoeveelheid specie die bij ecologische verbindingszones vrijkomt.

Op grond van de resultaten van dat onderzoek zal het waterschap

beslissen of al dan niet sprake is van een onevenredige belasting

van de aanliggende eigenaren.

In rechte

Ingevolge het bepaalde in art. 8:2 aanhef en onder a van de

Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden inge-

steld tegen een besluit inhoudende een algemeen verbindend

voorschrift of een beleidsregel. In art. 155 Waterschapswet is

evenwel bepaald dat, in afwijking van voornoemd artikel, beroep

kan worden ingesteld tegen een besluit van gedeputeerde staten

ingevolge art. 153 lid 1 aanhef en onder a of c Waterschapswet.

Laatstgenoemd artikel heeft betrekking op besluiten van een

waterschap inzake de vaststelling of wijziging van een keur. Gelet

hierop kunnen eisers ontvankelijk worden verklaard in hun beroep

tegen de onderhavige besluiten.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de bestreden

besluiten, voor zover aangevochten, in rechte stand kunnen

houden.

Het beroep tegen de keur van het voormalig waterschap Het

Koningsdiep, zoals vastgesteld bij besluit van 25 april 1996

De rechtbank stelt vast dat bij besluit van het voorlopig

algemeen bestuur van het Waterschap Sevenwolden (het water-

schap) van 3 januari 1997 onder meer de bestaande keur en Staat

der werken van het voormalig waterschap Het Koningsdiep is

ingetrokken.

Gelet hierop dient de vraag te worden beantwoord of, en zo ja in

hoeverre, eisers nog belang heeft bij een beoordeling van hun

beroep door de rechtbank. Ter zitting hebben eisers gesteld dat

hun belang zich beperkt tot de proceskosten verbonden aan het

onderhavige beroep.

De rechtbank acht de vraag of een proceskostenveroordeling moet

worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoude-

lijke beoordeling van het beroep over te gaan. Art. 8:75 Awb stelt

immers niet als eis dat de partij die in de proceskosten wordt

beoordeeld in het ongelijk is gesteld.

Het beroep van eisers dient derhalve niet-ontvankelijk te worden

verklaard.

De rechtbank acht voorts geen termen aanwezig verweerder te

veroordelen in proceskosten van eisers. De intrekking van het

onderhavige besluit heeft immers geen enkele relatie met de door

eisers in beroep aangevoerde gronden. Bovendien hebben eisers

exact dezelfde gronden aangevoerd tegen het besluit van het

waterschap van 20 november 1996.

Het beroep tegen de keur van het waterschap Sevenwolden, zoals

vastgesteld bij besluit van 20 november 1996.

Het beroep van eisers richt zich tegen het bepaalde in art. 15 van

de keur. Dit artikel luidt als volgt:

"1. Op percelen, gelegen aan wateren, waarvan het onderhoud

geschiedt door of onder toezicht van het waterschap moet de

specie worden ontvangen, die tot behoorlijk onderhoud ten

behoeve van de af- en/of aanvoer uit die wateren wordt verwijderd.

2. De eigenaren van gronden, gelegen aan wateren, zijn ver-

plicht de specie, die tot behoorlijk onderhoud ten behoeve van de

af- en/of aanvoer uit de wateren door of onder toezicht van het

waterschap of door henzelf uit die wateren is verwijderd,

minstens 5 meter van die wateren te verwijderen binnen een

door het bestuur te stellen termijn."

Het bezwaar van eisers tegen deze bepaling komt er op neer

-kort gezegd- dat de uit dat artikel voortvloeiende algemene ont-

vangsplicht voor maai- en baggerspecie uit watergangen tot gevolg

heeft dat hij, als eigenaar van aangrenzende percelen, ook specie

afkomstig uit ecologische verbindingszones dient te ontvangen –

hetgeen (extra) kosten met zich meebrengt- terwijl beheer en

onderhoud van die zones niet tot de wettelijke taken van het

waterschap behoren. In de visie van eisers zou art. 15 zo dienen te

worden geformuleerd dat specie afkomstig uit die ecologische

zones van de algemene ontvangstplicht wordt uitgezonderd.

De rechtbank stelt voorop dat met het in werking treden van de

Waterschapswet op 1 januari 1992 (Stb. 1991, 702) geen uit-

breiding van de wettelijke taken van het waterschap heeft

plaatsgevonden. Blijkens het bepaalde in art. 1 Waterschapswet

kan het waterschap alleen belast worden met taken, die de

waterstaatkundige verzorging van een gebied betreffen. Hoofd-

taken zijn de zorg voor de waterkering en de waterhuishouding en

daarnaast de zorg voor één of meer andere waterstaatsaange

legenheden zoals die van (vaar-)wegen. Wel heeft zich verande-

ring voorgedaan in de wijze waarop het waterschap haar taken

dient te vervullen. Zo is bij de parlementaire behandeling van de

Waterschapwet de zogenoemde brede kijk waarmee de waterbe-

heerder zijn taak zou dienen uit te oefenen aan de orde geweest

en door de Kamer ondersteund. De aandacht van de waterbeheer-

der richt zich daarbij niet meer uitsluitend op het water zelf, maar

ook op de relevante omgeving daarvan. Daarbij zal recht gedaan

moeten worden aan relaties van het waterbeheer met andere

beleidsterreinen, waaronder die van natuur- en milieubeheer.

Genoemde "brede kijk" laat evenwel onverlet dat -voor zover

aanleg, inrichting, beheer en onderhoud van ecologische verbin-

dingszones louter een functie hebben voor de natuur- die activi-

teiten niet zien op de waterstaatkundige verzorging van een gebied

en derhalve ook niet tot de primaire wettelijke taakopdracht van het

waterschap kunnen worden gerekend danwel dienstig aan die

taakopdracht kunnen worden geacht. Het komt de rechtbank dan

ook voor dat in dat geval de aan het onderhoud van die zones

verbonden (extra) kosten niet voor rekening kunnen worden

gebracht van de eigenaren van de aangrenzende percelen, maar

dat die kosten door het waterschap zelf dienen

te worden gedragen.

Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat de noodzaak van een

bepaling waarin de algemene ontvangsplicht voor onderhouds-

specie is opgenomen buiten twijfel is en dat een dergelijke bepaling

in een keur node gemist kan worden. Bovendien richten de

bezwaren van eisers zich niet tegen de algemene ontvangstplicht

op zich maar tegen de toepassing van die plicht in een concreet

geval. Hoe het waterschap in het geval van specie afkomstig uit

ecologische verbindingszones met die ontvangstplicht zal

omgaan, is afhankelijk van het onderhoudsregiem dat voor een

bepaalde watergang van toepassing is. Dit regiem vloeit op haar

buurt weer voort uit door verweerder ter zake vastgesteld beleid,

hetwelk buiten de kaders van het onderhavige beroep valt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat art. 15 van de keur de

belangen van eisers voorshands voldoende beschermt nu blijkens

de toelichting op dit artikel de hoeveelheid uitkomende specie voor

het waterschap aanleiding kan zijn de specie zelf af te voeren,

respectievelijk de veroorzaakte schade aan gronden te vergoeden,

voor zover ingevolge het bepaalde in art. 21 van de keur die

schade redelijkerwijs niet ten laste van de betrokken ingeland

kunnen blijven. In dat verband kan nog worden opgemerkt dat het

waterschap ingenieursbureau Oranjewoud opdracht heeft gegeven

onderzoek te doen naar de toename van de hoeveelheid

vrijkomende specie bij ecologische verbindingszones. De

rechtbank kan zich voorstellen dat, voor zover uit dat onderzoek

zou blijken van een duidelijke toename van specie uit die zones,

het waterschap aan hetgeen in de toelichting op art. 15 van de

keur is vermeld, uitvoering zal geven.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het

bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat het beroep van

eisers ongegrond dient te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van

een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 april 1998 niet-

ontvankelijk

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 november 1998

ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter en mrs. P.G.

Wijtsma en P. Schulting, rechters, en in het openbaar

uitgesproken op 19 augustus 1999 door voornoemde voorzitter in

tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

B.M. van der Doef C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger

beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere

belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13

juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes

weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief

(beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden

aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist

vindt.

Afschrift verzonden op: