Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:CA1155

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
15/740330-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zicht schuldig gemaakt aan een afpersing, samen met een ander, een poging tot afpersing en aan opzetheling. Op 6 maart 2012 spreekt verdachte met het slachtoffer af om diens Blackberry te kopen. Verdachte spreekt echter met [medeverdachte 1] af dat deze het slachtoffer zal beroven, zodat [medeverdachte 1] meteen van zijn schuld van € 15,- aan hem af is. Verdachte is bij deze beroving geraffineerd te werk gegaan. Hij spreekt met [medeverdachte 1] af, dat [medeverdachte 1] ook hem van zijn Blackberry zal beroven, zodat hij buiten schot en verdenking kan blijven. Verdachte en [medeverdachte 1] worden vervolgens naar Haarlem gebracht, waar verdachte met het slachtoffer heeft afgesproken. Verdachte ontmoet het slachtoffer en [medeverdachte 1] achtervolgt hen. Middels ping contact geeft verdachte aan wanneer [medeverdachte 1] moet toeslaan. De uitvoering verloopt volgens dit door verdachte uitgedachte plan. Het slachtoffer was verbaasd hoe rustig verdachte reageerde op de straatroof en vermoedde al dat deze van meer wist. Vier dagen later wil verdachte weer een straatroof plegen. Met twee auto's rijden ze van Heemskerk naar Castricum. Op de Rijksstraatweg stoppen ze. Verdachte stapt uit, krijgt van [medeverdachte 3] een pistool en wacht tot hij een geschikt slachtoffer ziet. Als twee jongens na het uitgaan naar huis fietsen, zien ze ineens verdachte voor zich staan met getrokken pistool en roepend dat hij geld wil. De slachtoffers laten zich echter niet beroven en geven verdachte klappen, waardoor de straatroof mislukt. Dit zijn beide zeer ernstige feiten die voor de slachtoffers traumatische gevolgen kunnen hebben, ook op langere termijn. Uit de toelichting op het formulier vordering benadeelde partij inzake laatstgenoemde poging straatroof blijkt ook dat dit daadwerkelijk het geval is. Het gemak waarmee daartoe wordt overgegaan, getuigt ook van zeer weinig empathie voor de slachtoffers, bovendien is verdachte enkel en alleen gericht geweest op het behalen van eigen voordeel, zonder respect voor andermans eigendommen. Daar komt bij dat met name bij de eerste afpersing sprake is van geraffineerd handelen door verdachte, waarbij hij slechts oog heeft gehad voor het incasseren van een kleine schuld die [medeverdachte 1] bij hem had. Voor het in feite luttele bedrag van € 15,- jaagt hij samen met [medeverdachte 1] een jong slachtoffer de stuipen op het lijf en angst om het hart door deze volgens voormeld plan van zijn Blackberry te beroven. Ondanks de tegenwoordigheid van geest die het jonge slachtoffer bij deze afpersing ten toon spreidde in een poging de beroving te voorkomen, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] de uitvoering van het plan doorgezet en is de beroving door met een wapen op het hoofd van het slachtoffer te richten en vervolgens met kracht daarmee tegen het hoofd te duwen uiteindelijk ook gelukt. De rechtbank neemt verdachte dit handelen zeer kwalijk. Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan opzetheling. [medeverdachte 2] had spullen uit auto's gestolen en gaf deze aan verdachte om te verkopen. Verdachte wist toen hij de spullen kreeg dat deze van diefstal afkomstig is. Opzetheling is een ernstig feit, omdat hiermee de afzet van gestolen goederen in stand wordt gehouden en daarmee ook diefstallen voor de plegers daarvan lucratief blijven, hetgeen weer de nodige overlast en gevoelens van onveiligheid voor de gedupeerden met zich meebrengt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740330-12

Uitspraakdatum: 21 december 2012

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 4 en 7 december 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.G. Hendriks en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 6 maart 2012 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon (merk Blackberry), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft/hebben getoond en/of (vervolgens) heeft/hebben doorgeladen en/of

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geplaatst en/of

- (meermalen) tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd "Geef mij je Blackberry",

althans woorden van gelijke aard/strekking, en/of

- (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geduwd;

feit 2:

hij op of omstreeks 10 maart 2012 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gericht en/of aan hen heeft getoond en/of waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zei/zeiden "Geef je geld, geef je portemonnee, anders schiet ik je neer" en/of "Zakken legen", althans woorden van gelijke dreigende aard/strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 maart 2012 te Heemskerk, in elk geval in Nederland, een of meerdere autoradio('s) en/of navigatiesyste(e)m(en),(waaronder een VDO Dayton, type MS 4200) en/of een of

meerdere zonnebril(len) en/of een of meerdere creditcard(s) en/of een of meerdere bankpas(sen) en/of een rijbewijs, waarvan sommigen/welke allen op naam van [slachtoffer 4] stonden, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

feit 1:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 6 maart 2012 van aangever [slachtoffer 1] (dossierpagina 859 - 861);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 23 maart 2012 van medeverdachte [medeverdachte 1] (dossierpagina 183/184);

feit 2:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd

- het in wettelijke vorm opgemaakt proces verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2012 van aangever [slachtoffer 2] (dossierpagina 1482);

- het in wettelijke vorm opgemaakt proces verbaal van aangifte d.d. 12 maart 2012 van aangever [slachtoffer 3] (dossierpagina 1411);

feit 3:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2012 van aangever [slachtoffer 4] (dossierpagina 1564/1565);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2012 (dossierpagina 1569);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor d.d. 2 mei 2012 van medeverdachte [medeverdachte 2] (dossierpagina 648 - 650).

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1:

hij op 6 maart 2012 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, merk Blackberry, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat zijn mededader,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer 1] heeft getoond en vervolgens heeft doorgeladen en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geplaatst en

- meermalen tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd "Geef mij je Blackberry" en

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geduwd.

feit 2:

hij op 10 maart 2012 te Heemskerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van hun geld en/of goederen, toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gericht en aan hen heeft getoond en waarbij verdachte zei "Geef je geld, geef je portemonnee, anders schiet ik je neer", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3:

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 maart 2012 te Heemskerk, meerdere autoradio's en/of navigatiesystemen en een zonnebril en een creditcard en meerdere bankpassen en een rijbewijs, waarvan sommigen op naam van [slachtoffer 4] stonden, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van die goederen wist, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: afpersing terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

feit 2: poging tot afpersing

feit 3: opzetheling

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en met aftrek van voorarrest. Aan de proeftijd dient de bijzondere voorwaarde te worden gekoppeld dat verdachte zal meewerken aan het opstellen van een psychologisch rapport dat tot doel heeft de mogelijkheden tot behandeling en/of begeleiding te inventariseren. Tevens zal verdachte zich gedurende 2 jaar moeten houden aan de aanwijzingen van de reclassering ook indien dat inhoudt dat verdachte een meldingsplicht krijgt en/of een behandeling, al dan niet intramuraal.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de hieronder opgesomde rapportages is gebleken:

- het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 1 maart 2010, opgesteld door drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog;

- het beknopte reclasseringsrapport van GGZ Palier Haarlem d.d. 30 maart 2012, opgesteld door E. Bonke, reclasseringswerker;

- het reclasseringsrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 26 september 2012, opgesteld door E. Brinkman en J. Groen, reclasseringswerkers;

- consultbrief d.d. 30 november 2012 van drs. S.C.J. Frehe, forensisch psychiater.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zicht schuldig gemaakt aan een afpersing, samen met een ander, een poging tot afpersing en aan opzetheling. Op 6 maart 2012 spreekt verdachte met het slachtoffer af om diens Blackberry te kopen. Verdachte spreekt echter met [medeverdachte 1] af dat deze het slachtoffer zal beroven, zodat [medeverdachte 1] meteen van zijn schuld van € 15,- aan hem af is. Verdachte is bij deze beroving geraffineerd te werk gegaan. Hij spreekt met [medeverdachte 1] af, dat [medeverdachte 1] ook hem van zijn Blackberry zal beroven, zodat hij buiten schot en verdenking kan blijven. Verdachte en [medeverdachte 1] worden vervolgens naar Haarlem gebracht, waar verdachte met het slachtoffer heeft afgesproken. Verdachte ontmoet het slachtoffer en [medeverdachte 1] achtervolgt hen. Middels ping contact geeft verdachte aan wanneer [medeverdachte 1] moet toeslaan. De uitvoering verloopt volgens dit door verdachte uitgedachte plan. Het slachtoffer was verbaasd hoe rustig verdachte reageerde op de straatroof en vermoedde al dat deze van meer wist.

Vier dagen later wil verdachte weer een straatroof plegen. Met twee auto's rijden ze van Heemskerk naar Castricum. Op de Rijksstraatweg stoppen ze. Verdachte stapt uit, krijgt van [medeverdachte 3] een pistool en wacht tot hij een geschikt slachtoffer ziet. Als twee jongens na het uitgaan naar huis fietsen, zien ze ineens verdachte voor zich staan met getrokken pistool en roepend dat hij geld wil. De slachtoffers laten zich echter niet beroven en geven verdachte klappen, waardoor de straatroof mislukt.

Dit zijn beide zeer ernstige feiten die voor de slachtoffers traumatische gevolgen kunnen hebben, ook op langere termijn. Uit de toelichting op het formulier vordering benadeelde partij inzake laatstgenoemde poging straatroof blijkt ook dat dit daadwerkelijk het geval is. Het gemak waarmee daartoe wordt overgegaan, getuigt ook van zeer weinig empathie voor de slachtoffers, bovendien is verdachte enkel en alleen gericht geweest op het behalen van eigen voordeel, zonder respect voor andermans eigendommen.

Daar komt bij dat met name bij de eerste afpersing sprake is van geraffineerd handelen door verdachte, waarbij hij slechts oog heeft gehad voor het incasseren van een kleine schuld die [medeverdachte 1] bij hem had. Voor het in feite luttele bedrag van € 15,- jaagt hij samen met [medeverdachte 1] een jong slachtoffer de stuipen op het lijf en angst om het hart door deze volgens voormeld plan van zijn Blackberry te beroven. Ondanks de tegenwoordigheid van geest die het jonge slachtoffer bij deze afpersing ten toon spreidde in een poging de beroving te voorkomen, heeft verdachte samen met [medeverdachte 1] de uitvoering van het plan doorgezet en is de beroving door met een wapen op het hoofd van het slachtoffer te richten en vervolgens met kracht daarmee tegen het hoofd te duwen uiteindelijk ook gelukt. De rechtbank neemt verdachte dit handelen zeer kwalijk.

Daarnaast heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan opzetheling. [medeverdachte 2] had spullen uit auto's gestolen en gaf deze aan verdachte om te verkopen. Verdachte wist toen hij de spullen kreeg dat deze van diefstal afkomstig is. Opzetheling is een ernstig feit, omdat hiermee de afzet van gestolen goederen in stand wordt gehouden en daarmee ook diefstallen voor de plegers daarvan lucratief blijven, hetgeen weer de nodige overlast en gevoelens van onveiligheid voor de gedupeerden met zich meebrengt.

6.3. Hoofdstraf

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Een recent Pro Justitia rapport is door omstandigheden niet opgemaakt. In overleg met de verdediging en de officier van justitie heeft de rechtbank de inhoud van een eerder omtrent verdachte opgemaakt Pro Justitia rapport naar aanleiding van psychologisch onderzoek, bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van verdachte betrokken.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 1 maart 2010 blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een gedragsstoornis waarbij er een risico is op doorontwikkeling van een cluster B persoonlijkheidsstoornis. Tevens is er sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD. Verdachte heeft een laaggemiddelde tot beneden gemiddelde intelligentie. Sinds zijn 11e jaar vertoont hij in toenemende mate probleemgedrag. Verdachte kan worden omschreven als een extravert gerichte, egozwakke jongeman, bij wie sprake is van een geringe frustratietolerantie en impulscontrole, een beperkt inlevingsvermogen en lacunaire gewetensfuncties. Verdachte vertoont norm- en grensoverschrijdend gedrag en kampt met aandachtsproblemen. Gesproken kan worden van agressieregulatieproblematiek. Verdachte is een spanningszoeker. Hij heeft een hedonistische en materialistische instelling. Hij heeft weinig zicht op eigen en andermans grenzen en overschrijdt deze met regelmaat. Verdachte heeft een kwetsbaar zelfbeeld, waarbij hij ter compensatie neigt zichzelf te overschatten. Hij beschikt niet over gedifferentieerde en specifieke copingsvaardigheden wanneer hij geconfronteerd wordt met problemen.

Voor het feit ten aanzien waarvan dit rapport destijds was opgemaakt wordt geadviseerd verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De kans op recidive zonder behandeling werd als hoog ingeschat. Verdachte was echter niet gemotiveerd voor behandeling.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank geen ander beeld van verdachte gekregen dan uit voormeld rapport naar voren komt. De rechtbank kan zich dan ook met de conclusie van dit rapport verenigen, en maakt die tot de hare.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf ermee rekening houden dat verdachte voor alle feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden.

Uit het reclasseringsrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 26 september 2012, blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende.

Verdachte staat door de vele vermogens- en geweldsdelicten die hij heeft gepleegd, geregistreerd als veelpleger. Hij minimaliseert zijn eigen aandeel en bagatelliseert de ernst van de delicten. Eerdere ingezette interventies hebben niet tot de gewenste gedragsverandering geleid. Verdachte ziet de ernst van zijn problemen niet en is niet bij machte om zelf gedragsverandering in te zetten. Verdachte ziet wat de gevolgen van het nuttigen van alcohol bij hem zijn, maar is niet van plan te stoppen met het drinken van alcohol. Het afstand houden van de 'verkeerde vrienden', lukt hem niet. Uit het in 2010 uitgebrachte Pro Justitia rapport blijkt dat bij verdachte al sprake was van een gedragsstoornis, die zich mogelijk kon doorontwikkelen in een persoonlijkheidsstoornis en omdat het grensoverschrijdende gedrag zich sindsdien heeft voortgezet, acht de reclassering een nieuw uitgebreid psychologisch onderzoek geïndiceerd. Het recidive risico wordt als hoog ingeschat. Verdachte is niet gemotiveerd voor reclasseringstoezicht. De reclassering wacht met het uitbrengen van een advies tot het pro justitia rapport gereed is.

Ter terechtzitting heeft de heer Van Houwelingen, reclasseringswerker, aangegeven dat de reclassering liever had gezien dat verdachte onderzocht was, zodat de juiste interventies konden worden ingezet om recidive te voorkomen. Hiervoor is namelijk recente diagnostiek nodig. Gelet op de zwaarte van de problematiek is waarschijnlijk een klinische behandeling noodzakelijk. Ambulante behandeling is geprobeerd, maar daar had verdachte geen vertrouwen in. De reclassering kan bij verdachte niet uit de voeten met een kaal toezicht en kan dan ook op dit moment niets adviseren om recidive te beperken.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie, d.d 4 juni 2012 reeds eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet gelet op het door de reclassering ter terechtzitting uitgebrachte advies alsmede de houding en uitspraken van verdachte, zowel ter terechtzitting als in gesprekken met de reclasseringswerkers, geen mogelijkheden verdachte in een juridisch kader, zoals door de officier van justitie voorgestaan, behandeling te laten ondergaan. Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank daarmee derhalve geen rekening behoeven te houden, zoals dat ten aanzien van een aantal verdachten in het dossier wel het geval is geweest.

Het door de raadsvrouw genoemde LOVS-oriëntatiepunt van 6 maanden ziet op een straatroof van een first offender met licht geweld of verbale bedreiging. Daarvan is in beide onderhavige feiten geen sprake. Beide keren zijn de slachtoffers immers bij de straatroof of de poging daartoe met een niet van echt te onderscheiden neppistool bedreigd, bovendien is er sprake van recidive.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2750,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank komt een vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank komt een vergoeding van de gestelde immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachten dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging afpersing] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

De benadeelde partij [betrokkene] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 925,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit het gestolen navigatiesysteem.

De rechtbank is van oordeel dat de schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3 bewezen verklaarde feit en benadeelde partij daarom niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 312, 317, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig (21) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zeven (7) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 3], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [betrokkene] niet-ontvankelijk in de vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Ph. Burgers, voorzitter,

mr. W.J. van Andel en mr. A.L. Diender, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. I. Hermans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2012.