Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ9294

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
02-05-2013
Zaaknummer
15/700123-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; ontslag van alle rechtsvervolging; ongewenst vreemdeling.

Uit de beschikking van 8 maart 2012 waarbij aan verdachte een inreisverbod is opgelegd blijkt dat de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van oordeel is dat verdachte bij uitzetting naar Somalië een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Minister heeft zich daarbij gebaseerd op het WBV 2011/13. Verdachte zal om die reden niet door de Nederlandse overheid worden uitgezet naar Somalië, aldus de beschikking van 8 maart 2012. In aansluiting hierop heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat haar cliënt niet uitzetbaar is, niet naar Somalië en ook niet naar een ander land. Gelet op het bovenstaande en nu het bewezen verklaarde feit dateert van 21 februari 2012, en de situatie in Somalië alsdan niet anders zal zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij op 21 februari 2012 als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleef. De rechtbank acht verdachte dan ook niet strafbaar en zal hem te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700123-12

Uitspraakdatum: 6 juli 2012

Tegenspraak (279 Sv)

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juni 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Somalië),

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2012 te Haarlem, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie

Ongewenstverklaring inmiddels opgeheven

De officier van justitie heeft primair gerekwireerd tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte, omdat de ongewenstverklaring van verdachte bij besluit van 8 maart 2012 is opgeheven. Dit besluit heeft naar de opvatting van de officier van justitie terugwerkende kracht. Het Openbaar Ministerie is, gelet hierop, lichtvaardig tot vervolging overgegaan, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Bij beschikking van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 8 maart 2012 is aan verdachte ingevolge artikel 66a (nieuw) van de Vreemdelingenwet 2000 een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren, gerekend vanaf het tijdstip dat verdachte Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Bij separate beschikking van dezelfde datum is het door verdachte ingediende bezwaarschrift tegen de beschikking tot zijn ongewenstverklaring van 1 juni 2011 gegrond verklaard en is de ongewenstverklaring van verdachte opgeheven.

Aan de besluiten van 8 maart 2012 is ten grondslag gelegd dat de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU L 348/98) (hierna: de Terugkeerrichtlijn) per 31 december 2011 is gewijzigd. In de beschikkingen van 8 maart 2012 wordt overwogen dat de eerder aan betrokkene opgelegde maatregel van ongewenstverklaring eenzelfde strekking heeft als het "heden aan betrokkene op te leggen inreisverbod".

Uit de bewoordingen van de beschikkingen maakt de rechtbank op dat, kennelijk met het doel het besluit in overeenstemming te brengen met de Terugkeerrichtlijn en de daaruit voortvloeiende nieuwe wetgeving, de (niet in tijd beperkte) ongewenstverklaring van verdachte is vervangen door een (in tijd beperkt) inreisverbod. Anders dan de officier van justitie meent, valt uit de beschikkingen van 8 maart 2012 naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden dat de ongewenstverklaring van verdachte met terugwerkende kracht (tot 1 juni 2011) is opgeheven.

Nu aan verdachte wordt verweten het ten laste gelegde feit (overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht) op 21 februari 2012 te hebben gepleegd, en op die datum de ongewenstverklaring nog van kracht was, deelt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie dat het Openbaar Ministerie lichtvaardig tot vervolging is overgegaan, niet. Er bestaat dan ook geen aanleiding het Openbaar Ministerie om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.

Ongewenstverklaring in strijd met de Terugkeerrichtlijn?

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op haar beurt op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard omdat de op 1 juni 2011 aan verdachte opgelegde maatregel van ongewenstverklaring in strijd is met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, omdat aan de ongewenstverklaring geen termijn is verbonden. Dat de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 8 maart 2012 aan verdachte, onder gelijktijdige opheffing van de ongewenstverklaring, een inreisverbod voor de duur van tien jaren heeft opgelegd, duidt er volgens de raadsvrouw op dat ook de Minister van oordeel is dat de ongewenstverklaring van verdachte niet voldeed aan de voorwaarden van de Terugkeerrichtlijn. Verdachte wordt derhalve vervolgd wegens (kort samengevat) handelen in strijd met een hem opgelegde ongewenstverklaring waarvan de onrechtmatigheid vaststaat. Dit moet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leiden, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt.

De Nederlandse wetgever heeft de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd middels de Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 ter implementatie van voormelde richtlijn. Op 31 december 2011 is deze wet in werking getreden. De datum van het ten laste gelegde feit, te weten 21 februari 2012, is hierna gelegen.

De vraag rijst of na omzetting van de Terugkeerrichtlijn in nationaal recht nog plaats is voor een toetsing aan de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De Nederlandse strafrechter moet volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld de zaak Von Colsen, HvJ 10 april 1984, C-14/83, Jur. 1984, p. 1891) bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerder of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van een op het betrokken gebied geldende richtlijn, teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken.

Een ongewenstverklaring moet, gelet op haar rechtsgevolgen, worden aangemerkt als een inreisverbod. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn moet de duur van het inreisverbod met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het individuele geval, worden bepaald, en bedraagt deze in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Met betrekking tot de termijnen genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn overweegt de rechtbank allereerst dat deze bepaling niet vermeldt met ingang van welk moment de duur van het inreisverbod gaat lopen. De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de term 'inreisverbod' met zich brengt dat de betreffende termijn gaat lopen nadat een vreemdeling het grondgebied van Nederland heeft verlaten. Ook de wetgever is hiervan uitgegaan; blijkens artikel 66a (nieuw), vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt de duur van het inreisverbod berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat aan de ongewenstverklaring van verdachte bij beschikking van 1 juni 2011 geen termijn is verbonden, op zichzelf niet de conclusie kan rechtvaardigen dat - met het verstrijken van de implementatietermijn - sprake is van strijd met de Terugkeerrichtlijn. Het gaat er naar het oordeel van de rechtbank om dat aan verdachte, vanaf het moment waarop de duur van zijn inreisverbod ingaat (zijnde het moment dat hij Nederland daadwerkelijk verlaat), niet langer de mogelijkheid van rechtmatig verblijf wordt ontzegd dan artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn toestaat.

Gesteld noch gebleken is dat verdachte na zijn ongewenstverklaring per 1 juni 2011 Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. De ongewenstverklaring van verdachte heeft dan ook niet geresulteerd in een situatie die strijdig is met de bewoordingen en het doel van de Terugkeerrichtlijn.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat van onrechtmatigheid van de ongewenstverklaring van verdachte geen sprake is. Het verweer van de raadsvrouw faalt dan ook.

De rechtbank acht het Openbaar Ministerie, ook overigens, ontvankelijk in de vervolging.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 21 februari 2012 is verdachte op de Gedempte Oude Gracht te Haarlem staande gehouden omdat hij dronken was. Verdachte kon geen legitimatiebewijs tonen. Uit navraag bij de vreemdelingenpolitie bleek dat verdachte gesignaleerd stond als ongewenst vreemdeling.2 Verdachte is bij besluit van 1 juni 2011 op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard.3 Dit besluit is op 27 juni 2011 aan verdachte in persoon uitgereikt, waarbij de strekking van het besluit met de hulp van een tolk in een voor verdachte begrijpelijke taal is meegedeeld.4 Verdachte heeft tijdens zijn verhoren verklaard dat hij wist dat hij ongewenst was verklaard.5

3.2. Standpunt van de officier van justitie m.b.t. het bewijs

De officier van justitie heeft subsidiair gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit, omdat de ongewenstverklaring van verdachte bij beschikking van 8 maart 2012 met terugwerkende kracht zou zijn opgeheven. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor met betrekking tot de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft overwogen, zal de rechtbank de officier van justitie hierin niet volgen.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 21 februari 2012 te Haarlem als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen aan verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Uit de beschikking van 8 maart 2012 waarbij aan verdachte een inreisverbod is opgelegd blijkt dat de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van oordeel is dat verdachte bij uitzetting naar Somalië een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, zoals bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De Minister heeft zich daarbij gebaseerd op het WBV 2011/13. Verdachte zal om die reden niet door de Nederlandse overheid worden uitgezet naar Somalië, aldus de beschikking van 8 maart 2012. In aansluiting hierop heeft de raadsvrouw van verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat haar cliënt niet uitzetbaar is, niet naar Somalië en ook niet naar een ander land.

Gelet op het bovenstaande en nu het bewezen verklaarde feit dateert van 21 februari 2012, en de situatie in Somalië alsdan niet anders zal zijn geweest, is de rechtbank van oordeel dat verdachte redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij op 21 februari 2012 als ongewenst vreemdeling in Nederland verbleef. De rechtbank acht verdachte dan ook niet strafbaar en zal hem te dier zake ontslaan van alle rechtsvervolging.

6. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J. Kronenberg, voorzitter,

mr. S. Jongeling en mr. K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.M.W. Martens,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 juli 2012.

mr. K.G. Witteman en mr. A.M.W. Martens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 februari 2012 (dossierpagina 8 e.v.).

3 Een schriftelijk stuk, te weten een besluit tot ongewenstverklaring d.d. 1 juni 2011 (dossierpagina 14 e.v.).

4 Een schriftelijk stuk, te weten een uitreikingsblad d.d. 27 juni 2011 (dossierpagina 13).

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 22 februari 2010 (dossierpagina 22 e.v.) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte (inbewaringstelling) door de rechter-commissaris d.d. 24 februari 2010.