Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ7084

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
15/710381-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkort strafvonnis; overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994; verweer met betrekking tot overmacht in de zin van noodtoestand verworpen; conflict van plichten verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710381-08

Uitspraakdatum: 20 september 2012

Tegenspraak

Verkort strafvonnis (artikel 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 september 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

Postadres [adres],

Wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 31 augustus 2008 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (politiebus), daarmede rijdende over de weg, de Schalkwijkerstraat en/of vervolgens over de kruising van de Schalkwijkerstraat met de Lange Herenvest/Herensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,te rijden, immers is zij,

terwijl het voertuig dat zij bestuurde op dat moment geen voorrangsvoertuig was als bedoeld in artikel 29 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, en/of

terwijl zij reed met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

genoemde kruising genaderd en/of opgereden en/of vervolgens is zij op die kruising een in haar rijrichting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht gepasseerd en/of heeft zij dat verkeerslicht genegeerd

daarbij en/of vervolgens heeft zij haar aandacht niet bij het verkeer gehouden,

waardoor zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en deze vrij was,

waarna en/of (mede) waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen het door haar bestuurde motorrijtuig en een op haar rijbaan kruisend fietspad/fietsoversteek bij groen licht overstekende fietsster, genaamd [slachtoffer],

waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken been, werd toegebracht, althans zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair

zij op of omstreeks 31 augustus 2008 te Haarlem als bestuurder van een voertuig (politiebus), daarmee rijdende op de weg, de Schalkwijkerstraat en/of vervolgens over de kruising van de Schalkwijkerstraat met de Lange Herenvest/Herensingel,

terwijl het voertuig dat zij bestuurde op dat moment geen voorrangsvoertuig was als bedoeld in artikel 29 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, en/of

terwijl zij reed met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

genoemde kruising is genaderd en/of opgereden en/of vervolgens is zij op die kruising een in haar rijrichting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht gepasseerd en/of

daarbij en/of vervolgens heeft zij haar aandacht niet bij het verkeer gehouden,

waardoor zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en deze vrij was,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit;

- oplegging van een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 50 uren, met een proeftijd van negen maanden, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte binnen 6 maanden een bedrag van € 500,- overmaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van stichting [stichting].

4. Bewijs

4.1. Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.2. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

Primair

zij op 31 augustus 2008 te Haarlem als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (politiebus), daarmede rijdende over de weg, de Schalkwijkerstraat en vervolgens over de kruising van de Schalkwijkerstraat met de Lange Herenvest/Herensingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, te rijden, immers is zij,

terwijl het voertuig dat zij bestuurde op dat moment geen voorrangsvoertuig was als bedoeld in artikel 29 lid 1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, en terwijl zij reed met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse, genoemde kruising genaderd en opgereden en vervolgens is zij op die kruising een in haar rijrichting gekeerd rood licht uitstralend verkeerslicht gepasseerd en heeft zij dat verkeerslicht genegeerd daarbij en vervolgens heeft zij haar aandacht niet bij het verkeer gehouden, waardoor zij het door haar bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en deze vrij was, waarna en waardoor een aanrijding of botsing ontstond tussen het door haar bestuurde motorrijtuig en een op haar rijbaan kruisend fietspad/fietsoversteek bij groen licht overstekende fietsster, genaamd [slachtoffer], waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een gebroken been, werd toegebracht.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Verweer: overmacht in de zin van noodtoestand

Door de verdediging is bepleit dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging, aangezien haar een beroep op overmacht in de zin van noodtoestand toekomt. De verdediging heeft daartoe - zakelijk samengevat - het volgende gesteld.

Er was sprake van een conflict van plichten. Enerzijds had verdachte de plicht om de verkeersregels na te leven, anderzijds had zij de plicht zo snel mogelijk het traumapersoneel op te vangen en naar de plek van het ongeluk te brengen. Verdachte heeft binnen dat conflict van plichten de keuze gemaakt het traumapersoneel zo snel mogelijk op te vangen. Zij had daarbij aldus een dringende reden om door het rode licht te rijden, ook al had zij de geluidssignalen ten tijde van het ongeval uit, waardoor zij niet aangemerkt kon worden als voorrangsvoertuig. Volgens het geldende protocol was overigens toestemming voor het voeren van optische en geluidssignalen niet vereist, aangezien het standaard werkwijze is om bij het ophalen van trauma-personeel PRIO I te rijden.

Verdachte heeft voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, nu iedere seconde die het traumapersoneel eerder aanwezig is op de plek van het ongeval, de overlevingskansen van de gewonde vergroot.

Eveneens is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit. Verdachte had eerder op de dag aangegeven niet te kunnen invallen, daar zij (onervaren) studenten bij zich had. De nood was echter dusdanig hoog aangezien er geen (politie)busjes meer aanwezig waren, en verdachte op dat moment als enige de beschikking over een politiebus had. Bovendien heeft verdachte voorzichtig gereden, daar zij de kruising met een snelheid van 20 tot 30 km per uur is genaderd. Die snelheid zou in het normale geval voldoende zijn geweest om nog op tijd te kunnen stoppen, echter verdachte kon zich niet volledig met het verkeer bezig houden, omdat zij alles tegelijkertijd en alleen moest doen.

Tevens merkt de verdediging op dat wanneer verdachte niet met de studenten had gereden, het ongeluk nooit was gebeurd. Verdachte had dan nooit (zelf) de geluidssirenes aan/uit hoeven te zetten en de portofoons hoeven te bedienen. Ook had zij dan het slachtoffer eerder kunnen zien. Verdachte heeft het slachtoffer ook niet eerder gezien als gevolg van de aanwezigheid van een blauwe bestelbus die het zicht op de weg belemmerde. Daarbij komt dat fietsers bij de betreffende oversteekplaats gedeeltelijk verscholen zijn achter het hekwerk van de brug.

Aangaande dit verweer overweegt de rechtbank het volgende.

Op 31 augustus 2008 reed verdachte in een politiebus, waarbij zij twee studenten onder haar hoede had. Op een gegeven ogenblik respondeerde verdachte op een melding noodhulp te verlenen, daar er op dat moment geen andere politiebusjes beschikbaar waren. Er was een groot ongeluk gebeurd op de Schouwbroekerbrug waarbij een van de inzittenden bekneld zou zijn. Op dat moment waren de brandweer en een trauma helikopter al onderweg. De trauma artsen moesten nog naar de plaats van het ongeval vervoerd worden, aangezien de helikopter niet op de plek van het ongeval kon landen. Het geldende protocol bracht mee dat dit personeel door een busje vervoerd diende te worden.

Verdachte reed vanaf de Bakenessergracht met optische- en geluidssignalen. Zo reed verdachte over de Antoniestraat te Haarlem in de richting van de Schalkwijkerstraat. Bij de kruising Antoniestraat/Schalkwijkerstraat en de Lange Herenvest voerde zij op alleen optische signalen (te weten blauw zwaailicht), omdat het vanwege het open raam en gebruik van de porto begon te galmen in de auto. Terwijl zij de kruising opreed, wilde verdachte de geluidsignalen weer aanzetten en reikte daartoe naar het bedieningspaneel dat zich rechts van haar aan de passagierszijde bevond. Zij passeerde daarbij op dat moment een auto die voor het rode verkeerslicht stond en negeerde het rode verkeerslicht. Hierbij verleende zij, bij de kruising van het fietspad met de Schalkwijkerstraat geen voorrang aan een fietser die op dat moment groen licht had en via het fietspad de Schalkwijkerstraat overstak; een en ander resulteerde in het onderhavige ongeval.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte zonder meer een zwaarwegend belang wilde dienen, namelijk de assistentie bij het ongeval op de Schouwbroekerbrug met een bekneld slachtoffer, maar dat de verkeersveiligheid hieraan niet ondergeschikt is. Het feit dat verdachte op het moment van de melding van voornoemd ongeluk het enige beschikbare politiebusje bestuurde, maakt dit uitgangspunt niet anders. Van verdachte mag worden verwacht dat zij ook bij het dienen van voornoemd zwaarwegend belang de nodige oplettendheid en voorzichtigheid betracht.

Vaststaat dat verdachte vlak voor en ten tijde van de aanrijding in het busje reed zonder geluidssignalen. Verdachte had naar het oordeel van de rechtbank alvorens het rode stoplicht te negeren, naast de optische signalen tevens gebruik dienen te maken van geluidssignalen. Verdachte heeft op enig moment de keuze gemaakt de geluidssignalen uit te doen in plaats van de ramen te sluiten. Nu zij de geluidssignalen uit had staan, had van verdachte mogen worden verwacht dat zij de kruising met de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zou benaderen. Verdachte heeft dat nagelaten aangezien zij op dat moment besloot de geluidssignalen weer aan te zetten, waardoor zij haar aandacht niet meer bij het verkeer had, door het rode licht reed en in botsing kwam met een fietser. In de gegeven omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen de kruising stapvoets te naderen. Verdachte had een andere keuze dienen te maken, hetgeen verwacht mocht worden op grond van haar hoedanigheid van professionele verkeersdeelneemster. In zoverre is er dan ook geen sprake van een acuut belangenconflict in de zin van noodtoestand, aangezien verdachte anders had kunnen én behoren te handelen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank het verweer strekkende tot overmacht in de zin van noodtoestand verwerpt.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft, terwijl zij in uitoefening was van haar functie als politieambtenaar, een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij een destijds 15-jarig meisje is aangereden. Afgaand op een melding van een grote calamiteit heeft verdachte, terwijl zij bezig was met het bedieningspaneel in de politiebus, een rood verkeerslicht genegeerd, zonder op dat moment geluidssignalen te voeren. Met dit handelen heeft zij een zeker risico genomen dat er een ongeval zou ontstaan, welk risico zich ook verwezenlijkt heeft met als gevolg ernstig en langdurig letsel bij het slachtoffer, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring in samenhang met de door de raadsman van het slachtoffer ingediende stukken.

Voorts laat de rechtbank in haar beoordeling zwaar meewegen dat er geen enkele twijfel bestaat over de goede intenties van verdachte, die de uitoefening van haar taak als politieambtenaar zeer serieus neemt. Het was prijzenswaardig dat verdachte professionele bijstand heeft willen verlenen bij de calamiteit, maar tegelijkertijd had zij de verkeersveiligheid niet uit het oog moeten verliezen. Ook weegt de rechtbank in sterke mate mee dat de verdachte zeer gebukt gaat onder de gevolgen van het verkeersongeval, zoals zij in haar schrijven ten behoeve van de terechtzitting heeft aangegeven.

De rechtbank ziet, gelet op de ernst van het feit, geen reden om verdachte schuldig te verklaren zonder straf, zoals door de raadsvrouw is bepleit. Wel ziet de rechtbank, mede vanwege de omstandigheid dat het feit inmiddels dateert van vier jaar geleden, aanleiding aan verdachte een voorwaardelijke werkstraf, van te noemen duur, op te leggen. Daarbij acht de rechtbank het conform de vordering van de officier van justitie passend dat verdachte in het kader van de bijzondere voorwaarde, een geldbedrag van na te noemen hoogte dient te voldoen aan stichting [stichting].

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht.

Artikelen 6, 175 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

bepaalt dat het onder 4.2 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van vijftig (50) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door vijfentwintig (25) dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van negen maanden;

bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

- verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat zij binnen een periode van zes maanden een bedrag van € 500,- overmaakt op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting [stichting].

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Th.M. van Wassenaer-Westgeest, voorzitter,

mr. M.P.J. Ruijpers en mr. S.M. Christiaan, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2012.

mr. Van Wassenaer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.