Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ7078

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
15/800695-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; verweer met betrekking tot profile opdracht verworpen; verweer met betrekking tot ontbreken vermoeden van schuld verworpen; verweer met betrekking tot het testen van de verdovende middelen verworpen; bewijsoverweging met betrekking tot opzet; ten voordele van verdachte meegenomen dat verdachte heeft meegewerkt aan de onderkenning van de afhaler.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800695-12

Uitspraakdatum: 6 september 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Breda.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 30 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Bespreking verweer aangaande de wijze van verkrijging van het bewijsmateriaal

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw namens verdachte het volgende verweer gevoerd. De officier van justitie heeft met betrekking tot verdachte informatie verkregen, afkomstig uit een lopend onderzoek van de politie Amsterdam, op basis waarvan vervolgens een specifieke controle op verdachte is uitgevoerd. Hoewel deze informatie voor het Openbaar Ministerie onvoldoende was om een aanhouding buiten heterdaad te bevelen, kan de verdediging niet toetsen op welke wijze de politie Amsterdam gegevens met betrekking tot verdachte heeft verkregen, nu de desbetreffende op grond van artikel 126nd Sv vereiste specifieke machtiging in het dossier ontbreekt. Bij gebreke van informatie op grond waarvan de rechtmatigheid van de gegevensvergaring getoetst kan worden, moet het ervoor gehouden worden dat de informatie onrechtmatig is verkregen. Derhalve dient al het verkregen bewijsmateriaal in deze zaak als zijnde 'verboden vruchten' te worden uitgesloten van het bewijs. Cliënt dient dan ook te worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde dit punt op te helderen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit gevoerde verweer als volgt.

Door de Koninklijke Marechaussee (Kmar) te Schiphol was op 25 mei 2012 informatie over verdachte ontvangen, afkomstig van de informatie-unit Schiphol, welke informatie was verstrekt door de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en afkomstig uit een daar lopend onderzoek. Vaststaat dat deze informatie niet heeft geleid tot rechtstreekse toepassing van strafvorderlijke bevoegdheden, maar dat slechts een douanecontrole met betrekking tot verdachte is uitgevoerd. Voor een dergelijke controle is geen verdenking in de zin van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering vereist, terwijl naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsregel in de weg staat aan het gebruik van deze informatie bij de uitoefening van deze zelfstandige controlebevoegdheid. Het verweer dient dan ook te worden verworpen. In de verwerping van het verweer ligt tevens besloten dat de rechtbank geen aanleiding ziet het onderzoek in de zaak in dit verband te heropenen.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 30 mei 2012 is verdachte per vliegtuig vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer.2 In de reizigersbagage van verdachte zaten twee zakken lollies. In de lollies werd een stof aangetroffen welke qua kleur en samenstelling op cocaïne leek. De gehele aangetroffen hoeveelheid lollies is ter analyse en bepaling van het totale drooggewicht verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).3 Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat het onderzoeksmateriaal cocaïne bevatte en dat het totale nettogewicht van het materiaal ongeveer 1,64 kilogram bedroeg.4

4.3. Bespreking van bewijsverweren

Verdachte en haar raadsvrouw hebben bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne. Hoewel verdachte aanvankelijk het voornemen had om bolletjes cocaïne in te voeren, zou zij hiervan - eenmaal in Suriname - hebben afgezien. Vervolgens zou verdachte al het mogelijke hebben gedaan om uit te sluiten dat zij drugs vervoerde en vertrouwde zij [betrokkene 2] van wie zij de lollies ontving.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte is naar Suriname gereisd met de bedoeling op de terugreis naar Nederland een hoeveelheid cocaïne in te voeren. Daartoe heeft verdachte afspraken gemaakt in Nederland met [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. In Suriname zou zij van een persoon genaamd [betrokkene 3] de cocaïne krijgen die in Nederland zou moeten worden afgegeven aan [betrokkene 1]. In Suriname heeft verdachte ook daadwerkelijk cocaïne geleverd gekregen, verpakt in lollies. De rechtbank benadrukt dat zowel [betrokkene 3] als betrokkene 2] van meet af aan betrokken waren bij het initiëren en de organisatie van het door verdachte ondernomen drugstransport.5 De stelling van verdachte dat zij niets wist van de cocaïne in de lollies, terwijl uitgerekend deze twee personen betrokken waren bij de verkrijging en de aflevering daarvan, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. De lezing van verdachte dat zij in Suriname tot het inzicht is gekomen dat zij het drugstransport niet zou moeten uitvoeren en daarom vrijwillig is teruggetreden, acht de rechtbank - in het licht van het bovenstaande - evenmin aannemelijk. Gezien alle omstandigheden van het geval kan de rechtbank redelijkerwijs niet anders dan concluderen dat verdachte wist dat zij cocaïne vervoerde en aldus opzettelijk heeft gehandeld.

Voor zover de raadsvrouw kanttekeningen heeft geplaatst bij de conclusie van het NFI-rapport ten aanzien van het nettogewicht van de cocaïne, overweegt de rechtbank dat op basis van de tenlastelegging bewezen dient te worden of het onderzochte materiaal cocaïne bevatte. Deze vraagstelling is in positieve zin beantwoord door het NFI, gezien het feit dat is gerapporteerd dat de onderzochte materialen cocaïne bevatten, waarbij tevens sprake was van een gebruikelijke samenstelling. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan dit oordeel van het NFI met betrekking tot het gehalte aan zuivere cocaïne. Het bezwaar wordt dan ook gepasseerd.

4.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 30 mei 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van in totaal 1,64 kilo van een materiaal, bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank zal enigermate ten voordele van verdachte laten meewegen, dat verdachte medewerking heeft verleend aan het onderkennen van de afhaler van de verdovende middelen. Hoewel de rechtbank het kwalijk acht dat verdachte de reis heeft ondernomen na eerder voor het smokkelen van drugs te zijn veroordeeld, zal de rechtbank dit gegeven - anders dan de officier van justitie heeft gevorderd - niet ten nadele van verdachte in rekening brengen, nu deze veroordeling langer dan vijf jaar geleden is.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat slechts een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.S.P. Evers-Ederveen, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. J.M. Sassenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 september 2012.

mr. Evers-Ederveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 30 mei 2012 (p. 11-12).

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 2 juni 2012 (bijlage 15)

4 Deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 juni 2012, zaaknummer 2012.06.07.097 (aanvraag 001) (losse bijlage).

5 Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting.