Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ6311

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
15/700611-12 en 15/281461-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; twee maal medeplegen van poging tot zware mishandeling; mishandeling.

Verdachte en diens medeverdachte hebben zich samen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, in de woning van één van de slachtoffers. De slachtoffers zijn dientengevolge gewond geraakt, maar de gevolgen hadden voor hen vele malen ernstiger kunnen zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze feiten traumatische ervaringen met zich brengen voor de direct betrokken slachtoffers en bovendien gevoelens van onveiligheid vooroorzaken in de samenleving. De rechtbank rekent deze feiten verdachte zwaar aan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer [slachtoffer 1] last heeft van angstgevoelens in zijn eigen huis, terwijl dat juist een veilige omgeving zou moeten zijn, en dat hij erg bang is dat er wederom iemand zijn huis komt binnenvallen. Uit de brief van de huisarts van het slachtoffer [slachtoffer 2] komt naar voren dat hij door wat hem door verdachte en zijn medeverdachte die avond is aangedaan een terugval in een oud posttraumatisch stress syndroom heeft, met ernstige slaapstoornissen tot gevolg. Voorts heeft verdachte een jaar eerder bij het uitgaan iemand een kopstoot gegeven, met lichamelijk letsel en pijn tot gevolg. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank overweegt daarbij dat zij het van belang acht dat, gelet op voornoemd reclasseringsadvies en de duur van de op te leggen straf, te zijner tijd in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (V.I.), beoordeeld wordt of en zo ja welke bijzondere voorwaarden gesteld moeten worden teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/700611-12 en 15/281461-11 (ter terechtzitting gevoegd)

Uitspraakdatum: 7 december 2012

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 november 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Pauwelussen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer: 15/700611-12:

Feit 1:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppel, althans met een (hard) voorwerp, meermalen, althans éénmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 primair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- in de hal in de woning alwaar die [slachtoffer 2] zich op dat moment bevond, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben doorgeladen en/of

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], heeft/hebben geduwd (de keuken in) en/of

- één of meermalen een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de borst, althans op het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker heeft/hebben overgehaald en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere verwondingen en/of snijwonden aan het hoofd en/of een verwonding aan de borst), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], te duwen en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan;

Feit 2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere verwondingen en/of snijwonden aan het hoofd en/of een verwonding aan de borst), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], heeft/hebben geduwd en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- (met kracht) met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] geduwd en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op korte afstand van het hoofd van [slachtoffer 2] gehouden en/of (vervolgens) voornoemd pistool, althans voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meermalen, althans éénmaal, doorgeladen en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [slachtoffer 2] geplaatst en/of (vervolgens) voornoemd pistool, althans voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meermalen, althans éénmaal, doorgeladen en/of die [slachtoffer 2] (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Jullie hebben ons verraden! Waar is die kankerhoer, die maak ik ook af! Jij gaat dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Ten aanzien van parketnummer 15/281461-11:

hij op of omstreeks 13 augustus 2011 te Beverwijk opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 3]), immers heeft hij, verdachte, een kopstoot gegeven aan die [slachtoffer 3] en/of eenmaal of meermalen (met kracht) op/tegen het hoofd en/of (elders) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten en tot bewezenverklaring van het ten aanzien van parketnummer 15/281461-11 ten laste gelegde feit.

3.2. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft deze feiten ontkend en naast de verklaringen van de aangevers bevindt zich in zoverre onvoldoende ondersteunend bewijs in het dossier, zodat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van deze feiten dient te worden vrijgesproken.

3.3. Bewijsvoering parketnummer 15/281461-11

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/281461-11 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] d.d. 16 augustus 2011 (proces-verbaal nummer PL1256 2011089631-2);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige van [getuige 1] d.d. 12 september 2011 (proces-verbaal nummer PL1256 2011089631-3).

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden parketnummer 15/700611-12 1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 15 augustus 2012 gingen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer 1] te Beverwijk. Verdachte had [medeverdachte] mee gevraagd ter bescherming. Toen [slachtoffer 1] de deur van zijn woning opendeed, kreeg hij van verdachte twee klappen met een door hem meegenomen honkbalknuppel. Verdachte zag bloed stromen over het gezicht van [slachtoffer 1].2 Aangever [slachtoffer 1] voelde dat hij met een hard voorwerp werd geslagen en voelde dat zijn hoofd bloedde. Hij herkende verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte].3

De in de woning eveneens aanwezige [slachtoffer 2] zag dat verdachte aangever [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel met kracht tegen het hoofd sloeg.4

Het letsel bij [slachtoffer 1] bleek te zijn: twee snijwonden bovenop het hoofd, een snijwond op het voorhoofd en een bloeduitstorting op de rug.5

[slachtoffer 1] zag dat [medeverdachte] een pistool te voorschijn haalde en achter [slachtoffer 2] aan ging.6 [slachtoffer 2] werd door [medeverdachte] met kracht met een pistool tegen de borst geduwd. Vervolgens werd hij door [medeverdachte] met veel kracht met de achterkant van het pistool tegen het hoofd geslagen wat erg veel pijn deed.7

Het letsel bij [slachtoffer 2] bleek te zijn: een bloeduitstorting op zijn borst, een afdruk van de loop van een vuurwapen op zijn borst en meerdere snijwonden op zijn hoofd.8

3.5. Bewijsoverweging parketnummer 15/700611-12

De rechtbank acht het medeplegen van het onder feit 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben tevoren afgesproken naar de woning van aangever [slachtoffer 1] te gaan. Verdachte heeft [medeverdachte] meegevraagd ter bescherming. Verdachte heeft een knuppel meegenomen en verdachte een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Vervolgens hebben zij beiden deelgenomen aan het geweld tegen de slachtoffers, waarbij verdachte [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel meermalen heeft geslagen en waarbij [medeverdachte] [slachtoffer 2] met een pistool heeft geduwd en geslagen.

De verklaring van verdachte dat hij het wapen van [medeverdachte] zegt niet gezien te hebben, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1], die op de grond lag, hebben het wapen gezien op het moment dat zij in de gang waren, waar verdachte zich ook bevond.

Gelet op hun gezamenlijke komst naar de woning na de tevoren gemaakte afspraak dat verdachte met de medeverdachte mee zou gaan ter bescherming (in verband met een eerdere aanvaring), het door beiden toegepaste geweld jegens de twee personen in de woning en hun gezamenlijke vertrek zonder dat van enige distantie over en weer is gebleken, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering van beide feiten, zoals onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste is gelegd.

Het gevoerde bewijsverweer omtrent het ontbreken van een nauwe en bewuste samenwerking wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat er geen sprake was van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, nu een poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten laste is gelegd en dus niet de voltooide variant.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten en het ten aanzien van parketnummer 15/281461-11 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

Ten aanzien van parketnummer: 15/700611-12

Feit 1:

hij op 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppel meermalen met kracht op/tegen het hoofd en op/tegen de rug van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 meer subsidiair:

hij op 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijwonden aan het hoofd en een verwonding aan de borst) heeft toegebracht, doordat zijn medeverdachte opzettelijk

- met kracht met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst van die [slachtoffer 2], heeft geduwd en

- meermalen met kracht met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Ten aanzien van parketnummer 15/281461-11:

hij op 13 augustus 2011 te Beverwijk opzettelijk heeft mishandeld een persoon, te weten [slachtoffer 3], immers heeft hij, verdachte, een kopstoot gegeven aan die [slachtoffer 3], waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer: 15/700611-12

Feit 1: Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 2 meer subsidiair: Medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van parketnummer 15/281461-11:

Mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 met parketnummer 15/700611-12 ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 15/281461-11 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot hoofdelijke gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met oplegging van bijbehorende schadevergoedingsmaatregelen.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.3. Hoofdstraf

Verdachte en diens medeverdachte hebben zich samen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, in de woning van één van de slachtoffers.

De slachtoffers zijn dientengevolge gewond geraakt, maar de gevolgen hadden voor hen vele malen ernstiger kunnen zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze feiten traumatische ervaringen met zich brengen voor de direct betrokken slachtoffers en bovendien gevoelens van onveiligheid vooroorzaken in de samenleving. De rechtbank rekent deze feiten verdachte zwaar aan.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer [slachtoffer 1] last heeft van angstgevoelens in zijn eigen huis, terwijl dat juist een veilige omgeving zou moeten zijn, en dat hij erg bang is dat er wederom iemand zijn huis komt binnenvallen. Uit de brief van de huisarts van het slachtoffer [slachtoffer 2] komt naar voren dat hij door wat hem door verdachte en zijn medeverdachte die avond is aangedaan een terugval in een oud posttraumatisch stress syndroom heeft, met ernstige slaapstoornissen tot gevolg.

Voorts heeft verdachte een jaar eerder bij het uitgaan iemand een kopstoot gegeven, met lichamelijk letsel en pijn tot gevolg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden te recidiveren; en

- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 13 november 2012 van Y. Gravemaker, als reclasseringswerker verbonden aan de GGZ Palier Haarlem.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

De rechtbank overweegt daarbij dat zij het van belang acht dat, gelet op voornoemd reclasseringsadvies en de duur van de op te leggen straf, te zijner tijd in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling (V.I.), beoordeeld wordt of en zo ja welke bijzondere voorwaarden gesteld moeten worden teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen, medeplegen van een poging tot zware mishandeling, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Voorts heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding van € 6.000,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- billijk is, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting.

In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank merkt daarbij op dat zij het gevorderde bedrag aan immateriële schade, gelet op de bedragen die in andere strafzaken aan immateriële schade worden toegekend, te hoog acht.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering

De rechtbank ziet voorts als gevolg van verdachtes onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen, medeplegen van een poging tot zware mishandeling, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 47, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten en het onder parketnummer 15/281461-11 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1 en 2 meer subsidiair en onder parketnummer 15/281461-11 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de ten aanzien van parketnummer 15/700611-12 onder 1 en 2 meer subsidiair en onder parketnummer 15/281461-11 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade van € 1.500,-, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,-, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. T. Avedissian en mr. B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 december 2012.

Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 29 augustus 2012 (dossierpagina 057).

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 083 en 084).

4 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2012 (dossierpagina 04).

6 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 083 en 084).

7 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091 en 092).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2012 (dossierpagina 04).