Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ6272

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
15/700590-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; twee maal medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Verdachte en diens medeverdachte hebben zich samen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, in de woning van één van de slachtoffers. De slachtoffers zijn dientengevolge gewond geraakt, maar de gevolgen hadden voor hen vele malen ernstiger kunnen zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze feiten traumatische ervaringen met zich brengen voor de direct betrokken slachtoffers en bovendien gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving. De rechtbank rekent deze feiten verdachte zwaar aan. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer [slachtoffer 1] last heeft van angstgevoelens in zijn eigen huis, terwijl dat juist een veilige omgeving zou moeten zijn, en dat hij erg bang is dat er wederom iemand zijn huis komt binnenvallen. Uit de brief van de huisarts van het slachtoffer [slachtoffer 2] komt naar voren dat hij door wat hem door verdachte en zijn medeverdachte die avond is aangedaan een terugval in een oud posttraumatisch stress syndroom heeft, met ernstige slaapstoornissen tot gevolg. Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen ter zake van geweldsdelicten tot forse straffen is veroordeeld. Desalniettemin is verdachte nu wederom overgegaan tot gewelddadig gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700590-12

Uitspraakdatum: 7 december 2012

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 november 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Sierra Leone),

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. Pauwelussen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.P. Vroegh, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijzigingen van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppel, althans met een (hard) voorwerp, meermalen, althans éénmaal, (met kracht) op/tegen het hoofd en/of op/tegen de rug, althans op/tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 primair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- in de hal in de woning alwaar die [slachtoffer 2] zich op dat moment bevond, een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft/hebben doorgeladen en/of

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], heeft/hebben geduwd (de keuken in) en/of

- één of meermalen een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of de borst, althans op het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, de trekker heeft/hebben overgehaald en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapend gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 subsidiair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere verwondingen en/of snijwonden aan het hoofd en/of een verwonding aan de borst), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], te duwen en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapend gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] te slaan;

Feit 2 meer subsidiair:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (meerdere verwondingen en/of snijwonden aan het hoofd en/of een verwonding aan de borst), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- (met kracht) met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2], heeft/hebben geduwd en/of

- meermalen, althans éénmaal (met kracht) met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3:

hij op of omstreeks 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- (met kracht) met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst, althans tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] geduwd en/of (daarbij) die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op korte afstand van het hoofd van [slachtoffer 2] gehouden en/of (vervolgens) voornoemd pistool, althans voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meermalen, althans éénmaal, doorgeladen en/of

- een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [slachtoffer 2] geplaatst en/of (vervolgens) voornoemd pistool, althans voornoemd op een vuurwapen gelijkend voorwerp, meermalen, althans éénmaal, doorgeladen en/of die [slachtoffer 2] (daarbij) dreigend de woorden toegevoegd: "Jullie hebben ons verraden! Waar is die kankerhoer, die maak ik ook af! Jij gaat dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Feit 4:

hij op of omstreeks 22 augustus 2012 te Heemskerk, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 70,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Amfetamine, zijnde Amfetamine en/of cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Bij repliek heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte van het onder 4 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

3.2. Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van het onder 2 primair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde:

Nu verdachte deze feiten heeft ontkend en zich naast de verklaring van de aangevers in zoverre onvoldoende ondersteunend bewijs in het dossier bevindt, dient verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van deze feiten te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

Op 22 augustus 2012 werd bij verdachte bij zijn aanhouding een witte substantie met een gewicht van 70,36 gram aangetroffen. Een MMC test leverde een positief resultaat op dat de substantie amfetamine zou zijn. De substantie werd ingeschreven onder SIN (Sporen Identificatie Nummer): AAFI9446NL.

In het NFI rapport wordt gesproken over een poeder en brokjes met een gewicht van 69,54 gram, welke substantie cocaïne bevat. In het rapport staat als identificatienummer (SIN) vermeld: AAER7790NL.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat op grond van het vorenstaande niet is komen vast te staan dat het NFI het materiaal dat bij verdachte is aangetroffen heeft getest, nu sprake is van een andere omschrijving van het materiaal, een ander gewicht en een volstrekt ander sporen identificatie nummer, Zodoende is niet komen vast te staan welk materiaal de bij verdachte aangetroffen substantie bevatte. Verdachte dient derhalve ook van dit feit te worden vrijgesproken.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 15 augustus 2012 ging verdachte met medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer 1] te Beverwijk. [medeverdachte] had verdachte mee gevraagd ter bescherming, in verband met een eerdere aanvaring. Toen [slachtoffer 1] de deur van zijn woning opendeed, kreeg hij van [medeverdachte] twee klappen op zijn hoofd met een door [medeverdachte] meegenomen honkbalknuppel. [medeverdachte] zag bloed stromen over het gezicht van [slachtoffer 1].2 Het slachtoffer [slachtoffer 1] voelde dat hij met een hard voorwerp tweemaal kort achter elkaar op zijn hoofd werd geslagen, werd misselijk van de pijn en voelde dat zijn hoofd bloedde. Hij kent verdachte als [bijnaam] en de medeverdachte [medeverdachte] als [bijnaam].3

Ook de in de woning aanwezige [slachtoffer 2] zag dat [slachtoffer 1] bij het opendoen van de voordeur door [medeverdachte] met een honkbalknuppel met kracht tegen het hoofd werd geslagen.4 [slachtoffer 1] kwam hierdoor ten val5, hij zakte in de gang van zijn woning door de klappen in elkaar.6 Het letsel bij [slachtoffer 1] van deze klappen op het hoofd bleek te zijn: twee snijwonden bovenop het hoofd en een snijwond op het voorhoofd.7

[slachtoffer 1] zag dat verdachte een pistool - dat kan naar het oordeel van de rechtbank ook een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zijn geweest - tevoorschijn haalde en achter [slachtoffer 2] aan ging.8 [slachtoffer 2] zag ook het pistool bij verdachte toen deze de woning inliep en op hem afkwam. 9 [slachtoffer 1] kreeg vervolgens, terwijl hij nog op de grond lag in de gang, een harde klap op zijn rug10, met een langwerpige, grote bloeduitstorting op de rug tot gevolg. 11 Het kan niet anders dan dat die klap van de knuppel van de medeverdachte [medeverdachte] afkomstig was, zoals [medeverdachte] overigens ter terechtzitting in zijn eigen gelijktijdig doch niet gevoegd behandelde strafzaak ook heeft toegegeven.

[slachtoffer 2] werd intussen door verdachte met kracht met een pistool tegen de borst geduwd. Vervolgens werd hij door verdachte met veel kracht met de achterkant van het pistool tegen het hoofd geslagen, wat erg veel pijn deed.12

Het letsel van [slachtoffer 2] betrof een bloeduitstorting met een afdruk van de loop van een vuurwapen op zijn borst en meerdere snijwonden op zijn hoofd.13

3.4. Bewijsoverweging

De rechtbank acht het medeplegen van het onder feit 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde bewezen.

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben tevoren afgesproken naar de woning van aangever [slachtoffer 1] te gaan. [medeverdachte] heeft verdachte volgens zijn eigen verklaring meegevraagd ter bescherming. [medeverdachte] heeft een honkbalknuppel meegenomen en verdachte een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Vervolgens hebben zij beiden deelgenomen aan het geweld tegen de beide aangevers [medeverdachte] en [slachtoffer 2], waarbij verdachte [slachtoffer 2] met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft geduwd en geslagen en waarbij [medeverdachte] [slachtoffer 1] met een honkbalknuppel meermalen heeft geslagen.

De verklaring van [medeverdachte] dat hij geen vuurwapen heeft gezien, acht de rechtbank niet aannemelijk. Zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1], die op de grond lag, hebben het wapen gezien op het moment dat zij in de gang waren, waar [medeverdachte] zich ook bevond.

Gelet op hun gezamenlijke komst naar de woning na de tevoren gemaakte afspraak dat verdachte met de medeverdachte mee zou gaan ter bescherming (in verband met een eerdere aanvaring), het door beiden toegepaste geweld jegens de twee personen in de woning en hun gezamenlijke vertrek zonder dat van enige distantie over en weer is gebleken, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering van beide feiten, zoals onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste is gelegd.

De raadsvrouw heeft, voor het geval dat de rechtbank niet tot een vrijspraak zou komen ten aanzien van de onder feit 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten, de navolgende (voorwaardelijke) verzoeken gedaan:

- een reconstructie teneinde duidelijk te krijgen wat er zich precies op 15 augustus 2012 in de woning van [slachtoffer 1] te Beverwijk heeft afgespeeld;

- voorts het opvragen van peilgegevens van de auto die door verdachte werd gehuurd, nu verdachte heeft gesteld dat hij niet met die auto naar de woning van [slachtoffer 1] is gereden op 15 augustus 2012;

- tot slot is verzocht de wapendeskundige en verbalisant [verbalisant], taakaccenthouder vuurwapens van de Regiopolitie Kennemerland, als deskundigen te horen.

De rechtbank wijst deze verzoeken af omdat deze onvoldoende zijn onderbouwd en overigens de noodzaak hiertoe niet is gebleken.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1:

hij op 15 augustus 2012 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een honkbalknuppel, meermalen met kracht op/tegen het hoofd en op/tegen de rug van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2 meer subsidiair:

hij op 15 augustus 2012 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een ander aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (snijwonden aan het hoofd en een verwonding aan de borst) heeft toegebracht, doordat hij opzettelijk

- met kracht met een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen de borst van die [slachtoffer 2], heeft geduwd en

- meermalen met kracht met (de achterkant van) een pistool, althans met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Feit 2 meer subsidiair: medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) jaren, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot hoofdelijke gehele toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met oplegging van bijbehorende schadevergoedingsmaatregelen.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.3. Hoofdstraf

Verdachte en diens medeverdachte hebben zich samen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, in de woning van één van de slachtoffers. De slachtoffers zijn dientengevolge gewond geraakt, maar de gevolgen hadden voor hen vele malen ernstiger kunnen zijn.

Het is een feit van algemene bekendheid dat deze feiten traumatische ervaringen met zich brengen voor de direct betrokken slachtoffers en bovendien gevoelens van onveiligheid veroorzaken in de samenleving. De rechtbank rekent deze feiten verdachte zwaar aan.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring komt naar voren dat het slachtoffer [slachtoffer 1] last heeft van angstgevoelens in zijn eigen huis, terwijl dat juist een veilige omgeving zou moeten zijn, en dat hij erg bang is dat er wederom iemand zijn huis komt binnenvallen.

Uit de brief van de huisarts van het slachtoffer [slachtoffer 2] komt naar voren dat hij door wat hem door verdachte en zijn medeverdachte die avond is aangedaan een terugval in een oud posttraumatisch stress syndroom heeft, met ernstige slaapstoornissen tot gevolg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 augustus 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds meermalen ter zake van geweldsdelicten tot forse straffen is veroordeeld. Desalniettemin is verdachte nu wederom overgegaan tot gewelddadig gedrag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, nu de ernstige bezwaren alsmede de gronden waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd, gelet op het voorgaande nog onverkort gelden en artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering thans niet aan de orde is.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook geheel worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen, medeplegen van een poging tot zware mishandeling, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

Voorts heeft de benadeelde partij [slachtoffer 2] een vordering tot schadevergoeding van € 6.000,- ingediend wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,- billijk is, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank merkt daarbij op dat zij het gevorderde bedrag aan immateriële schade, gelet op de bedragen die in vergelijkbare strafzaken aan immateriële schade worden toegekend, te hoog acht.

De rechtbank zal daarbij bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De rechtbank ziet voorts als gevolg van verdachtes onder 2 meer subsidiair bewezen verklaarde handelen, medeplegen van een poging tot zware mishandeling, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 meer subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2 meer subsidiair bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade van € 1.500,-, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.500,-, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, rekeningnummer [rekeningnummer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door de medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 25 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst af het verzoek van de raadsvrouw tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. Bellaart, voorzitter,

mr. T. Avedissian en mr. B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier C.A. de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 december 2012.

Mr. Postma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 29 augustus 2012 (dossierpagina 057, de eerdere aanvaring op p. 054-056 en "[bijnaam]" is verdachte: p. 060 en 061).

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 083 en 084).

4 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091).

5 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091).

6 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 084).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2012 (dossierpagina 04).

8 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 084).

9 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091 en 092).

10 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 084).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2012 (dossierpagina 04) in combinatie bezien met de foto van de desbetreffende bloeduitstorting op dossierpagina 088, zoals ook ter terechtzitting aan verdachte is getoond.

12 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 2] d.d. 16 augustus 2012 (dossierpagina 091 en 092).

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 september 2012 (dossierpagina 04) in combinatie bezien met de foto's van de desbetreffende verwondingen op dossierpagina 094, zoals ook ter terechtzitting aan verdachte getoond.