Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ6265

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
15/800414-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer cocaïne te Schiphol; invoer verdovende middelen te Schiphol; verweer geen vermoeden van schuld dus onrechtmatige aanhouding verworpen; LOVS richtlijnen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1996,1 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft oriëntatiepunten opgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen door en namens verdachte als persoonlijke omstandigheden is aangevoerd grond kan worden gevonden om bij de strafoplegging de verdachte in een lichtere dan de standaardcategorie, als bedoeld in genoemde LOVS-oriëntatiepunten, in te delen. Dit houdt in dat de rechtbank ten gunste van verdachte zal afwijken van de straf die de officier van justitie heeft geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800414-12

Uitspraakdatum: 4 juli 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 juni 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Brazilië),

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, locatie Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, alt1hans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drieëntwintig (23) maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

4. Bewijs

4.1. Rechtmatigheidsverweer; vrijspraak bepleit

Door de raadsman is primair het verweer gevoerd - kort samengevat - dat verdachte in een veel te vroeg stadium en derhalve onrechtmatig is aangehouden. Deze aanhouding is alleen dan gerechtvaardigd indien er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld. Op het moment van aanhouding was dit er niet. Dit brengt mede dat alle onderzoeksresultaten t.a.v. de bij verdachte aangetroffen pakketten en de verklaringen van verdachte in het dossier voor het bewijs moeten worden uitgesloten. Verdachte dient om die reden te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van de bevindingen van verbalisanten n.a.v. ontvangen informatie m.b.t. een op risico gebaseerde controle-opdracht op naam van verdachte, is verdachte na aankomst en onderkenning op Schiphol geobserveerd. Verdachte had blijkens de beschikbare informatie een nagenoeg identieke boeking als een passagier die twee dagen eerder als bodypacker is aangehouden met vermoedelijk verdovende middelen en zou later in de middag doorvliegen naar Milaan. Nadat verdachte haar vlucht naar Milaan had gemist is zij door douanebeambten aangesproken en gecontroleerd. Bij de controle zag een douaneambtenaar in een papieren tas die verdachte bij zich had naast normale reizigersbagage een pakket en een bustehouder met daarin pakketten. Op grond van kennis en ervaring van de douane was bekend dat op deze manier verdovende middelen worden gesmokkeld. Vervolgens is verdachte aangehouden op grond van artikel 2 van de Opiumwet. Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden en het aantreffen van het pakket en een bh met daarin pakketten in de tas van verdachte, bestond naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in art. 27 Sv en was de aanhouding van verdachte rechtmatig. Het was niet nodig om de aangetroffen pakketten eerst op drugs te controleren alvorens tot aanhouding over te gaan zoals de raadsman aanvoert. Het verweer van de raadsman kan derhalve geen stand houden.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 26 maart 2012 is verdachte per vliegtuig vanuit Brazilië gearriveerd op de luchthaven Schiphol in de gemeente Haarlemmermeer. In de tas van verdachte werd een hoeveelheid vermoedelijk cocaïne aangetroffen.2 In pakketten werd vervolgens in totaal 1996,1 gram netto aangetroffen van een stof welke qua kleur en samenstelling op cocaïne leek. Van deze aangetroffen stof zijn vervolgens monsters genomen, welke ter analyse zijn verzonden aan het Douanelaboratorium te Amsterdam.3 Het Douane Laboratorium heeft geconcludeerd dat het materiaal in alle monsters cocaïne bevatte.4 Verdachte heeft bekend de smokkel te hebben uitgevoerd.5

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 26 maart 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van ongeveer 1996,1 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (hierna: LOVS) heeft oriëntatiepunten opgesteld die als leidraad kunnen worden gehanteerd bij het bepalen van een passende en geboden straf voor feiten als het onderhavige. De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen door en namens verdachte als persoonlijke omstandigheden is aangevoerd grond kan worden gevonden om bij de strafoplegging de verdachte in een lichtere dan de standaardcategorie, als bedoeld in genoemde LOVS-oriëntatiepunten, in te delen. Dit houdt in dat de rechtbank ten gunste van verdachte zal afwijken van de straf die de officier van justitie heeft geëist.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur dient te worden opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. M.L.M. van der Voet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Zeeman,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 juli 2012.

mr. Van der Voet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 27 maart 2012 (dossierparagraaf 2.1).

3 Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 28 maart 2012 (los opgenomen).

4 Deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 5 april 2012, met kenmerk 3369 X 12 (los opgenomen).

5 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 juni 2012 en het proces-verbaal van verhoor bij de KMar d.d. 27 maart 2012 (dossierparagraaf 3.1).