Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ3567

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
23-04-2013
Zaaknummer
195197
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter is van oordeel dat [naam] en [naam] worden bedreigd in hun ontwikkeling, doordat zij al zeer lange tijd geen (regulier) onderwijs hebben genoten en doordat als gevolg van het gebrek aan contact met leeftijdgenoten moet worden gevreesd voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Immers, de door de moeder genoemde contacten met leeftijdgenoten acht de kinderrechter gelet op de verklaringen van de minderjarigen tijdens het kinderverhoor in augustus 2012 en hun verblijf op de zeilboot nadien niet aannemelijk geworden en, voor zover daarvan al sprake is, onvoldoende om deze bedreiging af te wenden. Onder de sub 4.2 genoemde omstandigheden wordt bovendien in belangrijke mate voorbij gegaan aan het belang van de minderjarigen, omdat door een gebrek aan medewerking van de moeder een (voorhanden) oplossing voor het onderwijsprobleem van de minderjarigen tenminste op de lange baan is geschoven en mogelijk is afgeketst.

Nu zowel de Raad als de moeder (verklaard hebben) achter een plaatsing op het [naam school 1] staan, maar beide partijen niet in overeenstemming komen met elkaar over hoe dit geregeld dient te worden, acht de kinderrechter het in het belang van beide kinderen dat er een gezinsvoogd komt die (zoveel als mogelijk) samen met de ouders dit huidige traject voort gaat zetten en die, indien de moeder weigerachtig blijft haar medewerking te verlenen (al dan niet door het stellen van voorwaarden) daartoe een aanwijzing kan geven aan de moeder als bedoeld in artikel 1:258 BW. De gezinsvoogd zal tevens kunnen onderzoeken en bepalen welke acties nodig zijn ter bevordering van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: 195197/ JU RK 12-1006

beschikking van de kinderrechter van 21 december 2012,

naar aanleiding van een verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

strekkende tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen:

- [naam minderjarige 1], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats],

roepnaam [naam],

- [naam minderjarige 2], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats],

roepnaam [naam],

beiden verblijvende op een zeilschip op zee,

kinderen van

[naam moeder], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

en

[naam vader], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader.

Het gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad ingekomen op 22 augustus 2012;

- de tussenbeschikking van 23 augustus 2012 van deze rechtbank en de daarin vermelde stukken;

- het raadsrapport, ingekomen op 30 november 2012;

- aanvullende stukken van de moeder, ingekomen op 30 november 2012;

- de dagbepalingsbeschikking van 3 december 2012;

- de reactie op het raadsrapport, van de minderjarigen, ingekomen op 18 december 2012;

- de door de mr. L.W. Castelijns ingediende producties voorzien van een productielijst, ingekomen op 19 december 2012.

1.2 De kinderrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 20 december 2012.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. L.W. Castelijns;

- de Raad, vertegenwoordigd door de heer P. van der Loo, mevrouw M. Eijpe en mevrouw Penders;

- de Stichting, Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, locatie Hoofddorp

hierna te noemen: de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw C. Dekker;

- de heer R. Bakker, persvoorlichter van de Raad;

- de heer C. Wardenaar, leerplichtambtenaar

- mr. K.J. Slump, voormalig advocaat van de moeder.

1.3 De minderjarigen [naam] en [naam] zijn in de gelegenheid gesteld in raadkamer te worden gehoord, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.

1.4 De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2 Verzoek

De Raad heeft verzocht voornoemde minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.

3 Standpunten

3.1 De Raad heeft een pleitnotitie overgelegd. De Raad heeft ter zitting aangegeven dat hij zich nog steeds zorgen maakt over de ontwikkeling van beide kinderen. De kinderen worden bedreigd in hun cognitieve ontwikkeling omdat zij respectievelijk 2,5 jaar ([naam]) en 1,5 jaar ([naam]) niet meer naar school gaan. Tevens maakt de Raad zich zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van beide kinderen omdat zij niet met leeftijdsgenootjes omgaan. De Raad stelt zich op het standpunt dat de moeder de instructies in de beschikking van 23 augustus 2012 niet heeft uitgevoerd, maar slechts discussie over de interpretatie van de beschikking heeft gevoerd. De Raad is van mening dat de moeder daarbij aan het echte doel voorbij is gegaan: [naam] en [naam] op een school krijgen. Het is de moeder niet gelukt om constructief samen te werken met scholen en instanties, terwijl het wel in het belang van beide kinderen zou zijn om dit wel te doen, aldus de Raad.

3.3 Mr. L.W. Castelijns heeft ter zitting namens de moeder een pleitnotitie overgelegd. Ter zitting heeft zij betoogd dat een ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft nu passend onderwijs voor de kinderen via het [naam school 1] of het [naam school 2] dichtbij is. De raadsvrouwe heeft voorts aangevoerd dat de ouders wel degelijk hun medewerking hebben verleend en uitvoering hebben gegeven aan de tussenbeschikking van 23 augustus 2012, maar dat de Raad zich niet aan de afspraken heeft gehouden. De moeder voelt zich onder druk gezet door de Raad. Mr. L.W. Castelijns geeft aan dat de ouders en de Raad zich zorgen maken over dezelfde twee punten: de educatie van de minderjarigen en het contact met leeftijdsgenootjes. Daarbij is van belang dat de minderjarigen op dit moment onderwijs volgen via de Wereldschool en dat zij contact hebben met leeftijdsgenootjes van de hockeyvereniging en de basisschool. Gelet op het feit dat de minderjarigen op dit moment onderwijs volgen via de Wereldschool is er geen sprake van een ontwikkelingsbedreiging voor een van hen op grond van art. 1:254 BW en dient het verzoek tot ondertoezichtstelling te worden afgewezen, aldus de raadsvrouwe.

3.4 De moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd en voorgedragen.

4 Beoordeling

4.1 In de tussenbeschikking van 23 augustus 2012 is onder 4.6 als volgt overwogen :

“Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de noodzaak tot (definitieve) ondertoezichtstelling op dit moment nog niet kan worden beoordeeld. De ouders hebben zich ter zitting uitdrukkelijk bereid verklaard mee te werken aan het raadsonderzoek en open te staan voor samenwerking met instanties. In dat verband hebben ouders ter zitting verklaard dat de zeiltocht van de minderjarigen zal duren totdat zij (terug) naar school kunnen. Daarna zullen zij hun actie om aandacht te vragen voor het probleem dat veel kinderen niet kunnen beschikken over passend onderwijs, in het weekend en in de vakanties voortzetten. Tijdens de tocht blijven de minderjarigen bereikbaar en beschikbaar voor het nodige onderzoek.

De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de behandeling van het verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling aan te houden voor de duur van ongeveer drie maanden. De Raad wordt in die periode in de gelegenheid gesteld om alsnog onderzoek te doen naar mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen. De kinderrechter verwacht dat de Raad bij zijn onderzoeksconclusie aangeeft welke concrete stappen moeten worden ondernomen om door hem geconstateerde bedreigingen weg te nemen en te beschrijven in welke zin een ondertoezichtstelling daarbij van nut kan zijn.

De ouders worden in die periode de gelegenheid gesteld om mee te werken aan het nodige onderzoek zoals hierboven aangegeven. De kinderrechter verwacht van ouders dat zij de betrokkenheid van de Raad benutten en dat zij voor de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de minderjarigen zorgen als de Raad die nodig acht.”

4.2 Het is de kinderrechter gebleken dat de ouders geen (volledige) medewerking hebben verleend aan het onderzoek van de Raad. Dit volgt onder meer uit de e-mail die [naam], directeur JOZ bij het Ministerie van OCW op 15 november 2012 aan de moeder heeft verzonden en waarin – voor zover thans van belang – het volgende is beschreven:

“Gistermiddag en vanmiddag hebben wij telefonisch contact gehad over de mogelijke plaatsing van uw beide kinderen op het [naam school 1] in [plaats]. (..) Het onderwijs in de school zou in november kunnen beginnen. (..) In het telefonische gesprek van gistermiddag hebt u aangegeven dat er wat u betreft sprake is van een bedreigende situatie als gevolg van het optreden van de Raad voor de Kinderbescherming. Omdat u vreest voor ingrijpen van de Raad kunnen wat u betreft de jongens niet naar Nederland komen voor een intakegesprek. (..) In het telefoongesprek heb ik u geantwoord dat ik uw zorgen over het optreden van de Raad niet begrijp. De inzet van de Raad is dat de kinderen naar school gaan. Dat is mij een en andermaal uit gesprekken met medewerkers van de Raad gebleken. Juist door de kinderen naar school te laten gaan, kan verder optreden van de Raad worden voorkomen. U zegt geen vertrouwen te hebben in het optreden van de Raad. Indien u vasthoudt aan deze mening, kan het intakegesprek niet tot stand komen, dat een noodzakelijke stap is voor plaatsing op school. “

Als gevolg van de opstelling van de moeder (als gezaghebbende ouder) zijn de minderjarigen tot op heden niet ingeschreven op het [naam school 1].

Daarnaast is het ook de Raad niet mogelijk gemaakt om met de kinderen te spreken, nu de moeder hieraan eisen stelde die de Raad niet op kon volgen.

4.3 De kinderrechter is van oordeel dat [naam] en [naam] worden bedreigd in hun ontwikkeling, doordat zij al zeer lange tijd geen (regulier) onderwijs hebben genoten en doordat als gevolg van het gebrek aan contact met leeftijdgenoten moet worden gevreesd voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Immers, de door de moeder genoemde contacten met leeftijdgenoten acht de kinderrechter gelet op de verklaringen van de minderjarigen tijdens het kinderverhoor in augustus 2012 en hun verblijf op de zeilboot nadien niet aannemelijk geworden en, voor zover daarvan al sprake is, onvoldoende om deze bedreiging af te wenden. Onder de sub 4.2 genoemde omstandigheden wordt bovendien in belangrijke mate voorbij gegaan aan het belang van de minderjarigen, omdat door een gebrek aan medewerking van de moeder een (voorhanden) oplossing voor het onderwijsprobleem van de minderjarigen tenminste op de lange baan is geschoven en mogelijk is afgeketst.

Nu zowel de Raad als de moeder (verklaard hebben) achter een plaatsing op het [naam school 1] staan, maar beide partijen niet in overeenstemming komen met elkaar over hoe dit geregeld dient te worden, acht de kinderrechter het in het belang van beide kinderen dat er een gezinsvoogd komt die (zoveel als mogelijk) samen met de ouders dit huidige traject voort gaat zetten en die, indien de moeder weigerachtig blijft haar medewerking te verlenen (al dan niet door het stellen van voorwaarden) daartoe een aanwijzing kan geven aan de moeder als bedoeld in artikel 1:258 BW. De gezinsvoogd zal tevens kunnen onderzoeken en bepalen welke acties nodig zijn ter bevordering van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarigen.

4.4 Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, acht de kinderrechter voldoende aannemelijk dat voornoemde minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen dan de ondertoezichtstelling ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald, of, naar is te voorzien, zullen falen, zodat het verzoek zal worden toegewezen.

5 Beslissing

De kinderrechter:

5.1 Stelt de minderjarigen:

- [naam kind 1],

- [naam kind 2],

onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, locatie Hoofddorp met ingang van 21 december 2012 tot 21 december 2013.

5.2 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van

mr. D. Goedhart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.

Tegen deze beschikking kan – voorzover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze aan hen op andere wijze bekend is geworden.