Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BZ3562

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
07-03-2013
Zaaknummer
193514-12-2029
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstandsverhaal. Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar stelplicht betreffende de behoeftigheid van de vrouw. Dat de vrouw nog behoeftig, en de man derhalve nog onderhoudsplichtig, is, kan derhalve in deze procedure niet worden vastgesteld. Draagkracht; er wordt wel rekening gehouden met de aflossing van een schuld.

Proceskostenveroordeling gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ABW

Zaak-/rekestnr.: 193514/12-2029

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 18 december 2012

in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

gemeente [naam gemeente],

zetelend te [plaats],

hierna te noemen: de gemeente,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.W.J. Hijnen, kantoorhoudende te Beverwijk.

1. Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 19 juni 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift met bijlagen van de gemeente;

- het op 13 september 2012 ter griffie ontvangen verweerschrift met bijlagen van de man;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 12 november 2012,

en het verhandelde ter terechtzitting op 22 november 2012 in aanwezigheid van de man, bijgestaan door mr. Hijnen. De gemeente is ter zitting vertegenwoordigd door dhr. E. de Wit. Voorts was aanwezig mevr. [naam partner], de partner van de man.

2. De vaststaande feiten

2.1 De man is gehuwd geweest met [naam vrouw], hierna tevens te noemen: de vrouw. Dit huwelijk is op [datum] 2003 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 3 december 2002.

Uit het huwelijk zijn geboren:

- [naam kind 1], op [datum] 1990 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 2], op [datum] 1993 in de gemeente [plaats].

2.3 Met ingang van 9 juni 2009 wordt aan de vrouw door de gemeente een uitkering verstrekt ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). De uitkering wordt met ingang van

14 december 2011 toegekend naar de norm voor een eenoudergezin.

2.4 Bij besluit d.d. 19 januari 2012 heeft de gemeente vastgesteld dat de kosten van bijstand aan de vrouw met ingang van 14 december 2011 worden verhaald op de man tot een bedrag van € 394 per maand. Voorts is vastgesteld dat de aan de vrouw, mede ten behoeve van de (destijds minderjarige) [naam kind 2] betaalde kosten van bijstand betreffende de periode 1 augustus 2010 tot 14 december 2011, op de man worden verhaald tot een bedrag van € 425 per maand.

2.5 Burgemeester en Wethouders van de gemeente hebben op 14 juni 2012 besloten over te gaan tot verhaal in rechte.

3. Het verzoek

3.1 Met een beroep op de wettelijke onderhoudsplicht van de man jegens zijn minderjarige zoon [naam kind 2] (hierna te noemen: [naam kind 2]) verzoekt de gemeente de verhaalsbijdrage met ingang van 1 augustus 2010 te bepalen op € 425 per maand.

3.2 Met een beroep op de wettelijke onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw verzoekt de gemeente de verhaalsbijdrage met ingang van de datum waarop [naam kind 2] meerderjarig is geworden, [datum] 2011, te bepalen op € 394 per maand.

4. Het verweer

4.1 De man heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Hij voert aan dat kosten van bijstand op grond van artikel 62a van de Wet werk en Bijstand (hierna te noemen: Wwb) slechts verhaald kunnen worden tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in boek 1 BW. Op grond van voornoemd artikel 62a wordt voor het bepalen van de omvang van het te verhalen bedrag rekening gehouden met de normaliter in echtscheidings- of alimentatieprocedures geldende wettelijke maatstaven. De man stelt zich op het standpunt dat de gemeente deze maatstaven wat betreft de (hoogte van de) behoefte van zowel [naam kind 2] als van de vrouw niet heeft gehanteerd.

4.2 De man heeft in dat verband aangevoerd dat volgens de toepasselijke richtlijnen voor de vaststelling van de behoefte van [naam kind 2] uitgangspunt behoort te zijn het netto gezinsinkomen ten tijde van de verbreking van de relatie tussen de vrouw en de man in 2002. Hij voert aan dat de behoefte van de kinderen op dat moment € 125 per kind per maand was, geïndexeerd in 2010 een behoefte van € 150,17. Volgens de man heeft de gemeente ten onrechte, uitgaande van de situatie in 2010, de behoefte van [naam kind 2] bepaald op € 425,10 per maand. De man heeft een overzicht gegeven van de bedragen die door de gemeente op hem zijn verhaald, en concludeert dat hij op grond van zijn onderhoudsplicht jegens [naam kind 2] geen verhaalsbijdrage aan de gemeente meer verschuldigd is.

4.3 Ten aanzien van de door de gemeente verzochte vaststelling van een verhaalsbijdrage op grond van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw heeft de man primair aangevoerd dat de gemeente heeft miskend dat voor de hoogte van een eventueel te verhalen bijdrage rekening moet worden gehouden met zowel de welstand van tijdens het huwelijk als met omstandigheden aan de zijde van de vrouw. Ten onrechte heeft de gemeente, zonder te toetsen aan de geldende alimentatienormen, de behoefte van de vrouw bepaald op de (gebruteerde) draagkrachtruimte van de man. Subsidiair betwist de man, eveneens met een beroep op voornoemde alimentatienormen, dat de vrouw behoeftig is en aan een (aanvullende) bijdrage behoefte heeft. Voor de vaststelling van haar behoefte zijn de eigen inkomsten, althans de in redelijkheid te verwerven inkomsten, van belang. Informatie hierover ontbreek geheel. Voorts moet, aldus de man, rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de behoefte van de vrouw lager is geworden, omdat zij al sinds 2002 een nieuwe relatie heeft.

4.4 De man heeft voorts de (uitgangspunten van de ) door de gemeente gemaakte draagkrachtberekening betwist en voert aan dat hij geen draagkracht heeft om de gevraagde verhaalsbijdrage te voldoen. Hij verzoekt bij een eventuele vaststelling van een bijdrage rekening te houden met de bedragen die hij in het verleden teveel heeft betaald en te bepalen dat hij de bijdrage maximaal tot 3 december 2014 verschuldigd zal zijn. Tot slot verzoekt de man de rechtbank de gemeente in de kosten van de procedure te veroordelen.

5 Beoordeling

5.1 De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of aan de vrouw een uitkering toekomt, in beginsel tot de bevoegdheid van de gemeente behoort. Bij de vaststelling van het bedrag van het verhaal wordt de grens echter bepaald door behoefte en draagkracht. De rechter dient zich een oordeel te vormen over de behoefte van degene aan wie bijstand wordt verleend, ook al is deze geen partij in de verhaalsprocedure (LJN AS3642). De bovengrens van het bedrag dat op de man kan worden verhaald, moet rechtstreeks worden gezocht in de behoefte van – in dit geval – de minderjarige [naam kind 2] en de vrouw.

behoefte

5.2 Nu de man de door de gemeente berekende behoefte van zowel [naam kind 2] als de vrouw heeft betwist, zal de rechtbank deze alsnog bepalen. Op grond van de toepasselijke normen, wordt voor de bepaling van de behoefte uitgegaan van het netto gezinsinkomen voorafgaand aan de verbreking van de samenwoning tussen de man en de vrouw. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die nopen tot een afwijking van voormeld uitgangspunt. De door de gemeente gehanteerde wijze van verhaal, waarbij de grens van de onderhoudsplicht van de man is bepaald op de door de gemeente berekende draagkracht(-ruimte) van de man, vindt geen steun in de algemeen geldende wetsbepalingen en richtlijnen terzake.

5.3 Uit het dossier blijkt dat de gemeente de voor [naam kind 2] vastgestelde verhaalsbijdrage heeft berekend aan de hand van de tabellen kosten kinderen 2010, uitgaande van een netto inkomen van de man op dat moment van € 2.730. De gemeente heeft de maximale behoefte van [naam kind 2] berekend op € 379,10 en dit bedrag vervolgens vermeerderd met een fiscaal voordeel van € 46. Dit bedrag is, aldus de gemeente, per maand beschikbaar voor [naam kind 2] en dient als verhaalsbijdrage te worden vastgesteld.

5.3 De rechtbank overweegt dat uit de beschikking van 24 april 2002 in de tussen de man en de vrouw gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure blijkt dat de man destijds een inkomen ontving van € 1.862,43 bruto. Gesteld noch gebleken is dat de door de vrouw in die procedure verzochte kinderbijdrage, € 125 per kind per maand, destijds niet in overeenstemming met de behoefte van de kinderen was. Deze behoefte dient tot uitgangspunt genomen te worden, tenzij het huidige inkomen van de onderhoudsplichtige ouder het voormalige gezinsinkomen overschrijdt. In dat geval is dat inkomen bepalend voor de vaststelling van de behoefte van het kind. Immers wanneer het huwelijk van partijen zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging ook een positieve invloed hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van het kind zou zijn uitgegeven.

Op grond van de beschikbare stukken is gebleken dat het besteedbare inkomen van de man van € 2.730 in 2010 het voornoemd voormalige gezinsinkomen van partijen overschrijdt. Dit leidt tot de conclusie dat aanleiding bestaat om de behoefte van [naam kind 2] opnieuw te bepalen. De rechtbank stelt de behoefte van [naam kind 2] per 1 januari 2010 vast op € 379 per maand. Na indexering per 1 januari 2011 een bedrag van € 382.

Voor zover de gemeente, zonder enige nadere motivering, vaststelling vraagt van een verhaalsbijdrage die de op grond van de toepasselijke Nibudnormen vastgestelde behoefte van [naam kind 2] overtreft, zal dit verzoek worden afgewezen.

5.4 Ten aanzien van standpunten van partijen over de hoogte van de behoefte van de vrouw overweegt de rechtbank het volgende. Door de gerechtshoven is voor de bepaling van de huwelijksgerelateerde behoefte de zogenaamde hofnorm ontwikkeld. Deze norm houdt in dat van het netto gezinsinkomen ten tijde van de samenwoning de kosten van de kinderen worden afgetrokken, waarna 60% van dit bedrag als netto behoefte voor de alimentatiegerechtigde echtgenoot overblijft. De werkgroep alimentatienormen heeft deze hofnorm overgenomen (paragraaf 3.1 Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2010).

De rechtbank overweegt dat de gemeente niet heeft aangevoerd dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op een hoger bedrag dan wel op andere wijze zou moeten worden vastgesteld. Een eventuele stijging van het inkomen van de man kan, anders dan in geval (de behoefte van) een minderjarige in het geding is, er niet toe leiden dat de behoefte van de vrouw opnieuw zou moeten worden vastgesteld.

5.5 De man heeft aangevoerd dat van de vrouw redelijkerwijs kan worden gevergd dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet en dat zij aan een (aanvullende) bijdrage geen behoefte heeft. De rechtbank overweegt dat in het Trema rapport in hoofdstuk 2.3, getiteld “wanneer alimentatie” is opgenomen dat men behoeftig is indien men zelf niet in het eigen levensonderhoud kan voorzien, dat wil zeggen indien men zelf daartoe de nodige middelen mist en die ook in redelijkheid niet kan verwerven. Aangezien door de gemeente slechts verhaal kan worden gezocht tot de grens van de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw, dient te worden onderzocht of de vrouw (nog) behoeftig is.

De rechtbank overweegt dat de door de gemeente overgelegde stukken geen enkele concrete informatie hierover bevatten. De vrouw ontvangt inmiddels langdurig een WWB-uitkering en zij werkt slechts enkele uren per week. De gemachtigde van de gemeente heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij niet precies weet hoeveel uren de vrouw werkt en evenmin of zij de in de beschikking tot toekenning WWB-uitkering opgenomen verplichting om aantoonbaar te solliciteren nakomt. Concrete informatie over de stand van een eventueel re-integratietraject van de vrouw heeft hij niet kunnen verschaffen. De vraag of de vrouw haar verdiencapaciteit volledig benut, kon door de gemachtigde niet worden beantwoord.

5.6 Gelet op al het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar stelplicht betreffende de behoeftigheid van de vrouw. Dat de vrouw nog behoeftig, en de man derhalve nog onderhoudsplichtig, is, kan derhalve in deze procedure niet worden vastgesteld. Het verzoek zal derhalve in zoverre worden afgewezen.

draagkracht man

5.7 Bij de beoordeling van de draagkracht van de man ten aanzien van de verhaalsbijdrage voor [naam kind 2] is de rechtbank uitgegaan van de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende, niet dan wel onvoldoende betwiste, (financiële) gegevens van de man:

- de door de man overgelegde jaaropgaaf over 2011 van zijn WAO / WIA- uitkering waaruit blijkt dat zijn uitkering in dat jaar € 15.270 was, en de werkgeversbijdrage ZVW

€ 955. Volgens de jaaropgaaf 2011 ontving de man in dat jaar van zijn werkgever [naam] een bruto loon van € 34.255 en was de inhouding ZVW € 2.507.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Voorts worden de volgende niet, of niet bestreden maandelijkse lasten van de man in aanmerking genomen:

- een huur van € 545;

- de premie Zorgverzekeringswet, inclusief premie aanvullende verzekering, van € 210, waarvan een bedrag van € 81 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 36 per maand;

- aflossing van een huwelijkse schuld met € 15 per maand;

- de advocaatkosten van € 114.

5.8 De man heeft aangevoerd dat hij maandelijks een debetrente betaalt van € 178 op een huwelijkse schuld. Bij de verdeling na de echtscheiding is afgesproken dat de man de afbetaling van een schuld van € 26.275 bij de Rabobank op zich neemt. De man heeft de gemeente een overzicht gegeven van transacties bij de Rabobank inzake dit krediet. Hieruit blijkt dat hij betreffende de periode 1 februari 2009 tot en met 31 mei 2010 wisselende bedragen, doch gemiddeld een bedrag van € 178, aan debetrente op het krediet heeft betaald.

5.9 De gemachtigde van de gemeente heeft erkend dat sprake is van een huwelijkse schuld doch zich primair op het standpunt gesteld dat de schuld al afgelost had kunnen zijn. Subsidiair heeft de gemachtigde van de gemeente aangevoerd dat met deze last geen rekening kan worden gehouden, omdat de man de schuld niet aflost.

Overigens wordt, aldus de gemachtigde, de verhaalsbijdrage niet naar beneden bijgesteld, als de man de schuld daadwerkelijk aflost.

5.10 De rechtbank overweegt als volgt. Het standpunt van de gemeente miskent dat, krachtens de toepasselijke alimentatienormen, in beginsel met de lasten die aan (aflossing van) een huwelijkse schuld verbonden zijn, rekening wordt gehouden. Gesteld noch gebleken dat in dit geval aanleiding zou bestaan van voornoemd beginsel af te wijken. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van de gemeente op geen enkele wijze inhoudelijk heeft onderbouwd dat sprake is van een schuld die door de man al afgelost had kunnen zijn. Dit klemt temeer nu, naar de man ter zitting heeft aangevoerd, hij was begonnen met aflossing van de schuld doch om financiële redenen genoodzaakt was hiermee stoppen omdat, kort nadat hij in 2010 met zijn nieuwe partner was gaan samenwonen, de gemeente met de verhaalsprocedure was gestart. Zijn huidige partner beschikt niet over eigen inkomsten.

De rechtbank zal met een maandelijkse last van de man van € 178 wegens verschuldigde rente rekening houden.

5.11 Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het besteedbaar inkomen van de man in 2011 op € 2.643 per maand, zijn draagkrachtloos inkomen op

€ 2.121 en het voor kinderbijdrage beschikbare bedrag op € 261 per maand. Aangezien het bedrag van € 261 onvoldoende is om geheel in de behoefte van [naam kind 2] te voorzien, dient dit te worden vermeerderd met het fiscaal voordeel en resulteert een voor kinderbijdrage beschikbaar bedrag van € 290 per maand. De rechtbank zal de door de man te betalen verhaalsbijdrage voor [naam kind 2] betreffende de periode 1 augustus 2010 tot en met 13 december 2011 op dit bedrag bepalen.

5.12 Hetgeen de man reeds daadwerkelijk heeft betaald, komt uit uiteraard in mindering op na te melden verhaalsbedrag, voor zover die betalingen betrekking hebben op de periode waarvoor na te melden vaststelling geldt.

5.13 In reactie op het verzoek van de man om te bepalen dat een eventuele verhaalsbijdrage tot uiterlijk 3 december 2014 verschuldigd zal zijn, heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat het voor de gemeente geen punt van discussie is (geweest) dat de wettelijke termijnen voor wat betreft de duur van de onderhoudsplicht van de man worden gerespecteerd. De rechtbank ziet geen aanleiding de wettelijke einddatum op te nemen in de beschikking zoals de man heeft verzocht.

kostenverooordeling

5.14 De man heeft verzocht de gemeente in de kosten van deze procedure te veroordelen. De gemachtigde van de gemeente heeft ter zitting verzocht de kosten te compenseren.

5.15 De rechtbank overweegt dat uitgangspunt is dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld. In de onderhavige zaak zijn partijen over en weer op enkele punten in het gelijk gesteld. Desalniettemin ziet de rechtbank in het onderhavige geding aanleiding om de gemeente in de kosten van de procedure te veroordelen, omdat de gemeente op alle onderdelen waarop de man verweer heeft gevoerd, zowel wat de (hoogte van de) behoefte van [naam kind 2] en de (hoogte van de) behoefte van de vrouw betreft, als de kwestie van de rente van de huwelijkse schuld, in het ongelijk is gesteld.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1 Stelt het verhaalsbedrag, dat de man in zijn hoedanigheid van onderhoudsplichtige jegens [naam kind 2], geboren op [datum] 2003 aan de gemeente wegens gemaakte kosten van bijstand betreffende de periode 1 augustus 2010 tot en met 13 december 2011 verschuldigd is, vast op € 290 per maand.

6.2 Veroordeelt de gemeente in de proceskosten tot de uitspraak van deze beschikking aan de zijde van de man begroot op € 267 aan verschotten en € 904 aan salaris voor de procureur op de voet van artikel 243 Rv. te voldoen aan de griffier.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2012.

“Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden”.