Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY9815

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
12/2826
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om kwijtschelding op grond van artikel 239 van het CDW is terecht afgewezen. Eiseres kan klaarblijkelijke nalatigheid worden verweten omdat zij, als ervaren douane-expediteur, zonder nader onderzoek is afgegaan op valse facturen van de importeur. Eiseres had zich moeten vergewissen van de inhoud van de Verordening (EG) 1484/95 waaruit blijkt dat bij de invoer van bevroren, rauw kippenvlees aanvullende rechten op landbouwproducten zijn verschuldigd zodat de hoogte van de CIF-invoerprijs van groot belang is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 352
FutD 2013-0360

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Zaaknummer: AWB 12/2826

Uitspraakdatum: 20 december 2012

Uitspraak in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigde: R.F.R. Hoekstra (Customs Solutions Improvements),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Rotterdam/Rijnmond, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft met dagtekening 6 juni 2008 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) met beschikkingnummer [A-NUMMER] uitgereikt, ten bedrage van

€ 1.776.859,09 aan aanvullende rechten op landbouwproducten.

1.2. Eiseres heeft naar aanleiding van de utb op 2 juni 2009 een verzoek om kwijtschelding ex artikel 239 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) ingediend. Verweerder heeft het verzoek bij beschikking van 27 juni 2011 afgewezen.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 mei 2012 de beschikking vermeld onder 1.2 gehandhaafd.

1.4. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. W.A.M. Uhlenbroek, tot bijstand vergezeld van E. Lugthart, D.J. Smit, L. van der Spoel en mr. A.A. Kop.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. In de periode van mei/juni 2005 tot en met 27 januari 2006 heeft eiseres als indirect vertegenwoordiger van [A-BEDRIJF] GmbH te [PLAATSNAAM] (hierna: [A-BEDRIJF]) meerdere aangiften gedaan voor de regeling brengen in het vrije verkeer van bevroren, rauw kippenvlees.

2.2. Bij de aangiften ten invoer heeft eiseres facturen overgelegd van [B-BEDRIJF] S.A., gevestigd te [PLAATSNAAM], (hierna: [B-BEDRIJF]) gericht aan [A-BEDRIJF].

2.3. In het kader van de verificatie van de aangiften heeft verweerder verzocht om aanvullende informatie op grond van artikel 3, vierde lid, van de Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassingen van de aanvullende rechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede ovoalbumine, en houdende vaststelling van deze rechten en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB nr. L 145 van 29/06/1995 blz. 0047-0051) (hierna: de Verordening (EG) 1484/95), die is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 493/1999 van de Commissie. Verweerder heeft verzocht om binnen een termijn van zes maanden de juistheid van de CIF-invoerprijs aan te tonen.

2.4. Eiseres heeft facturen van de doorverkoop van [A-BEDRIJF] aan [C-BEDRIJF] AG te [PLAATSNAAM], overgelegd. Vervolgens heeft verweerder de verificatie beëindigd.

2.5. Verweerder heeft een controle na invoer op de voet van artikel 78 van het CDW uitgevoerd bij [A-BEDRIJF]. Het onderzoek heeft betrekking op aangiften ten invoer die zijn gedaan in de jaren 2005 en 2006 en is beperkt tot het bepalen van de juistheid van de in de aangiften ten invoer opgegeven CIF-invoerprijs.

2.6. Verweerder heeft met dagtekening 6 juni 2008 aan eiseres de utb uitgereikt. In de ubt is -voor zover van belang - vermeld:

“(…)

Gezien het bovenstaande is het niet mogelijk om de aangegeven CIF-invoerprijs adequaat te

verifiëren. Bij gebrek aan andere gegevens, wordt derhalve de CIF-invoerprijs van de door [X] namens [A-BEDRIJF], ten invoer aangegeven partijen vastgesteld op basis van de representatieve prijs, zoals geldig was op de aanvaardingsdatum van de aangifte ten invoer. Dit houdt in dat de aangegeven CIF-invoerprijs in de betreffende aangiften ten invoer te hoog is vastgesteld en dat daardoor een te laag bedrag aan aanvullend recht is afgedragen. De desbetreffende aangiften worden gecorrigeerd.

Voor de aangiften ten invoer welke voor verificatie zijn aangehouden betekent dit dat de aangiften zullen worden afgewerkt met de representatieve prijs als basis voor de CIF-invoerprijs De zekerheid zal verbeurd worden.

Voor de aangiften waarvan de verificatie reeds is beëindigd (zie bijlage 3) is de CIF-invoerprijs opnieuw vastgesteld op basis van de representatieve prijs. Dit resulteert in een hoger bedrag aan aanvullend recht. De aangiften ten invoer en de meer verschuldigde aanvullende rechten zijn gespecificeerd in het overzicht dat is bijgevoegd.

Ebrex is in dit geval aangever en derhalve, op grond van artikel 201, lid 3, CDW, schuldenaar.

Totaal meer verschuldigde aanvullende rechten op landbouwproducten: € 1.776.859,09

(…)”

2.7. Eiseres heeft in een bezwaar- en beroepsprocedure de onder 1.1 vermelde utb bestreden. In die zaak heeft de rechtbank uitspraak gedaan op 3 november 2010 (kenmerk: 08/7589). In geschil was het antwoord op de vraag of de onderhavige utb terecht aan eiseres is uitgereikt. Meer in bijzonder was in geschil of er sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten zoals bedoeld in artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW.

De rechtbank oordeelde dat van een dergelijke vergissing geen sprake was zodat in het midden kon blijven of aan de overige voorwaarden van artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW is voldaan.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of in casu sprake is van een bijzondere situatie in de zin van artikel 239 van het CDW die aanleiding geeft tot de gevraagde terugbetaling, welke vraag eiseres bevestigend en verweerder ontkennend beantwoordt.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toewijzing van haar verzoek.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het proces-verbaal.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 239 van het CDW is de algemene ‘billijkheidsclausule’, waarop eiseres zich thans beroept, als volgt geformuleerd:

“1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

-welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

-welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.”

4.2. In artikel 905, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek is bepaald: “Indien het in artikel 239, lid 2, van het wetboek bedoelde verzoek om terugbetaling of kwijtschelding vergezeld gaat van bewijsstukken waarmee het bestaan kan worden aangetoond van bijzondere omstandigheden die geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende inhouden, verwijst de lidstaat waaronder de beschikkende douaneautoriteit ressorteert de zaak door naar de Commissie wanneer: (...)”. Daaruit volgt dat voor terugbetaling op grond van artikel 239 van het CDW in de gevallen die niet worden ‘gedekt’ door de specifieke situaties benoemd in de artikelen 900 tot en met 904, zoals hier, in elk geval sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden. Uit de geciteerde bepalingen volgt echter ook dat de bijzondere omstandigheden geen frauduleuze handeling of klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van de belanghebbende mogen inhouden. Terugbetaling is dus alleen aan de orde indien beide voorwaarden cumulatief zijn vervuld.

4.3. In dat kader zal de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of eiseres klaarblijkelijke nalatigheid kan worden verweten.

4.4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres zich bij de onderhavige aangiften heeft gebaseerd op facturen van leverancier [B-BEDRIJF] waarop een invoerprijs van € 344,60 per 100 kg is vermeld (zijnde een prijs die is gelegen boven de toen geldende reactieprijs van

€ 333,50/100 kg). Evenmin is in geschil dat deze prijs ongeveer 2 tot 2,5 maal hoger ligt dan de toentertijd geldende marktprijs voor bevroren, rauw kippenvlees uit [LAND] en dat nader onderzoek ook heeft uitgewezen dat in werkelijkheid een (veel) lagere CIF-invoerprijs is betaald, te weten € 147,45 per 100 kg. De facturen van [B-BEDRIJF] waren in zoverre dus vals. Eiseres is daar bij het doen van de invoeraangiften niettemin op afgegaan zodat de vraag rijst of eiseres op grond daarvan ‘klaarblijkelijke nalatigheid’ kan worden verweten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.5. Eiseres is een douane-expediteur en daarmee een professioneel marktdeelnemer. Van haar mag worden verwacht dat zij zich vergewist van het gemeenschapsrecht dat op haar transacties van toepassing is (HvJ EG 12 juli 1989, nr. 161/88, Binder, Jurispr. blz. 2415, UTC 1992/6) en dat zij alle mogelijke opheldering tracht te verkrijgen om te controleren of er aanleiding is voor twijfel (HvJ EG 26 juni 1990, zaak C-64/89, Deutsche Fernsprecher, Jurispr. blz. I-2535, UTC 1992/53, punt 22). In deze zaak houden deze verplichtingen onder meer in dat eiseres zich had moeten vergewissen van de inhoud van de Verordening (EG) 1484/95, die is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 493/1999. Uit die inhoud volgt dat voor het antwoord op de vraag of bij invoer van bevroren, rauw kippenvlees, zoals hier, aanvullende rechten op landbouwproducten zijn verschuldigd, de CIF-invoerprijs van groot belang is. Als de aangegeven CIF-invoerprijs per 100 kg namelijk lager is dan de op dat moment geldende representatieve prijs (kortweg: de gemiddelde marktprijs op een bepaald moment), dan wordt het verschuldigde aanvullende recht bepaald op het verschil tussen de reactieprijs en de aangegeven CIF-invoerprijs.

4.6. Gelet op het doorslaggevend belang van de CIF-invoerprijs in dezen, had eiseres zich voorafgaande aan het doen van de desbetreffende invoeraangiften, op de hoogte moeten stellen van de gangbare prijzen voor uit [LAND] afkomstig bevroren, rauw kippenvlees. Dit had zij eenvoudigweg kunnen doen door zich in verbinding te stellen met het productschap voor pluimvee en vlees. Gesteld noch gebleken is dat eiseres in dat kader enig onderzoek heeft verricht. Had zij dit wel gedaan, dan zou zij hebben geconstateerd de door [B-BEDRIJF] in rekening gebrachte prijzen ongeveer 2 tot 2,5 maal hoger lagen dan de gangbare marktprijzen zodat er aanleiding was voor twijfel en nader onderzoek. Het is immers niet aannemelijk dat een grote importeur als [A-BEDRIJF] bereid zou zijn dergelijke, in vergelijking met de concurrentie, hoge prijzen te betalen. Door zelf geen onderzoek naar de CIF-prijs te doen, en zonder meer op de (valse) facturen van [B-BEDRIJF] af te gaan, kan eiseres klaarblijkelijke nalatigheid worden verweten zodat zij niet met succes een beroep op de algemene billijkheidsclausule van artikel 239 van het CDW kan doen. De stelling van eiseres dat zij vóór mei 2005 geen ervaring had met het inklaren van (bevroren, rauw) kippenvlees, kan daar niet aan afdoen. Ook in dat geval gelden immers de hiervoor beschreven hoge eisen die aan een professioneel markdeelnemer worden gesteld.

4.7. Gelet op het voorgaande kan onbesproken blijven of in de voorliggende zaak sprake is van een bijzonder omstandigheid ex artikel 239 van het CDW.

4.8. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Hummel, voorzitter, mr. A.J. Roke en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.