Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY9814

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
12/242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor de bepalingen die de bijzondere regeling voor beleggingsgoud vormen, geldt geen andere definitie van het begrip belastingplichtige dan die gegeven in artikel 9 van de BTW-Richtlijn. Eiser is dan ook belastingplichtige in de zin van de BTW-Richtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 470 met annotatie van van denElsen
FutD 2013-0353
V-N Vandaag 2013/226
V-N 2013/17.21

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 12/242

Uitspraakdatum: 19 december 2012

Uitspraak in het geding tussen

[X] wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: R.R.P. Renique,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij beschikking van 22 juli 2011 geweigerd de door eiser voor de jaren 2008 tot en met 2010 gevraagde teruggaaf omzetbelasting te verlenen.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2011 de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Nadat partijen hiertoe toestemming hebben verleend, heeft de rechtbank besloten uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Eiser bezit op 1 januari 2011 157,5 kilogram zilver en 1,8 kilogram goud. Eiser heeft in 2011 3 kilogram goud gekocht en 157,5 kilogram zilver en 3,6 kilogram goud verkocht.

3. Geschil

In geschil is of eiser belastingplichtige is voor de heffing van btw in het kader van de bijzondere regeling voor beleggingsgoud.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Anders dan eiser betoogt, ziet de rechtbank in de bepalingen die de bijzondere regeling voor beleggingsgoud vormen (hoofdstuk 5 van de Btw-richtlijn) geen aanwijzing dat voor deze regeling een andere definitie van het begrip ‘belastingplichtige’ zou gelden dan die bedoeld in titel III, artikel 9 van de Btw-richtlijn.

4.1.2. Wanneer in titel XII met als opschrift ‘Bijzondere regelingen’, waartoe behoort hoofdstuk 5 met als opschrift ‘Bijzondere regeling voor beleggingsgoud’ (bijvoorbeeld in artikel 349), van de Btw-richtlijn de woorden ‘aan een andere belastingplichtige’ worden gebruikt, wordt uitsluitend gedoeld op een belastingplichtige zoals gedefinieerd in titel III van de Btw-richtlijn met als opschrift ‘Belastingplichtigen’. Deze woorden hebben niet de strekking die eiser eraan toekent, namelijk dat iedere koper van beleggingsgoud als belastingplichtige voor de btw moet worden beschouwd. De uitleg die eiser aan deze woorden geeft, volgt niet logisch uit de samenhang binnen de Btw-richtlijn en is in strijd met doel en strekking van de regeling voor beleggingsgoud.

4.1.3. De artikelen 352 en 353 van de Btw-richtlijn kunnen, anders dan eiser betoogt, niet in die zin worden opgevat dat deze artikelen de lidstaten verplichten om een gereglementeerde goudmarkt in te stellen waarbinnen het in deze artikelen gebruikte begrip ‘belastingplichtigen’ een andere betekenis heeft dan elders in de Btw-richtlijn. Deze bepalingen zijn discretionaire bepalingen, die de lidstaten de mogelijkheid geven om na raadpleging van het BTW-Comité specifieke handelingen met betrekking tot beleggingsgoud binnen een door de betrokken lidstaat gereglementeerde goudmarkt aan de btw te onderwerpen. Deze bepalingen scheppen geen verplichting voor de lidstaten, in casu Nederland, om een gereglementeerde goudmarkt in te stellen. Hoe het begrip ‘belastingplichtigen’ binnen het kader van een gereglementeerde goudmarkt moet worden uitgelegd, kan in het midden blijven nu Nederland een dergelijke markt niet heeft ingesteld.

4.1.4. De rechtbank zal het geschilpunt dan ook beoordelen op grond van de bepalingen in titel III van de Btw-richtlijn, en in het bijzonder artikel 9, eerste lid, van de Btw-richtlijn.

4.2. Artikel 9, eerste lid, eerste volzin, van de Btw-richtlijn bepaalt dat als ‘belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit. Artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Btw-richtlijn bepaalt dat als ‘economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmee gelijkgestelde beroepen. Artikel 9, eerste lid, derde volzin, van de Btw-richtlijn bepaalt dat als economische activiteit in het bijzonder wordt beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.

4.3. De rechtbank stelt vast dat eiser edelmetaal (goud en zilver) koopt om dit te zijner tijd onder gunstige omstandigheden te verkopen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze activiteit te vergelijken met die van personen die bijvoorbeeld effecten of andere goederen kopen om deze later met winst te verkopen. Gegeven dat edelmetaal in eigendom geen regelmatig terugkerend rendement oplevert en geen duurzame relatie doet ontstaan tussen de eigenaar en de afnemer van een met dit edelmetaal te verrichten prestatie, kan niet worden gesproken van de exploitatie van een lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Btw-richtlijn. De vraag die beantwoord dient te worden is derhalve of eiser als handelaar in edelmetaal kan worden beschouwd en uit dien hoofde belastingplichtige is zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Btw-richtlijn.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de onder 4.3 geformuleerde vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan worden afgeleid dat de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht op zich niet als een economische activiteit kan worden beschouwd (zie onder andere het arrest van 20 juni 1996, zaak C-155/94, Wellcome Trust en het arrest van 29 april 2004, zaak C-77/01, EDM). Het Hof van Justitie heeft in dit verband onder andere geoordeeld dat de omvang van een (aandelen)verkoop noch de omstandigheid dat in het kader van een dergelijke verkoop een beroep is gedaan op consultancybureaus, als criteria kunnen dienen om een onderscheid te maken tussen de activiteiten van een particuliere investeerder, die buiten het toepassingsgebied van de Btw-richtlijn vallen, en die van een investeerder waarvan de operaties een economische activiteit vormen.

4.5. Nu de activiteiten van eiser zijn beperkt tot de aanschaf van bepaalde hoeveelheden edelmetaal en – op een gunstig tijdstip – de verkoop ervan zonder dat sprake is van actieve deelname aan het economische verkeer, is eiser niet aan te merken als handelaar in de zin van artikel 9, eerste lid, tweede volzin, van de Btw-richtlijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser bij de aanschaf van het edelmetaal meer heeft gedaan dan het loutere beheer van zijn vermogen door te kiezen voor de in zijn ogen best mogelijke investering daarvan.

4.6.1. Dat eiser het edelmetaal niet verbruikt, maakt het voorgaande – anders dan eiser voorstaat – niet anders. De stelling dat eindverbruik kenmerkend is voor particuliere handelingen en dat, zo van eindverbruik geen sprake is, zoals hier, kennelijk is gehandeld als belastingplichtige in de zin van de Btw-richtlijn dan wel als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), wordt verworpen. Deze stelling mist doel omdat particulieren niet zelden hun vermogen plegen te beleggen in waardepapieren of waardevolle (onroerende) goederen, niet met het oog op het verbruik van die goederen, maar om deze op een later tijdstip voor een gunstiger prijs te verkopen. Een dergelijke activiteit valt mede te begrijpen onder ‘normaal vermogensbeheer’ en leidt niet tot belastingplicht in de zin van de Btw-richtlijn dan wel ondernemerschap in de zin van de Wet OB.

4.6.2. Hoewel de btw in artikel 1, tweede lid, van de Btw-richtlijn als een algemene verbruiksbelasting wordt aangeduid, betekent dit dus niet dat de daadwerkelijke heffing of verschuldigdheid van btw afhangt van de vraag of verbruik plaatsvindt.

4.7. Voorts verwerpt de rechtbank het standpunt van eiser dat uit het Wetboek van Strafrecht of de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme zou voortvloeien dat een ieder die edelmetaal aankoopt (of in Nederland invoert) belastingplichtige is voor de btw en – al is het uit voorzorg, bijvoorbeeld uit vrees dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard – aan de in de regeling voor beleggingsgoud opgenomen administratieve verplichtingen moet voldoen. Uitsluitend de relevante bepalingen in de Btw-richtlijn (opgenomen in titel III) zijn leidend bij de beoordeling of sprake is van een belastingplichtige voor de btw.

4.8. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op het beginsel van de fiscale neutraliteit. De rechtbank verwerpt dit beroep. Dit beginsel houdt weliswaar in dat alle gelijksoortige economische activiteiten gelijk moeten worden behandeld, doch het veronderstelt eveneens dat de betrokken activiteit als economische activiteit kan worden gekwalificeerd, wat hier niet het geval is. Eiser kan zich daarom niet op het neutraliteitsbeginsel beroepen om een beleggingsactiviteit, zoals hij deze verricht, als een economische activiteit erkend te krijgen.

4.9. De slotsom luidt dat verweerder de verzoeken om teruggaaf terecht heeft afgewezen. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.J. Roke en

mr. C.J. Hummel, rechters, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.