Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY9783

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
29-01-2013
Zaaknummer
12/3520
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2014:3488, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

30%-regeling. Eiser is student uit Duitsland komt in Nederland studeren en wonen. Eiser vindt na zijn studie een baan in Nederland. Eiser is geen uit het buitenland aangeworven werknemer. De periode dat hij voor de studie in Nederland woonachtig is dient bij die beoordeling te worden meegenomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 327
FutD 2013-0338
V-N Vandaag 2013/230
V-N 2013/15.15

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 12/3520

Uitspraakdatum: 12 december 2012

Uitspraak in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor buitenland, Heerlen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking als bedoeld in artikel 10ei van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (tekst 2011, hierna: het Besluit) van 4 april 2012 heeft verweerder het verzoek van eiser om toepassing van de bewijsregel als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst 2011, hierna: Wet LB) gelezen in verbinding met artikel 10ea van het Besluit (de zogenoemde 30%-regeling), afgewezen.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012 het bezwaar van eiser tegen de afwijzende beschikking niet-ontvankelijk verklaard en hij heeft voorts bij ambtshalve beslissing de beschikking gehandhaafd. Verweerder heeft bij nadere beslissing van 13 juni 2012 het bezwaar afgewezen.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2012. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen P.E.J.M. Baretta en E.A. Hehalatu.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Duitse nationaliteit.

2.2. Tot het einde van zijn eerste studie in augustus 2003 heeft eiser in Duitsland gewoond. Eiser heeft in Duitsland de graad van bachelor internationale betrekkingen behaald.

2.3. Van september 2007 tot augustus 2008 heeft eiser gestudeerd aan de Universiteit van [PLAATSNAAM] en de graad van meester in de rechten in internationaal en Europees recht behaald.

2.4. Van september 2008 tot september 2009 heeft eiser een traineeprogramma gevolgd in [PLAATSNAMEN].

2.5. In oktober 2009 is eiser een bachelor studie (LL.B) rechten gestart aan de Universiteit van [PLAATSNAAM]. Eiser is vanaf oktober 2009 tot 3 november 2011 woonachtig in [PLAATSNAAM] aan de [adres]. Na een vakantie in het buitenland is eiser op 24 november 2011 verhuisd naar de [adres]. Eiser staat vanaf 9 november 2009 onafgebroken ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie in [PLAATSNAAM].

2.6. Eiser heeft op 30 augustus 2011 gesolliciteer[A-BEDRIJF]IJF] te [PLAATSNAAM] (hierna: [A-BEDRIJF]) en is daar bij overeenkomst van 17/18 oktober 2011 per 1 december 2011 in dienstbetrekking getreden.

2.7. Eisers verzoek om toepassing van de 30%-regeling is afgewezen bij beschikking van 4 april 2012. Het daartegen ingestelde bezwaar van 16 mei 2012 is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012. Nadat eiser telefonisch contact heeft opgenomen met verweerder, heeft deze bij brief van 13 juni 2012 opnieuw op het bezwaar beslist, in die zin dat hierin is vermeld dat de afwijzing voor de toepassing van de 30%-regeling wordt gehandhaafd. Verweerder heeft in deze brief voor de volledigheid opgemerkt dat het bezwaar tijdig is ingediend. Deze brief bevat voorts een rechtsmiddelverwijzing waarin een termijn voor beroep van zes weken is opgenomen.

2.8. Het beroep van eiser is door de rechtbank ontvangen op 25 juli 2012.

3. Geschil

3.1. In geschil is of eiser recht heeft op toepassing van de 30%-regeling. Meer specifiek is in geschil of eiser ter zake van zijn diensbetrekking bij [A-BEDRIJF] uit het buitenland is aangeworven.

3.2. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en toepassing van de 30%-regeling. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover eiser bij de uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en tot handhaving van de afwijzende beschikking.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid beroep

4.1. Ten eerste dient te worden beoordeeld of eiser ontvankelijk is in zijn beroep. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

4.2. Anders dan eiser veronderstelde is voor aanvang van de beroepstermijn de dagtekening van de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012 beslissend, en niet die van de nadere beslissing van 13 juni 2012 (vlg. HR 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516). De termijn voor het indienen van beroep eindigde derhalve op 20 juli 2012. Het beroepschrift is na deze termijn ontvangen op 25 juli 2012 en eiser heeft ter zitting verklaard dat hij het beroepschrift op 23 juli 2012 ter post heeft bezorgd, hetgeen ook na afloop van de termijn is. Het beroepschrift is derhalve na afloop van de wettelijke beroepstermijn ingediend.

4.3. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift de niet-ontvankelijkverklaring daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat hij ervan uitging dat verweerder een nieuwe uitspraak op bezwaar kon doen waartegen opnieuw beroep kon worden ingesteld en dat in die brief van 13 juni 2012 ook een rechtsmiddelverwijzing van zes weken is opgenomen. Voorts heeft eiser zich beroepen op een telefoongesprek naar aanleiding van uitspraak van 8 juni 2012. Naar de verklaring van eiser ter zitting heeft verweerder in dat gesprek gezegd dat de eerste uitspraak onjuist was, dat hij een nieuwe uitspraak zou doen, dat eiser deze nieuwe uitspraak kon afwachten en dat eiser daartegen in beroep kon gaan. Eiser heeft gesteld dat hij aan deze mededelingen vertrouwen heeft ontleend dat hij tegen de nieuwe uitspraak op bezwaar in beroep kon gaan en dat daarvoor een nieuwe termijn ging lopen. Verweerder heeft bevestigd dat eiser telefonisch contact heeft opgenomen naar aanleiding van de uitspraak van 8 juni 2012 en dat eiser daarbij terecht heeft opgemerkt dat het bezwaar in de uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaar tijdig was ingediend. Verweerder heeft vervolgens een nieuwe beslissing genomen. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat goed mogelijk is dat telefonisch een mededeling is gedaan waaraan eiser het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat de beroepstermijn ging lopen vanaf de nadere beslissing op het bezwaar.

4.4. De rechtbank acht gelet op de verklaringen van partijen en de inhoud van de nadere beslissing van 13 juni 2012 aannemelijk dat eiser in het telefonische overleg op het verkeerde been is gezet door verweerder ten aanzien van de termijn waarbinnen het beroep kon worden ingesteld. Gelet hierop en op de in de brief van 13 juni 2012 opgenomen rechtsmiddelverwijzing van zes weken is bij eiser binnen de wettelijke beroepstermijn het vertrouwen gewekt dat hij binnen zes weken na de brief van 13 juni 2012 in beroep kon gaan. Aldus kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Eiser wordt derhalve ontvankelijk verklaard in zijn beroep.

4.5. Aangezien het bezwaarschrift naar het oordeel van de rechtbanktijdig tijdig is ingediend, dient de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012 te worden vernietigd omdat eiser daarin ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. In de regel dient de rechtbank in een dergelijk geval met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb verweerder op te dragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank ziet echter reden om van die regel in het onderhavige geval af te wijken aangezien eiser niet wordt benadeeld indien de rechtbank in de zaak voorziet. Er bestaat tussen partijen geen geschil over de van belang zijnde feiten, en verweerder is zowel in bezwaar als beroep ingegaan op het materiële geschil.

4.6. Voor zover eiser tevens beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van verweerder van 13 juni 2012, is dat beroep niet-ontvankelijk, aangezien de beslissing van 13 juni 2012 niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, tweede lid, van de Awb beroep kan worden ingesteld (zie HR 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516).

30%-regeling

4.7. Op grond van artikel 31a, tweede lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet LB zijn, onder bepaalde voorwaarden, vergoedingen die een inhoudingsplichtige aan een werknemer verstrekt ter zake van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst tot ten hoogste 30% van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten als vrije vergoeding aan te merken. In artikel 10ea van het Besluit is de zogenoemde bewijsregel opgenomen die ten aanzien van ingekomen werknemers, enigszins vereenvoudigd, inhoudt dat vergoedingen tot 30% van het loon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten worden geacht vergoedingen van extraterritoriale kosten te zijn.

4.8. In artikel 10e, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit wordt - voor zover hier van belang - onder een ingekomen werknemer verstaan: een door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven werknemer in de zin van artikel 2 van de Wet LB, met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is.

4.9. Niet in geschil is dat eiser een specifieke deskundigheid bezit die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is. Evenmin is in geschil dat eiser ten tijde van zijn studie en de aanwerving door [A-BEDRIJF] in Nederland woonachtig was. Partijen houdt verdeeld of eiser onder die omstandigheid kan worden aangemerkt als een uit een ander land aangeworven werknemer. Eiser stelt zich, anders dan verweerder, op het standpunt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2008, nr. 07/12637, LJN: BD3167 kan worden afgeleid dat de periode dat een aangeworven werknemer woonachtig is Nederland tijdens zijn stage of studie in Nederland niet in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een uit het buitenland aangeworven werknemer.

4.10. Degene die een arbeidsovereenkomst aangaat met een inhoudingsplichtige op een tijdstip waarop hij zijn woonplaats buiten Nederland heeft en niet - anders dan in situaties als opleiding of stage - in Nederland werkzaam is, kan worden aangemerkt als “door een inhoudingsplichtige uit een ander land aangeworven”. Situaties als opleiding of stage blijven buiten beschouwing bij de beoordeling of een werknemer ten tijde van de aanwerving in Nederland werkzaam was. De Hoge Raad overwoog in het door eiser genoemde arrest:

“Ter beantwoording van de vraag of belanghebbende door PTC uit een ander land is aangeworven, diende het Hof te beoordelen of PTC met belanghebbende een arbeidsovereenkomst is aangegaan op een moment waarop belanghebbende haar woonplaats buiten Nederland had en niet - anders dan in situaties als opleiding of stage - in Nederland werkzaam was (vgl. HR 28 april 2006, nr. 41 084, 2006/262 en HR 28 april 2006, nr. 41 919, 2006/266). Nu vaststaat dat de werkzaamheden die belanghebbende voor PTC in het kader van de eerdere arbeidsovereenkomst heeft verricht, plaatsvonden in het kader van een opleiding, heeft het Hof deze eerdere arbeidsovereenkomst terecht en op goede gronden buiten beschouwing gelaten, zowel bij de bepaling van het moment waarop is aangeworven, als bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende op dat moment al of niet in Nederland werkzaam was.”

4.11. Anders dan eiser heeft betoogd kan uit dit arrest niet worden afgeleid dat de periode dat een aangeworven werknemer woonachtig is in Nederland tijdens zijn stage of studie in Nederland niet in aanmerking dient te worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een uit het buitenland aangeworven werknemer. Het arrest ziet immers slechts op de situatie dat een werknemer werkzaam is in Nederland op het moment dat hij wordt aangeworven, maar zich nog niet metterwoon in Nederland heeft gevestigd. De rechtbank ziet gelet op het feit dat eiser reeds in Nederland woonde op het moment dat hij werd aangeworven door [A-BEDRIJF], in de toepasselijke wet- en regelgeving geen ruimte voor toepassing van de 30%-regeling.

Conclusie

4.12. Nu eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, dient het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012 gegrond te worden verklaard. Gelet op het vorenoverwogene dient de beschikking van 4 april 2012 waarbij het verzoek om toepassing van de 30%-regel is afgewezen te worden gehandhaafd. Voor zover eiser beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 13 juni 2012 dient dat niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu dergelijke kosten zijn gesteld noch gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen de beslissing van 13 juni 2012 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012 gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar van 8 juni 2012;

- handhaaft de beschikking van 4 april 2012;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J.E. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.