Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY8797

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/5141
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan verzoeker deelname aan een alcoholslotprogramma opgelegd. Verzoeker bestrijdt op een aantal punten de opgemaakte processen-verbaal van politie. Hij onderbouwt dit echter niet. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK [woonplaats]

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5141

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 december 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

en

de algemeen directeur van het Centraal bureau rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: S.J.M. van der Ark).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2012 (het besluit) heeft verweerder per 13 november 2012 verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard en aan verzoeker opgelegd dat hij deelneemt aan een alcoholslotprogramma.

Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012. Verzoeker is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 10 oktober 2012 heeft de korpschef van de regiopolitie Kennemerland aan verweerder een mededeling gedaan zoals bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw). Uit deze mededeling komt naar voren dat verzoeker op 15 mei 2012 is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wvw, omdat verzoeker op die datum als bestuurder van een motorrijtuig een ademalcoholgehalte had van 690 ug/l. Voorts is verzoeker op 9 oktober 2012 aangehouden als bestuurder van een motorrijtuig met een ademalcoholgehalte van 285 ug/l. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder het besluit genomen.

3. Verweerder vermoedt op grond van voormelde mededeling van de korpschef dat verzoeker niet langer voldoet aan de wettelijke geschiktheidseisen die worden gesteld aan de houders van een rijbewijs. Om die reden is verzoekers rijbewijs ongeldig verklaard en is hem deelname aan een alcoholslotprogramma opgelegd.

4. Verzoeker kan zich niet met het besluit verenigen. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte aan het besluit ten grondslag legt dat verzoeker op 15 mei 2012 is aangehouden met 650 ug/l. Volgens verzoeker had hij op dat moment geen alcohol gedronken. Hij was op dat moment al de gehele dag aan het spoelen met onder meer schoonmaakalcohol vanwege een gebitsbehandeling. Ter zitting heeft verzoeker hierover een verklaring van zijn tandarts overgelegd. Ook heeft hij verklaard dat hij onmiddellijk bij zijn aanhouding aan de politie heeft verteld dat hij zijn mond met schoonmaakalcohol had gespoeld. Voorts is volgens verzoeker de op 15 mei 2012 afgenomen blaastest onwettig, omdat verzoeker onmiddellijk na de aanhouding moest blazen. Verzoeker is verder van mening dat hem ten onrechte een bloedtest is geweigerd, nadat hij daarom had gevraagd.

Ook voert verzoeker aan dat de politie hem niet in staat heeft gesteld contact op te nemen met een advocaat. Verzoeker wijst er ook op dat hij van de politie zijn rijbewijs heeft teruggekregen. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat hij niet ongeschikt is voor het besturen van motorrijtuigen. Omdat verweerder op een onjuiste manier met de gebeurtenis van 15 mei 2012 is omgegaan, dreigt verzoeker nu zijn baan te verliezen. Verzoeker wijst er in dit verband op dat zijn werkgever een alcoholslot in de leaseauto niet zal accepteren.

5. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en ter zitting verweer gevoerd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

6. Bij de stukken bevinden zich door verbalisanten van de regiopolitie Kennemerland op ambtsbelofte dan wel ambtseed opgemaakte processen-verbaal van 15 mei 2012. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van ter zake vaste jurisprudentie een bestuursorgaan, zoals in dit geval verweerder, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt.

7. Dat verzoeker onmiddellijk bij zijn aanhouding op 15 mei 2012 bij de politie zou hebben verklaard dat hij zijn mond die dag met schoonmaakalcohol had gespoeld, blijkt niet uit de processen-verbaal. Uit de verklaring van verzoekers tandarts van 30 november 2012 komt voorts naar voren dat verzoeker zijn mond al lang spoelt met chloorhexidine. Deze verklaring ondersteunt dus niet verzoekers stelling dat hij een half jaar daarvoor, op 15 mei 2012, zijn mond heeft gespoeld met schoonmaakalcohol. Voor zover al wel aannemelijk zou worden dat verzoeker op 15 mei 2012 met schoonmaakalcohol zijn mond had gespoeld, dan nog heeft verzoeker daarmee niet aannemelijk gemaakt dat dit spoelen de uitslag van de alcoholademtest heeft beïnvloed. In dit verband is nog van belang dat volgens het proces-verbaal verzoeker op 15 mei 2012 omstreeks 03.40 uur tegenover de politie onder meer heeft verklaard dat hij vanaf 14.00 uur de vorige dag 6 glazen mix had gedronken (4 Bacardi-cola en 2 Wodka-bitter lemon) en twee glazen wijn.

8. Dat verzoeker onmiddellijk na zijn aanhouding de blaastest heeft moeten afleggen, blijkt evenmin uit de processen-verbaal. Het tijdstip van verzoekers aanhouding is overigens in dit verband niet van belang. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat de zogeheten 20-minutenregel, zoals vermeld in artikel 6 van het Besluit Alcoholonderzoeken, op 15 mei 2012 door de regiopolitie Kennemerland is nageleefd. Uit het proces-verbaal misdrijf blijkt onder meer dat de politie om 01.37 uur van verzoeker heeft gevorderd mee te werken aan een blaastest, terwijl deze is afgenomen om 02.06 uur. Tussen deze tijdstippen zitten meer dan 20 minuten. Dat een en ander op een andere wijze is gegaan, zoals verzoeker stelt, heeft hij niet met enig bewijs onderbouwd.

9. Verzoeker stelt voorts dat hij heeft gevraagd om een bloedonderzoek. Ter zitting heeft verzoeker aangegeven dat de verbalisanten tegen hem hebben gezegd dat er geen dokter aanwezig was en dat verzoeker in de cel moest blijven tot er een dokter kwam. Verzoeker heeft daar niet op willen wachten, zo stelt hij.

Ook deze weergave van hetgeen is voorgevallen, wijkt af van hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal misdrijf van 15 mei 2012. Uit dit proces-verbaal komt immers naar voren dat verzoeker, nadat hem de uitslag van de blaastest was meegedeeld, niet heeft gevraagd om een tegenonderzoek naar aanleiding van het onderzoeksresultaat. Ook hier heeft verzoeker de door hem naar voren gebrachte lezing van het gebeurde niet met enig bewijs onderbouwd.

10. Dat de verbalisanten verzoeker niet in staat hebben gesteld contact op te nemen met een advocaat, zoals hij stelt, blijkt evenmin uit de processen-verbaal. Uit het proces-verbaal aanhouding, het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m aanhouding en het proces verbaal van verhoor verdachte komt immers naar voren dat de politie verzoeker tweemaal in de gelegenheid heeft gesteld om telefonisch contact op te nemen met een advocaat. Dit leidde niet tot enig resultaat, waarop de verbalisanten besloten het verhoor van verzoeker uit te stellen. Uiteindelijk heeft het verhoor van verzoeker plaatsgevonden op 15 mei 2012 om 03.40 uur, nadat verzoeker had verklaard een verklaring te willen afleggen. Ook op dit punt heeft verzoeker zijn stelling niet onderbouwd.

11. Dat de regiopolitie Kennemerland verzoekers rijbewijs aan hem heeft teruggegeven, is niet relevant. Wat wel relevant is, is dat door verzoekers aanhouding en blaastest aannemelijk is geworden dat verzoeker onder invloed van een hoger ademalcoholgehalte dan vermeld in, artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling een motorrijtuig heeft bestuurd. Verweerder is op deze grond bevoegd te besluiten dat verzoeker zich dient te onderwerpen aan een alcoholslotprogramma.

12. Tot slot kunnen de door verzoeker vermelde gevolgen van het besluit van 6 november 2012 geen gewicht in de schaal leggen. De toepasselijke regelgeving biedt verweerder, en in zijn voetspoor ook de rechter, geen mogelijkheden rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker.

13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.E. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

6 december 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.