Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY7792

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
12/4001
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Onroerend goed in Turkije. Eisers hebben geen openheid van zaken gegeven. De rechtbank is van oordeel dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat er bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting nog een (aanvullend) recht op bijstand zou hebben bestaan. Er was voor verweerder gelet hierop geen reden het terugvorderingsbedrag te matigen. Verweerder was niet bevoegd de verschuldigde proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met de terugvordering, nu deze bevoegdheid niet bij wet is voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 4001

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 december 2012

in de zaak van:

[eiser], eiser

[eiser], eiseres

wonende te [woonplaats],

tezamen te noemen, eisers,

gemachtigde: mr. E.T. Panneflek, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2011 heeft verweerder aan eisers meegedeeld dat hun uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) wordt herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 1999 tot 1 april 2009. Tevens is meegedeeld dat een bedrag van € 95.506,08 aan ten onrechte verstrekte uitkering van eisers wordt teruggevorderd.

Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft verweerder het besluit gegrond verklaard, wat betreft de hoogte van het teruggevorderde bedrag. Verweerder heeft het terugvorderingsbedrag verlaagd naar € 92.706,67. Verweerder heeft de verschuldigde proceskostenvergoeding in bezwaar van € 1.748,- van dit bedrag afgetrokken en aan eisers is meegedeeld dat zij een nog bedrag van in totaal € 90.958,67 dienen terug te betalen.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 4 december 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door P. Koehnen en D. Uç.

2. Overwegingen

2.1 Eisers hebben voor zover hier relevant van 22 januari 1998 tot 1 oktober 2000 en van 12 mei 2003 tot en met 31 maart 2009 van verweerder een bijstandsuitkering naar de norm van een echtpaar ontvangen, laatstelijk op grond van de WWB. Naar aanleiding van een anonieme melding in 2009 heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de rechtmatigheid van de aan hen verleende uitkering. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat eisers sedert 28 november 1996 een woning bezitten in [plaatsnaam], Turkije waarvan de waarde in 2009 is getaxeerd op € 36.700,--. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder geoordeeld dat de bijstandsuitkering ten onrechte is verleend, zodat de uitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken vanaf 1 januari 1999 en de onverschuldigd betaalde bijstand is teruggevorderd.

2.2 Verweerder stelt zich in het besluit op bezwaar op het standpunt dat eisers hun inlichtingenverplichting hebben geschonden door het bezit van een huis in Turkije niet aan verweerder te melden. Daardoor is het recht op bijstand in genoemde periode, volgens verweerder, niet (meer) vast te stellen.

2.3 Eisers hebben in beroep allereerst bestreden dat zij de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij stellen dat zij niet wisten dat zij het bezit van een appartement in Turkije hadden moeten melden. Zij beheersen de Nederlandse taal onvoldoende om het inlichtingenformulier voldoende te kunnen begrijpen.

Verweerder blijft op dit punt bij zijn eerder in bezwaar ingenomen standpunt.

2.4 In artikel 17, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of recht op bijstand. Voor de inwerkingtreding van artikel 17 van de WWB gold in dit opzicht artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw), welk artikel eenzelfde strekking had als artikel 17 van de WWB.

2.5 In artikel 54, derde lid, aanhef en onder a van de WWB is bepaald dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.6 Vast staat dat eisers in ieder geval van 22 januari 1998 tot 1 oktober 2000 en van 12 mei 2003 tot en met 31 maart 2009 een bijstandsuitkering hebben ontvangen. Vast staat voorts dat eisers op 28 november 1996 eigenaar zijn geworden van een woning in Turkije. Het bezit van een woning in Turkije is onmiskenbaar een gegeven waarvan eisers melding hadden moeten doen bij verweerder, omdat het van invloed kon zijn op hun recht op bijstand. Naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) rechtvaardigt het feit dat de eigendom van een onroerende zaak is geregistreerd op naam van een uitkeringsgerechtigde de vooronderstelling dat dit onroerend goed een bestanddeel vormt van diens vermogen. De stelling van eisers dat zij niet wisten dat zij dit moesten melden, wordt niet gevolgd, nu op de rechtmatigheidsformulieren in de betreffende periode expliciet naar het bezit van onroerend goed wordt gevraagd. Het ontbreken in het dossier van het formulier waarmee in 1998 bijstand zou zijn aangevraagd, maakt dit niet anders. Indien eisers de vraag op het rechtmatigheidsformulier niet goed zouden hebben kunnen begrijpen had het op hun weg gelegen hiernaar navraag te doen bij verweerder dan wel rechtshulp in te schakelen.

2.7 Naar vaste rechtspraak van de CRvB levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

2.8 Uit het taxatierapport van de woning dat namens verweerder is opgesteld blijkt dat de woning in Turkije is getaxeerd op een bedrag van € 36.700,--. Eisers hebben tegenover dit taxatierapport geen andersluidend rapport op laten stellen over de huidige waarde dan wel de waarde van de woning in 1999. Nu eisers niet hebben aangetoond dat de woning veel minder waard is, kon verweerder uitgaan van het in het taxatierapport genoemde bedrag van € 36.700,-. Aangezien hiermee het vermogen van eisers in de gehele in dit geding te beoordelen periode van 1 januari 1999 tot 1 april 2009 de geldende vermogensgrens overschreed, hadden zij over die periode geen recht op algemene bijstand. Eiser heeft ter zitting nog gesteld dat de woning is verkocht, maar heeft zich niet willen uitlaten over de verkoopdatum en prijs waarvoor de woning is verkocht, zodat deze enkele stelling niet tot een ander oordeel kan leiden.

2.9 Verweerder was gelet op het voorgaande dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van eiseres in te trekken met ingang van 1 januari 1999.

2.10 Volgens artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die bijstand heeft verleend, kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.11 Verweerder heeft zijn beleid ten aanzien van terugvorderingen vastgelegd in de “Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen 2011” (hierna: de Beleidsregels).

2.12 In artikel 66, eerste lid, van de Beleidsregels staat dat het college in alle gevallen waarin het college bevoegd is om uitkeringsbesluiten te herzien of in te trekken, een uitkering terug te vorderen en teruggevorderde bedragen in te vorderen of door verrekening te innen, in volle omvang van deze bevoegdheden gebruik maakt. In het tweede lid is bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, het college geheel of gedeeltelijk kan afzien van terugvordering indien dringende redenen dit rechtvaardigen, of indien en voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk een bijzondere grond voor matiging opleveren.

2.13 Nu verweerder bevoegd was om de uitkering van eisers in te trekken, vloeit daaruit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan. Verweerder heeft zich op die grondslag terecht bevoegd geacht om tot terugvordering over te gaan.

2.14 Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat als de inlichtingenplicht is geschonden, het aan eisers is om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen, dan wel aannemelijk te maken dat, indien de inlichtingenverplichting wel zou zijn nagekomen, over het betreffende tijdvak wel (aanvullende) bijstand zou zijn verleend. Eisers hebben dit nagelaten.

2.15 Namens eisers is vervolgens subsidiair aangevoerd, dat, indien de rechtbank verweerders standpunt volgt dat zij hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, ten onrechte het hele bedrag aan verstrekte bijstand wordt teruggevorderd. Eisers stellen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 2009 (LJN: BH9423) dat verweerder ten onrechte niet heeft onderkend dat, wanneer de waarde van het verzwegen vermogen lager is dan het terug te vorderen bedrag, bij terugvordering van bijstand in verband met dat vermogen dient te worden berekend hoelang eisers hadden moeten interen op hun vermogen voordat zij weer recht zouden hebben gehad op bijstand en dat alleen over die periode bijstand mag worden teruggevorderd. Volgens berekening van eisers hadden zij, rekening houdend met het taxatiebedrag van € 36.700,--, in de periode van 1 januari 1999 tot 1 juni 2001 (29 maanden) moeten interen op hun vermogen en heeft verweerder ten onrechte ook de bijstandsuitkering na 1 juni 2001 ingetrokken. Het terugvorderingsbedrag moet dan ook lager worden vastgesteld.

2.16 Eisers kunnen niet in dit standpunt worden gevolgd. Immers, in de uitspraak die is aangehaald was door de betrokkene voldoende aannemelijk gemaakt dat bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting slechts over een relatief korte periode geen recht op algemene bijstand bestond, waardoor aanleiding bestond het terugvorderingsbedrag te matigen. In geval van eisers daarentegen hebben zij op geen enkele manier openheid van zaken gegeven over de woning in Turkije, terwijl er bovendien anders dan in geval van de aangehaalde zaak, sprake is van een forse overschrijding van de vermogensgrens. Eisers hebben op vragen van de sociaal rechercheur over de woning, de waarde, de aan- en verkoop, eventuele verhuur en inkomsten uit verhuur, geen enkel antwoord willen geven. Ook ter zitting van

4 december 2012 heeft eiser te kennen gegeven geen vragen hierover te willen beantwoorden. Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk hebben gemaakt dat er bij een juiste en volledige nakoming van de inlichtingenverplichting nog een (aanvullend) recht op bijstand zou hebben bestaan. Er was voor verweerder gelet hierop geen reden het terugvorderingsbedrag te matigen. Deze beroepsgrond van eisers faalt dan ook.

2.17 Eisers hebben ten slotte nog aangevoerd dat verweerder niet bevoegd was de hen toekomende proceskostenvergoeding in bezwaar te verrekenen met het openstaande terugvorderingsbedrag. Deze beroepsgrond slaagt. Ingevolge artikel 4:93, eerste lid, van de Awb geschiedt verrekening van een geldschuld met een bestaande vordering slechts voor zover in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien. Met dit artikel dat op 1 juli 2009 in werking is getreden is bewust bedoeld af te wijken van de regeling die is neergelegd in artikel 6:127, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (zie MvT, Kamerstukken II, 29 702, p. 11 en 41). Nu de bevoegdheid tot verrekening van een verschuldigde proceskostenvergoeding met een openstaand terugvorderingsbedrag op grond van de WWB, niet bij wettelijk voorschrift is voorzien, was verweerder niet bevoegd tot verrekening over te gaan. Het beroep zal in verband hiermee gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover verweerder de verschuldigde proceskosten in bezwaar heeft verrekend met het terugvorderingsbedrag. Voor het overige kan het bestreden besluit in stand blijven.

2.18 Er bestaat gelet op de gegrondverklaring aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 12 juli 2012, voor zover verweerder de verschuldigde proceskosten in bezwaar heeft verrekend met het terugvorderingsbedrag;

3.3 veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 874,-, te betalen aan eisers;

3.4 gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 42,- aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. C.M. Heyning – Huydecoper en L.M. Kos, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.