Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY7075

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
15/996524-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:633
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Klimop. Vastgoedfraude. De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte vrijgesproken van passieve omkoping en deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte wordt veroordeeld voor schuldwitwassen en het opzettelijk niet doen van een MOT-melding. Strafmaatoverweging. Gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996524-08

Uitspraakdatum: 21 december 2012

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 november 2012, 23 november 2012, 27 november 2012, 29 november 2012 en 21 december 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adresgegevens].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1

PRIMAIR:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 17 september 2003 te Heemstede en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens), (van) een (of meer) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van circa Euro 5.982.712,- (exclusief btw) inzake het project "Solaris", in elk geval enig geldbedrag,

en/of

- een geldbedrag van circa Euro 1.843.400,- (exclusief btw) inzake het project "Coolsingel", in elk geval enig geldbedrag,

en/of

- een geldbedrag van circa Euro 1.179.829,- (exclusief btw) inzake het project "Hollandse Meester", in elk geval enig geldbedrag,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen en/of verhuld

en/of

heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden (te weten [medeverdachte 1] en/of [vennootschap 38] en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 20] en/of [vennootschap 39] en/of [vennootschap 40] en/of [vennootschap 41])

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren verkregen op basis van

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [medeverdachte 20] en [vennootschap 8] (D-0091) inzake het project "Hollandse Meester"

en/of

- een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] (D-0010) inzake het project "Solaris" en/of

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] (D-0018) inzake het project "Solaris"

en/of

- een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] (D-1217) inzake het project "Solaris"

en/of

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] (D-0007/D-1031) inzake het project "Coolsingel"

en/of

door (een gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) inzake het project "Hollandse Meester" en/of in het project "Coolsingel" en/of in het project "Solaris" te (laten en/of doen) storten op een derdengeldrekening van Notaris [verdachte] (D-0014, D-0021, D-1234-1 t/m D-1234-5),

althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of heeft verworven,

terwijl, hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerpen)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

SUBSIDIAIR:

(Maatschap) [maatschap 2] Notarissen en/of de Stichting Derdengelden [maatschap 1] Notarisssen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 17 september 2003 te Heemstede en/of Hoevelaken en/of Den Haag en/of Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens), (van) een (of meer) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag van circa Euro 5.982.712,- (exclusief btw) inzake het project "Solaris", in elk geval enig geldbedrag,

en/of

- een geldbedrag van circa Euro 1.843.400,- (exclusief btw) inzake het project "Coolsingel", in elk geval enig geldbedrag,

en/of

- een geldbedrag van circa Euro 1.179.829,- (exclusief btw) inzake het project "Hollandse Meester", in elk geval enig geldbedrag,

(telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op het/de voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren en/of wie het voorhanden had/hadden (te weten [medeverdachte 1] en/of [vennootschap 38] en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 20] en/of een of meer anderen)

door voor te wenden dat dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) was/waren verkregen op basis van

- een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] (D-0010) inzake het project "Solaris"

en/of

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] (D-0018) inzake het project "Solaris"

en/of

- een (valse of vervalste) (ontwikkelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] (D-1217) inzake het project "Solaris"

en/of

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] (D-0007/D-1031) inzake het project "Coolsingel"

en/of

- een (valse of vervalste) (winstdelings)overeenkomst gesloten tussen [medeverdachte 20] en [vennootschap 8] (D-0091) inzake het project "Hollandse Meester"

en/of

door (een gedeelte van) dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) inzake het project "Hollandse Meester" en/of in het project "Coolsingel" en/of in het project "Solaris" te (laten en/of doen) storten op een derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen (D-0014, D-0021, D-1234-1 t/m D-1234-5),

althans dit/die voorwerp(en)/geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben verworven,

terwijl, die rechtsperso(o)n(en) (Maatschap) [maatschap 2] Notarissen en/of de Stichting Derdengelden [maatschap 1] Notarisssen en/of hun mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerpen)/geldbedrag(en) (geheel of gedeeltelijk) onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

tot het plegen van bovenomschreven strafbare feit(en), hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven gedraging(en), hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.

Feit 2

PRIMAIR:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 20 april 2005 te Heemstede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging , althans alleen, als notaris, althans als ambtenaar, (telkens) (een) gift(en) te weten

- een geldbedrag van fl. 1.100.000,- dan wel fl. 1.000.000,-, althans een (grote) hoeveelheid geld, heeft aangenomen,

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die gift(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of (telkens) wist dat die gift(en) hem werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten;

SUBSIDIAIR:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999 tot en met 20 april 2005 te Heemstede, in elk geval in Nederland, als ambtenaar, te weten als notaris, (telkens) (een) gift(en) te weten

- een geldbedrag van fl. 1.100.000,- dan wel fl. 1.000.000,-, althans een (grote) hoeveelheid geld, heeft aangenomen,

terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat die gift(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening iets te doen of na te laten, en/of (telkens) wist dat die gift(en) hem werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn bediening is gedaan of nagelaten.

Feit 3

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) op of omstreeks 1 februari 2006, althans in of omstreeks de maand februari 2006 te Heemstede, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of ander of anderen, althans alleen

een koopovereenkomst (D-0316),

zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken of vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- in die koopovereenkomst d.d. 1 februari 2006 tussen de Stichting Philips Pensioenfonds en [vennootschap 2] (D-0316) in artikel 6, onder b de tekst opgenomen: "Hij is voornemens het verkochte te gebruiken als beleggingsobject bestemd voor de verhuur en -voorzoveel het de woningen betreft- verkoop na het einde van de huurovereenkomst", terwijl in werkelijkheid [vennootschap 2] nooit het voornemen heeft gehad het gekochte als belegging te gebruiken en hij, verdachte, ten tijde van het opmaken van die koopovereenkomst, dit wist

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Feit 4

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 1 augustus 2008 in/vanuit Heemstede, in elk geval in/vanuit Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) beroeps- en/of bedrijfsmatig (een) financiële dienst(en) heeft/hebben verleend, te weten

het (telkens) adviseren en/of opstellen en/of passeren van (een) (notariële) (ver)koopakte(n) en/of (een) leveringsakte(n) met betrekking tot

- de verkoop op 1 februari 2006 te 16.40 uur van registergoederen ter waarde van Euro 384.510.000,- van de Stichting Philips Pensioenfonds (verkoper) aan [vennootschap 2] (koper) (D-0037)

en/of

- (vervolgens) de verkoop op 1 februari 2006 te 16.44 uur van registergoederen ter waarde van Euro 386.510.000,- van [vennootschap 2] (verkoper) aan [vennootschap 35] (koper) (D-0038)

en/of

- (daarop vervolgens) de verkoop op 1 februari 2006 te 16.49 uur van registergoederen ter waarde van 399.110.000,- van [vennootschap 35] (verkoper) aan [vennootschap 34] (koper) (D-0039)

en/of

de koop/verkoop/transactie van één of meer registergoed(eren) op één dag, waarbij [medeverdachte 1] en/of aan hem gelieerde rechtspersonen en/of een of meer (andere) tussenliggende partijen een winst hebben behaald van meer dan Euro 48.044.000,- in ieder geval van vele miljoenen euro's, althans een winst van Euro 31.044.000,- (Euro 12.600.000,- + Euro 18.444.000) en/of de/het gebouw(en)/pand(en) BB ("Kanaalcentrum") en/of AA ("Telespy") (D-3937),

en/of

de (juridische) advisering aan [medeverdachte 1] en/of [vennootschap 34] NV met betrekking tot de verkoop van het gebouw/pand AA ("Telespy") (D-1372)

en/of

de (door)verkoop/overdracht op 1 maart 2007 van het gebouw/pand BB ("Kanaalcentrum") door [vennootschap 35] aan [vennootschap 36] ten bedrage van Euro 32.000.000,- (D-0364)

en/of

de (door)verkoop/overdracht op 22 augustus 2007 van het gebouw/pand BB ("Kanaalcentrum") door [vennootschap 36] aan HDGM Holdings LLC ten bedrage van Euro 78.785.000,- (D-0352/D-0355)

waarbij, hij, verdachte, (telkens) opzettelijk (in strijd met de verplichting, geformuleerd, in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties), die door hem,verdachte, en/of zijn mededader(s) verrichte ongebruikelijke transacties (als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d. van genoemde Wet) niet onverwijld en/of binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter van de transactie(s) heeft/hebben gemeld aan het meldpunt als bedoeld in die wet.

Feit 5

(140 Sr inzake de Bouwfondsprojecten):

hij op één (of meer) tijdstip(pen in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 13 november 2007 te Heemstede en/of Hoevelaken en/of Den Haag, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten

een samenwerkingsverband van natuurlijke en/of rechtsperso(o)n(en), bestaande uit onder meer hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 3] en/of [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] en/of [vennootschap 38] en/of [medeverdachte 20] en/of [vennootschap 10] (van 1 januari 1998 tot 14 augustus 2000 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8]) en/of [vennootschap 9] BV (van 14 augustus 2000 tot 5 april 2005 optredend onder de handelsnaam [vennootschap 8] en/of (een) ander(e) perso(o)n(en) en/of (aan hem, verdachte en/of aan zijn mededader(s) gelieerde) rechtsperso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (onder meer) (meermalen)

- oplichting van Bouwfonds (en/of (een) ander(en)) (art 326 WvSr), en/of

- verduistering (in dienstbetrekking bij Bouwfonds) (321/322 WvSR), en/of

- valsheid in geschrifte (van een of meer facturen) (art 225 WvSr) en/of

- aannemen van steekpenningen (363, 362 WvSR), en/of

- witwassen ( 420bis/420quater WvSR) en/of

- (opzet)heling (416 en/of 417 en/of 417bis SR) (van een of meer geld(en) verkregen uit bovengenoemd(e) misdrij(f)(ven)),

bestaande die deelneming onder meer uit:

- het (laten en/of doen) opmaken en/of samenstellen van een of meer valse of vervalste factu(u)r(en) en/of (ontwikkelings- en/of winstdelings-)overeenkomst(en) en/of (een) notariële akte(n) en/of

- het (laten en/of doen) opnemen van een of meer valse en/of vervalste factu(u)r(en) en/of overeenkomst(en), in zijn, verdachtes, (bedrijfs)administratie(s) en/of die van zijn, verdachtes mededader(s), en/of

- het (laten en/of doen) verzenden van een of meer valse en/of vervalste factu(u)r(en) en/of overeenkomst(en) en/of

- het (laten) bewaren van een of meer (valse en/of vervalste) geschrift(en) en/of (valse en/of vervalste) (bedrijfs)administratie(s) van hem en/of zijn, verdachtes mededader(s), en/of

- het (laten en/of doen ) doorbetalen en/of bewaren en/of beheren en/of verdelen en/of ontvangen en/of verhullen en/of uitbetalen van (een deel van) de opbrengst(en) van een of meer project(en) en/of andere geldbedrag(en), die verkregen is/zijn met vorenbedoelde misdrij(f)(ven), (al dan niet via de derdenrekening van zijn, verdachtes, notariskantoor) en/of

- het (laten en/of doen) opnemen en/of boeken van vorenbedoelde (door)betaling(en) en/of opbrengst(en) en/of andere geldbedrag(en) in een of meer (bedrijfs)administratie(s), en/of

- het (laten en/of doen) doorgeven van relevante (bedrijfs-)informatie aan een of meer van de overige leden van de organisatie, en/of

- het (laten en/of doen) oprichten en/of gebruik (laten) maken van een of meer bedrij(f)(ven) op naam van een of meer van voornoemde deelnemers, en/of

- het verzwijgen tegenover Bouwfonds dat inzake de projecten "Hollandse Meester" en/of "Solaris"en/of "Coolsingel"door Bouwfonds te veel geld is betaald en/of

- het feitelijke leidinggeven aan vorenbedoeld(e) misdrij(f)(ven).

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadslieden van verdachte hebben op gronden uiteengezet in hun pleitnotities onder 6.5 tot en met 6.8 ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde feit aangevoerd dat voor zover dit de periode van 1 januari 1999 tot 13 november 2001 betreft, het ten laste gelegde feit is verjaard en het Openbaar Ministerie als gevolg daarvan partieel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Dit betoog slaagt. Gezien het strafmaximum van artikel 362 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en gelet op het bepaalde in de artikelen 70 e.v. (oud) Sr, alsmede het overgangsrecht bij de wijzigingen van die bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat hetgeen verdachte onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd, is verjaard voor zover dit de periode van 1 januari 1999 tot 13 november 2001 betreft. Mocht de rechtbank toekomen aan de beoordeling van feit 2 subsidiair, zal het Openbaar Ministerie derhalve partieel niet-ontvankelijk in de vervolging van dit feit worden verklaard.

De rechtbank heeft overigens geen redenen gezien die moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

2.3. Schorsing van de vervolging

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

3.2. Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen

De raadslieden van verdachte hebben het verzoek gedaan dat in het geval de rechtbank de verklaringen van [getuige 29], destijds samen met verdachte maat in de maatschap [maatschap 2] Notarissen, voor zover inhoudende dat verdachte zou hebben geweten dat de in feit 1 bedoelde gelden, welke op derdengeldrekeningen van het notariskantoor 'in depot' werden gehouden, van Bouwfonds afkomstig waren, betrouwbaar acht en bruikbaar voor het bewijs, zij [getuige 29] op dit punt nader als getuige mogen ondervragen. Dit ziet dan op de onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten. Voorts hebben de raadslieden het verzoek gedaan in dat geval tevens een aantal voormalig medewerkers van het notariskantoor nader als getuigen te horen, te weten [getuige 30], [getuige 31] [getuige 32] en [getuige 33].

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De verklaringen van [getuige 29] waar de verdediging op doelt, zijn die welke door de officieren van justitie in hun schriftelijk requisitoir op pagina 39 (boven) zijn aangehaald. In het dossier zijn die verklaringen terug te vinden onder de dossiernummers G171-02 (pagina 4) en G171-03 (pagina 3). [getuige 29] verklaart in het bijzonder dat voorafgaand aan de storting op 17 juli 2000 verdachte hem mededeelde dat er door Bouwfonds bedragen in depot zouden worden gestort. Hem werd gezegd, dat het om (een) Bouwfondsproject(en) ging en dat het depot verband hield met een winstverdeling over meerdere bouwbedrijven.

Verdachte heeft steeds stellig ontkend deze mededelingen aan [getuige 29] te hebben gedaan. Het was volgens verdachte bij hem en [getuige 29] weliswaar bekend dat [medeverdachte 1] - mede op wiens 'initiatief' het depot werd gehouden - destijds directeur van Bouwfonds was, maar hij wist niet dat het bij de te storten gelden om Bouwfondsgelden ging en hij kan dat daarom ook niet aan [getuige 29] hebben verteld. In het licht van deze stellige verklaring van verdachte, valt het de rechtbank op dat [getuige 29] in zijn verklaringen spreekt van "de heer [medeverdachte 1] als directeur van Bouwfonds" en, in een latere verklaring, "de combinatie Bouwfonds/[medeverdachte 1], als directeur van Bouwfonds". De indruk die hierdoor ontstaat, is dat [getuige 29] [medeverdachte 1] met Bouwfonds identificeert. Gelet hierop en ook in aanmerking genomen dat [getuige 29] de hier bedoelde verklaringen op 28 juli 2009 en 25 november 2009 heeft afgelegd - ruim negen jaren nadien - valt naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze niet uit te sluiten dat [getuige 29] zich wat betreft de aan hem gedane mededelingen door verdachte over de (herkomst van de) in depot te storten geldbedragen heeft vergist. De rechtbank acht deze verklaringen op dit punt onvoldoende betrouwbaar en zal deze daarom niet voor het bewijs gebruiken.

Nu aldus de voorwaarde waaronder de verdediging haar verzoek tot het (nader) horen van getuigen heeft gedaan, niet is vervuld, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van dit verzoek.

3.3. Overwegingen omtrent het bewijs1

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 5

Verdachte is sinds 1995 samen met zijn vader werkzaam als notaris binnen de maatschap [maatschap 1] te Heemstede. In december 1998 overlijdt de vader van verdachte en wordt de maatschap voortgezet met [getuige 29] onder de naam [maatschap 2] Notarissen.2

Uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat verdachte en [getuige 29] beiden bestuurder waren van de Stichting Derdengelden [maatschap 1], welke in 1992 is opgericht.3 Tot 2004 werden de derdengeldrekeningen van de maatschap [maatschap 2] Notarissen beheerd door deze stichting.4

[medeverdachte 1] was sinds 1989 klant van de vader van verdachte en wordt na diens overlijden, klant van verdachte.5 [medeverdachte 1] deed exclusief zaken met verdachte, het was niet aan de orde dat zijn collega [getuige 29] zaken met [medeverdachte 1] deed. Dit wist het hele kantoor: "[verdachte] doet [medeverdachte 1]".6

[medeverdachte 1] is van 1 oktober 1995 tot 1 oktober 1998 directeur van Bouwfonds Vastgoedontwikkeling BV.7 Van 16 september 1998 tot 2 januari 2001 fungeert hij als directeur van BV Bouwfonds Vastgoedontwikkeling, een onderneming met ABN AMRO.8 Daarnaast is hij van 1 oktober 1998 tot 1 oktober 2001 fungerend statutair directeur van Bouwfonds Vastgoedontwikkeling BV (hierna: Bouwfonds).9 Per 1 oktober 2001 wordt zijn dienstverband beëindigd.10

[vennootschap 43] en [vennootschap 38] (hierna beiden aan te duiden als: [vennootschappen 38 en 43]) zijn vennootschappen van [medeverdachte 1].11 [medeverdachte 20] en [medeverdachte 24] (hierna beiden aan te duiden als: [medeverdachte 24]) zijn vennootschappen van [medeverdachte 16].12

Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van gelden afkomstig uit de projecten "Hollandse Meester" (€ 1.179.829,-), "Coolsingel" (€ 1.843.400,-) en "Solaris" (€ 5.982.712,-). Deze gelden zijn in 2002 en 2003 op een derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen overgemaakt door gedelegeerd projectontwikkelaar [vennootschap 8] (hierna: [vennootschap 8]).13 [medeverdachte 1] heeft hierover - samengevat - verklaard dat hij er als directeur van Bouwfonds voor heeft gezorgd dat hij via een "indirecte winstdeling" met [vennootschap 8], zichzelf vergoedingen uit projecten van Bouwfonds deed toekomen, bijvoorbeeld in het project Solaris.14 Ook in het project Hollandse Meester was geen sprake van een echte winstdeling, maar werd op deze wijze winst doorbetaald.15 [medeverdachte 1] liet namelijk winst via [vennootschap 8] en via [maatschap 2] naar [vennootschappen 38 en 43] en [medeverdachte 24] vloeien. [medeverdachte 1] bepaalde zijn eigen winst en de documenten gaven eigenlijk niet de werkelijkheid weer.16

Een van de projecten die [medeverdachte 1] gebruikte om zijn bijverdiensten te gelde te maken was het project Coolsingel. Gedagtekend juni 1998 te Capelle aan den IJssel wordt een winstdelingsovereenkomst tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] gesloten, waarbij partijen een exclusief samenwerkingsverband aangaan dat er op is gericht om voor gezamenlijke rekening en risico de ontwikkeling van het project Coolsingel ter hand te nemen. Om hen moverende redenen doen partijen deze ontwikkeling op naam van [vennootschap 8]. Partijen komen overeen dat het te behalen begeleidings- cq ontwikkelingsresultaat tussen partijen zal worden verdeeld, waarbij, nadat alle projectgebonden kosten zijn afgetrokken, zestig procent aan [medeverdachte 20] en veertig procent aan [vennootschap 8] toekomt.17 De overeenkomst is vals.18 De winstdelingsovereenkomst is niet opgemaakt in juni 1998, maar omstreeks mei/juni 1999.19 De inhoud van de overeenkomst suggereert dat sprake is van een exclusief samenwerkingsverband. Daarvan is echter nooit sprake geweest. Het doel is het incasseren van een deel van de bij [vennootschap 8] gecreëerde overwinst.20 [medeverdachte 16] noch [medeverdachte 24] heeft werkzaamheden verricht in het project. [medeverdachte 16] brengt [vennootschap 8] uitsluitend in contact met Bouwfonds en zorgt ervoor dat zij het project krijgen.21 Op verzoek van [medeverdachte 16]22 wordt ter effectuering van de winstdelingsovereenkomst op 17 april 2003 door [vennootschap 8] € 1.843.400,- overgemaakt naar de derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen.23 Een deel van deze betaling komt bij de [vennootschap 38] van [medeverdachte 1] terecht. Op deze wijze realiseerde [medeverdachte 1] betaling door Bouwfonds van de hem in zijn visie toekomende bijverdiensten.24

Ook in het project Solaris wordt ruimte in de begroting gecreëerd.25 Met dagtekening 21 september 1999 sluiten [vennootschap 8] te Capelle aan den IJssel, vertegenwoordigd door haar directeuren [betrokkene 13] en [betrokkene 12], en [medeverdachte 20] te 's-Gravenhage, vertegenwoordigd door haar directeur [medeverdachte 16], een ontwikkelingsovereenkomst, waarin partijen een exclusief samenwerkingsverband aangaan gericht op het voor gezamenlijke rekening en risico (vijftig procent [vennootschap 8] en vijftig procent [medeverdachte 24] ), maar om hen moverende redenen op naam van [vennootschap 8], ontwikkelen van het project Solaris.26 Deze overeenkomst is vals. In werkelijkheid is geen sprake van een exclusief samenwerkingsverband gericht op het voor gezamenlijke rekening en risico ontwikkelen van het project zoals de overeenkomst doet vermoeden. [betrokkene 13] heeft nooit met [medeverdachte 16] afgesproken project Solaris samen te ontwikkelen. De omschrijving op en de inhoud van de overeenkomst kloppen niet. Het gaat enkel om de winstuitkering, de overeenkomst dient uitsluitend als legitimering van de geldstroom.27 De inhoud van de overeenkomst dekt de lading niet.28 [vennootschap 44] (een werkmaatschappij van [vennootschap 8]) maakt in 2002 een totaalbedrag van in guldens fl. 13.184.163,- (€ 5.982.712,-) over naar de derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen.29 Om de deelgerechtigheid van [medeverdachte 1] in project Solaris te kunnen onderbouwen wordt door [medeverdachte 24] en [vennootschappen 38 en 43] een ontwikkelingsovereenkomst opgesteld. [maatschap 2] Notarissen heeft naar aanleiding van de tussen partijen gemaakte afspraken de gelden aan [vennootschappen 38 en 43] en [medeverdachte 24] uitgekeerd.30 [medeverdachte 1] meent dat hij aanspraak kan maken op een deel van de winst uit het project Solaris en effectueert dat op deze manier.31

Ook in het project Hollandse Meester zijn op soortgelijke wijze neveninkomsten gecreëerd voor onder meer [medeverdachte 1].32 Met dagtekening 3 december 1998 te Capelle aan den IJssel sluiten [vennootschap 8] en [medeverdachte 20] een overeenkomst waarbij partijen een exclusief samenwerkingsverband aangaan gericht op het voor gezamenlijke rekening en risico (zeventig procent [vennootschap 8] en dertig procent [medeverdachte 24]) ter hand nemen van de ontwikkeling van het project Hollandse Meester. Ook in deze overeenkomst is bepaald dat partijen om hen moverende redenen de ontwikkeling op naam willen doen van [vennootschap 8]. Overeengekomen wordt dat de eerste fl. 2.600.000,- van het door de verkoopovereenkomst behaalde verkoopresultaat aan [medeverdachte 24] toekomt en aan [vennootschap 8] het resterende deel.33 Namens [medeverdachte 20] wordt de overeenkomst getekend door [medeverdachte 16] en namens [vennootschap 8] door [betrokkene 13].34 [medeverdachte 20] heeft nooit risico gelopen in project Hollandse Meester.35 Ter nakoming van de winstdelingsovereenkomst36 maakt [vennootschap 8] op 17 april 2003, op verzoek van [medeverdachte 16]37, een geldbedrag van € 1.179.829,- (fl. 2.600.000,-) over op de derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen.38 Een deel van dit bedrag wordt later uitbetaald aan [vennootschappen 38 en 43], die verder niet betrokken is bij project Hollandse Meester.39

De drie hiervoor genoemde bedragen van per saldo € 9.005.941,- worden - samen met geld dat via een ander project op derdengeldrekeningen van [maatschap 2] Notarissen terecht is gekomen - in de periode van 18 februari 2002 tot en met 19 april 200540 overgemaakt op rekeningen van [medeverdachte 24] en [vennootschappen 38 en 43] in de verhouding van respectievelijk 25 en 75 %.41

De rechtbank acht bewezen dat de hiervoor genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, hetgeen overigens door de verdediging ook niet is weersproken.

Volgens verdachte is [medeverdachte 3] eind 1999 bij hem gekomen met het verzoek drie of vier overeenkomsten te beoordelen, die [medeverdachte 3] had opgemaakt. Het waren samenwerkingscontracten, onder meer tussen [vennootschappen 38 en 43], [medeverdachte 24] en/of [medeverdachte 3] aan de ene kant en [vennootschap 8] of [vennootschap 45] aan de andere kant. Het ging om projecten in Rijswijk, Zoetermeer, Amsterdam en Coolsingel.42

Twee concepten van dergelijke overeenkomsten, betrekking hebbend op de projecten "Coolsingel" te Rotterdam en "Solaris" te Capelle aan den IJssel, zijn aangetroffen bij verdachte. Deze concepten waren ongedateerd en niet ondertekend. In deze overeenkomsten, aangeduid als "winstdelingsovereenkomsten", staat - samengevat - dat de daarin genoemde partijen ([vennootschap 8], [vennootschap 38] en [vennootschap 42] BV (hierna: [vennootschap 42]), en bij het project "Coolsingel" tevens [medeverdachte 20]) in de mogelijkheid zijn om de ontwikkeling ter hand te nemen van projecten te Capelle aan den IJssel en Rotterdam, dat zij dit voor gezamenlijke rekening en risico ter hand hebben genomen, dat zij om hen moverende redenen de ontwikkeling op naam willen doen van [vennootschap 8] en dat de winst van de projecten zal worden verdeeld tussen partijen. Voorts staat in deze overeenkomsten dat [vennootschap 8] de ontwikkeling ter hand zal nemen. Welke prestaties [vennootschap 38], [vennootschap 42] of [medeverdachte 24] moeten leveren blijkt niet uit de overeenkomsten.43

Verdachte wist dat [medeverdachte 3] namens [medeverdachte 1] kwam. [medeverdachte 3] heeft altijd in het bedrijf van [medeverdachte 1] gewerkt. In 1999 deed hij de financiële begeleiding van de vennootschappen van [medeverdachte 1]. Het was verdachte bekend dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] voor Bouwfonds werkten, [medeverdachte 1] vanaf 1995 tot ergens in 2001.44 Verdachte kende [medeverdachte 16] sinds 1999. Hij kende hem als familierelatie en compagnon van [medeverdachte 1]. Volgens verdachte deden [medeverdachte 16] en [medeverdachte 1] eigenlijk alles samen. Toen [medeverdachte 1] voor Bouwfonds ging werken, is [medeverdachte 16] volgens verdachte consultant geworden in projectontwikkeling.45 [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3] werkten heel nauw samen.46 Verdachte wist dat [vennootschappen 38 en 43], [medeverdachte 24] en [vennootschap 42] vennootschappen waren van achtereenvolgens [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3].47

Nadat verdachte de overeenkomsten had beoordeeld, vroegen [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3] hem een zogenoemde poolovereenkomst op te maken. Ze wilden dat de opbrengsten van de overeenkomsten met [vennootschap 45] en [vennootschap 8] op een hoop werden gegooid. Ze wilden die opbrengsten met elkaar delen. Ze vertelden verdachte dat nog niet bekend was in welke verhouding verdeeld zou gaan worden.48

Een aangetroffen ongedateerde notitie van verdachte hieromtrent luidt, voor zover hier van belang:

"[vennootschappen 38 en 43], [medeverdachte 24] & [medeverdachte 3] Accounting hebben samenwerkingsverbanden gesloten met diverse ontwikkelaars/projecten.

Deze 3 zijn overeengekomen om de resultaten te delen, maar is nog geen ovk omtrent verhoudingen/bedragen, ook afhankelijk welk project welke winst maakt.

Wat betreft:

[vennootschap 8]/[vennootschappen 38 en 43]: kantoortoren & garage

Zoetermeer

[vennootschap 45] /[ vennootschap 24]: A'dam kantoorgebouw & garage

[vennootschap 8] /[vennootschappen 38 en 43] & [medeverdachte 3]: kantoorgebouw / garage

Capelle a/d IJssel

Resultaat (de rechtbank begrijpt: het resultaat van [vennootschap 45]) dit project komt in gedeelten, valt binnenkort 1e winstuitkering te verwachten (restant 2001). (= Moet ovk komen waarin staat vermeld dat dit wordt gestort op een gezamelijk aan te wijzen bankrekening, hebben hierover dan evt gezamenlijk beschikkingsmacht?)

Geld kan niet bij bouwer blijven, want die weet niet dat [medeverdachte 24] medeparticipanten heeft & evt faillissement [vennootschap 45].

Gewezen op het feit dat ze in functie bij Bouwfonds zijn en dit in strijd met hun contract

kan zijn/non concurrentiebeding. Is volgens hen geen sprake van, geen non-concur.

beding. Anders zouden ze het ook niet met eigen b-v's doen, die makkelijk naar

hen te traceren zijn.

Gewezen op het feit dat als op naam [medeverdachte 24] gestort wordt, dit niet voldoende zekerheid

biedt voor de anderen, bankrekening moet geblokkeerd worden, zie boven (als dit al

mogelijk is) (de rechtbank begrijpt: of als hij sterft) faillissement etc.

Willen het nu toch zo regelen."49

Verdachte heeft uiteindelijk drie poolovereenkomsten opgemaakt.50 Deze poolovereenkomsten zijn niet gedateerd. Uit de inhoud van de overeenkomsten valt evenmin op te maken in welke volgorde ze zijn opgemaakt. Volgens verdachte zijn de overeenkomsten in de hierna te bespreken volgorde opgemaakt.

De eerste overeenkomst is volgens verdachte waarschijnlijk opgemaakt in april/mei 2000.51 Als partijen worden in deze overeenkomst genoemd: 1. [vennootschap 38], 2. [medeverdachte 20] en 3. [vennootschap 42].52 Alle partijen hebben deze overeenkomst ondertekend. In de overeenkomst wordt verwezen naar drie winstdelingsovereenkomsten, namelijk tussen [vennootschappen 38 en 43] en [vennootschap 8] met betrekking tot een project in Zoetermeer, tussen [medeverdachte 20] en [vennootschap 45] met betrekking tot een project in Amsterdam en tussen [vennootschap 20]/[vennootschap 42] en [vennootschap 8] met betrekking tot een project in Capelle aan den IJssel. Voorts wordt daarin vermeld dat een gedeelte van het resultaat van [vennootschap 45] op korte termijn zal vrijvallen en wordt gestort op een door partijen aan te wijzen bankrekening.53

Artikel 4 van deze overeenkomst luidt: "Dat vorenbedoelde overeenkomsten door de ondergetekende sub 2 casu quo de ondergetekenden sub 2 en 3 zijn gesloten aangezien de ondergetekenden sub 1 en 3 respectievelijk sub 1 - om hen moverende redenen - niet als contractpartij wensen op te treden in vorenbedoelde winstdelingsovereenkomsten."

Artikel 5 luidt: "Dat de ondergetekenden onderling zijn overeengekomen dat voormelde overeenkomsten weliswaar maar door een of twee van hen is ondertekend maar zij allen gerechtigd zijn tot de baten en lasten voortvloeiende uit deze overeenkomsten en zij thans voor hun onderlinge verhoudingen een regeling wensen op te maken."

De tweede poolovereenkomst, waarschijnlijk opgemaakt in juni/juli 200054, is gesloten tussen de partijen 1. [vennootschap 38], 2. [medeverdachte 24] en 3. [vennootschap 42]. Twee van de drie partijen hebben de overeenkomst ondertekend. Verder verschilt de tweede poolovereenkomst slechts van de eerste in die zin dat het geld niet op een door partijen aan te wijzen bankrekening zal worden gestort, maar in depot op een derdengeldrekening van [maatschap 2] Notarissen.55

De derde poolovereenkomst, opgemaakt kort voor de eerste overboeking door [vennootschap 45] op 17 juli 200056, is gesloten tussen [vennootschap 38] en [medeverdachte 24] en door beide partijen ondertekend. [vennootschap 42] was als partij verdwenen. In de derde poolovereenkomst komen in plaats van drie nog maar twee projecten voor. Er wordt verwezen naar een winstdelingsovereenkomst tussen [vennootschap 45] en [medeverdachte 24] met betrekking tot het project in Amsterdam en naar een winstdelingsovereenkomst tussen [vennootschap 8] en [medeverdachte 24] met betrekking tot het project in Capelle aan den IJssel. Volgens de overeenkomst zullen alle exploitatieresultaten van deze projecten worden gestort op een derdenrekening van [maatschap 2] Notarissen en in depot worden gehouden "totdat tussen partijen een definitieve overeenkomst is gesloten omtrent de (financiële) afwikkeling."57

Verdachte vond het niet nodig getekende/definitieve (winstdelings)overeenkomsten te zien om deze te kunnen vermelden in een poolovereenkomst. Mondelinge informatie daarover van partijen was voor hem voldoende.58

De eerste twee poolovereenkomsten zijn aangetroffen in een map op het toenmalig kantoor van verdachte met het opschrift "00-358 [vennootschappen 38 en 43]/[medeverdachte 24]/[medeverdachte 3] advies".59 Volgens verdachte zouden hierin alle relevante stukken met betrekking tot het depot moeten zitten.60 De derde poolovereenkomst is niet in deze map aangetroffen. De aan de poolovereenkomsten ten grondslag liggende winstdelingsovereenkomsten en de hierna te noemen overeenkomst tussen [vennootschappen 38 en 43] en [medeverdachte 24] met daarin de verhouding van de verdeling van de depotgelden, zijn evenmin in voornoemde map aangetroffen.61 Volgens [getuige 29] is het gebruikelijk dat in een depotdossier voorts een zogenaamde depotovereenkomst zit, waarin de afspraken tussen de tot het depot gerechtigden en de notaris zijn vastgelegd.62 Een dergelijke overeenkomst is niet aangetroffen.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, zijn door [vennootschap 8] verschillende geldbedragen overgemaakt naar een derdengeldrekening van verdachte. Dit betrof in de periode van 15 februari 2002 tot en met 26 oktober 2002 een bedrag van per saldo € 5.982.712,- inzake "Solaris"63 en op 17 april 2003 bedragen van € 1.179.829,- en € 1.843.400,- ter zake van respectievelijk "Hollandse Meester" en "Coolsingel".64 Alle bedragen exclusief BTW. Ook is ter zake van het project "Paasheuvelweg" door [vennootschap 45] in de periode van 17 juli 2000 tot en met 21 oktober 2004 een bedrag van per saldo € 8.812.639,- overgemaakt naar een derdengeldrekening van verdachte.65

Verdachte hield al deze bedragen in depot.

In een bij verdachte aangetroffen map met als opschrift "[vennootschap 46] B.V.", een aan [medeverdachte 1] gelieerde vennootschap, is een zogenoemde ontwikkelingsovereenkomst tussen [medeverdachte 20] en [vennootschap 38] aangetroffen, volgens deze overeenkomst door partijen ondertekend op 20 februari 2002.66 Hierin wordt bepaald dat winsten in projecten te Amsterdam en Capelle aan den IJssel worden afgerekend in de verhouding [vennootschappen 38 en 43] 75% en [medeverdachte 24] 25 %. Een dergelijke overeenkomst is niet aangetroffen ten aanzien van de projecten "Hollandse Meester" en "Coolsingel".

Verdachte nam volgens zijn eigen verklaring genoegen met een mondelinge opdracht van partijen als het ging om stortingen in/op of betalingen vanuit het depot.67 [getuige 34], als boekhouder in dienst van verdachte, werd door verdachte op de hoogte gesteld van de ontvangsten en uitbetalingen. [getuige 34] had een paar keer een afspraak met [medeverdachte 3] op het kantoor van verdachte. [medeverdachte 3] kwam dan voor de uitbetaling van de depotgelden.68 [medeverdachte 3] gaf daarbij een aantal dingen aan, zoals op welke bankrekeningnummers [getuige 34] de gelden moest gaan uitbetalen. In opdracht van verdachte zat [getuige 34] met [medeverdachte 3] aan tafel. [getuige 34] heeft in overleg met [medeverdachte 3] ook een aantal overzichten opgesteld, waarop te lezen was, welke bedragen er binnen waren gekomen, de bijgeboekte rente etc. [medeverdachte 3] vertelde dus op welke bankrekeningen de gelden moesten worden overgemaakt. De betreffende betalingen werden door verdachte gecontroleerd. Hij gaf zijn fiat aan de door [getuige 34] klaargezette "telebanking-betalingen".69

De gelden in het depot zijn in de periode van 18 februari 2002 tot en met 4 augustus 2003 uitbetaald, waarna op 19 april 2005 nog een laatste betaling heeft plaatsgevonden onder vermelding van "afwikkeling". Het gehele depot - met uitzondering van de rente - is uitbetaald aan [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] in de verhouding 75/25 %.70

Verdachte declareerde in 2000 werkzaamheden ten behoeve van het depotdossier aan [vennootschap 38], [medeverdachte 24]/[medeverdachte 20] en [vennootschap 42] in de verhouding van respectievelijk 50%, 25 % en 25%. De facturen die aan deze partijen zijn verzonden in de periode september tot en met december 2000 zijn echter niet betaald. Hetzelfde geldt voor facturen die in de maanden januari en februari 2001 aan [medeverdachte 24] zijn verzonden.71

Verdachte vertelde [getuige 34] begin 2001 dat al deze facturen vervangen moesten worden door twee facturen aan [medeverdachte 20] ten bedrage van elk fl. 200.000,-. Verdachte vertelde [getuige 34] niet waarom dit moest. Dit leverde een probleem op voor [getuige 34] die de nieuwe facturen niet meer administratief kon verwerken omdat het boekjaar 2000 al was afgesloten. De nieuwe facturen zijn daarom wel verstuurd maar niet doorgeboekt in het boekhoudsysteem en de oude facturen zijn in de administratie blijven staan.72

Deze nieuwe facturen en ook de facturen die in de maanden januari en februari 2001 aan [medeverdachte 20] zijn verzonden, zijn door [medeverdachte 20] niet betaald. Al deze facturen zijn verrekend met de ontvangen rente over het depot. Deze verrekening heeft als volgt plaatsgevonden. Het totaal uit te keren bedrag aan [vennootschap 38] en [medeverdachte 20] is verminderd met het bedrag van de openstaande facturen. Het restant is verdeeld tussen deze twee partijen in de verhouding van 75% [vennootschappen 38 en 43] en 25% [medeverdachte 24].73 De verdeling van de verhouding van de facturatie is aan verdachte doorgegeven door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3].74

Uiteindelijk is door verdachte een bedrag van fl. 1.100.000,- gedeclareerd in het kader van zijn werkzaamheden voor het depotdossier, welk bedrag nagenoeg geheel overeenkomt met de over het depot ontvangen rente, ten bedrage van fl. 1.099.223,-.75

Nadere bewijsoverwegingen

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt het volgende:

- Verdachte wist dat [medeverdachte 1] nog bij Bouwfonds werkte op het moment dat hij de winstdelingsovereenkomsten beoordeelde en de poolovereenkomsten opmaakte;

- Verdachte ging er kennelijk van uit dat dit ook gold voor ten minste een van de twee anderen, getuige de opmerking in zijn notitie omtrent het non-concurrentiebeding;

- Deze personen gaven aan dat zij - kennelijk naast hun inkomen bij Bouwfonds - grote bedragen verwachtten te ontvangen uit een aantal bouwprojecten;

- Ter onderbouwing hiervan toonden zij verdachte niet ondertekende en weinig specifieke winstdelingsovereenkomsten met twee verschillende bouwbedrijven;

- Uit deze overeenkomsten bleek niet wat voor prestaties [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en/of [medeverdachte 3] dan wel de aan hen gelieerde rechtspersonen moesten leveren om in die winst te delen en verdachte vroeg hier ook niet naar;

- Evenmin vroeg hij hen naar de reden waarom zij deze winsten samen op een hoop wilden gooien en verdelen;

- Verdachte vroeg niet door toen bleek dat partijen bepaalde zaken liever verhulden, maar nam in de eerste twee poolovereenkomsten de zin op dat "om hen moverende redenen" niet alle partijen als contractspartij in de winstdelingsovereenkomsten wensten op te treden;

- Mondelinge informatie van partijen werd zonder meer aanvaard en was voor verdachte voldoende om tot uitbetaling over te gaan;

- De drie poolovereenkomsten waren niet gedateerd en evenmin bleek uit een van die overeenkomsten dat een eerdere poolovereenkomst vervallen was, waardoor niet duidelijk was in welke volgorde de overeenkomsten gelezen moesten worden;

- Een depotovereenkomst ontbrak, de verschillende in de poolovereenkomsten genoemde winstdelingsovereenkomsten waren niet in het depotdossier van verdachte voorhanden en ook overigens was dit depotdossier onvolledig;

- Verdachte liet zich zonder vragen te stellen door [medeverdachte 3], die op een gegeven moment om onduidelijke redenen uit de poolovereenkomst "viel", vertellen welk bedrag wanneer naar welke rekening moest worden overgemaakt;

- Ook ten aanzien van de eigen facturen liet verdachte zich kennelijk door [medeverdachte 3] leiden, getuige het feit dat een groot aantal facturen niet werden betaald en uiteindelijk vervangen zijn door twee facturen op naam van een andere partij, welke facturen vervolgens evenmin zijn betaald maar uiteindelijk verrekend met verkregen rente;

- Een groot deel van de bedragen bleef gedurende meerdere jaren zonder duidelijke reden in depot staan en de volledige afwikkeling heeft uiteindelijk pas in 2005 plaatsgevonden.

Op grond van deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bewezen dat verdachte ten tijde van het in depot gestort krijgen van de bewuste geldbedragen wist dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3] zich bezig hielden met - kort gezegd - (het plegen van) vastgoedfraude en dat de gelden daarvan afkomstig waren.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het onvoorwaardelijk opzet van verdachte op de criminele herkomst van de geldbedragen dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden. Daarbij betrekt de rechtbank dat, anders dan de officieren van justitie hebben aangevoerd, niet is komen vast te staan dat verdachte kennis droeg van de inhoud van het uit 1995 daterende "overnamecontract" tussen Bouwfonds en [medeverdachte 1] Vastgoed BV (met de daarin opgenomen non-concurrentiebedingen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 16]) en de latere 'arbeidscontracten' van [medeverdachte 1] met Bouwfonds. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte wist dat de betreffende geldbedragen afkomstig waren uit projecten van Bouwfonds. Hetgeen de officieren van justitie - ook naast de verklaringen van [getuige 29] op dit punt, waarop de rechtbank hiervoor al is ingegaan - ten bewijze van deze stelling hebben aangedragen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot wetenschap op dit punt te kunnen concluderen.

Ten aanzien van de vraag of bij verdachte het voorwaardelijk opzet heeft voorgezeten, overweegt de rechtbank dat op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de bewuste geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Gezien deze feiten en omstandigheden lag naar het oordeel van de rechtbank een illegale herkomst van de gelden meer voor de hand dan een legale. Echter, uit het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen heeft de rechtbank niet de overtuiging kunnen bekomen dat verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard, en op de koop heeft toegenomen. Dat (de maatschap van) verdachte een aanzienlijke vergoeding - vrijwel gelijk aan de gevallen rente - voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Van het opzettelijk witwassen van de gelden dient verdachte dan ook te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Daarbij wordt overwogen dat verdachte optrad als notaris en niet als bijvoorbeeld ondernemer. Van een notaris mag een hoge mate van zorgvuldigheid worden verwacht, ook indien hij meent zijn cliënten volledig te kunnen vertrouwen. Verdachte had nader onderzoek moeten verrichten naar de aard en inhoud van de projecten, overeenkomsten en betalingen die hem werden voorgespiegeld en voorgeschreven. Zonder een dergelijk onderzoek kon verdachte niet zonder meer aannemen dat de gelden legaal waren verkregen. Verdachte heeft dit echter nagelaten en genoegen genomen met een onvolledig dossier en weinig specifieke mondelinge informatie. Aldus heeft hij niet voldaan aan de hoge mate van zorgvuldigheid die van een notaris moet worden verlangd en is hij in zijn onderzoeksplicht ernstig tekortgeschoten.

Hiervoor is weergegeven dat de Stichting Derdengelden [maatschap 1] notarissen destijds de beheerder was van de derdengeldrekeningen waarop de bedragen zijn gestort. Verdachte heeft de bedragen derhalve niet zelf voorhanden gehad, zodat hij dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde plegerschap. Wel heeft hij feitelijk leiding gegeven aan de stichting die de bedragen voorhanden had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan schuldwitwassen, begaan door voormelde stichting, als bedoeld in artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht - in werking getreden op 14 december 2001 - zoals ten laste is gelegd onder 1 subsidiair.

Vrijspraak feit 2

Onder 2 wordt verdachte verweten dat hij als notaris een gift heeft aangenomen terwijl hij wist dat die gift hem werd gedaan teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen of na te laten. Nu hiervoor is overwogen dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk geldbedragen heeft witgewassen, kan evenmin bewezen worden verklaard dat verdachte wist dat hem een gift werd gedaan om hem ertoe te bewegen gelden wit te wassen. Verdachte dient derhalve van het onder 2, zowel primair als subsidiair, tenlastegelegde te worden vrijgesproken, voor zover het Openbaar Ministerie daarin ontvankelijk is.

Vrijspraak feit 5

Onder 5 wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie die onder meer tot oogmerk had het plegen van witwassen van de onderhavige geldbedragen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het bewijs hiervan vereist dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (Hoge Raad 8 oktober 2002, NJ 2003, 64). Anders dan de officieren van justitie acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van feit 1 is overwogen, deze wetenschap niet bewezen. Ook van feit 5 zal verdachte daarom worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Onder 3 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij de koopovereenkomst tussen Stichting Philips Pensioenfonds (hierna: Philips) als verkoper en [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2]) als koper valselijk heeft opgemaakt door in deze koopovereenkomst, die is gedateerd 1 februari 2006, in artikel 6 onder b als verklaring van de koper op te nemen:

"Hij is voornemens het verkochte te gebruiken als beleggingsobject bestemd voor de verhuur en - voorzoveel het de woningen betreft - verkoop na het einde van een huurovereenkomst."

Naar de steller van de tenlastelegging is deze bepaling vals, nu, zoals verdachte ten tijde van het opmaken van de koopovereenkomst wist, [vennootschap 2] nooit het voornemen heeft gehad het gekochte als belegging te gebruiken. Ter toelichting heeft het Openbaar Ministerie bij repliek aangevoerd dat in de bepaling tot uitdrukking wordt gebracht dat het beleggingselement zit in het renderen van het vastgoed, terwijl [vennootschap 2] nooit het voornemen heeft gehad het vastgoed te verhuren of te verkopen. In werkelijkheid heeft [vennootschap 2] immers het door haar van Philips gekochte vastgoedpakket op dezelfde dag, binnen een paar minuten, doorverkocht aan een ander, die - zoals hieronder ten aanzien van feit 4 nog nader zal worden weergegeven - het ook weer (grotendeels) heeft doorverkocht, aldus de officieren van justitie.

De raadslieden van verdachte hebben op gronden uiteengezet in hun pleitnotities onder 8 gemotiveerd betoogd dat van enige valsheid in dit verband geen sprake is. De raadslieden hebben gewezen op artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel luidt - voor zover hier van belang - sinds 1 mei 2003 als volgt:

1. De afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden.

2. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.

De raadslieden wijzen erop dat door de gebruiksbestemming in de koopovereenkomst te vermelden, duidelijk wordt gemaakt welke eigenschappen de koper van het verkochte object mag verwachten. De gebruiksbestemming betreft in dit geval geen eigen feitelijk gebruik van [vennootschap 2], maar gebruik voor handelsdoeleinden. Ter onderbouwing verwijzen de raadslieden naar de toelichting op artikel 7:17 BW uit de Asser-serie (Asser/Hijma 5-I, aantekening 344). De bestemming van het verkochte object in de onderhavige zaak was steeds "verhuur en verkoop", aldus nog altijd de raadslieden.

Naar het oordeel van de rechtbank slaagt dit betoog van de raadslieden. De rechtbank acht, anders dan de officieren van justitie, niet bewezen dat de inhoud van artikel 6 onder b van de koopovereenkomst tussen Philips en [vennootschap 2] van 1 februari 2006 vals is. De gewraakte zin uit de koopovereenkomst moet naar het oordeel van de rechtbank namelijk zo worden begrepen, dat [vennootschap 2] het vastgoedpakket koopt als beleggingsobject - namelijk met het handelsdoel door te verkopen - en dat dit beleggingsobject (uiteindelijk) bestemd is voor - kort samengevat - verhuur en verkoop, doch niet dat [vennootschap 2] het vastgoedpakket zelf als zodanig zou gaan gebruiken. [vennootschap 2] heeft in dat kader het verkochte als beleggingsobject gebruikt, evenals haar opvolgende verkrijgers van het verkochte, waaronder (uiteindelijk) Fortis.

Verdachte zal van het onder 3 ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4

Het onder 4 ten laste gelegde feit heeft betrekking op een zogenaamde ABCDE-vastgoedtransactie, een transactie waarbij via meerdere partijen vastgoed wordt geleverd aan een uiteindelijke koper. De opvolgende verkopen en leveringen hebben plaatsgevonden door middel van meerdere notariële akten (A-B, B-C, C-D en D-E). Het betreft een transactie waarbij Stichting Philips Pensioenfonds (Philips) een pakket vastgoed (registergoederen) verkoopt dat uiteindelijk via tussenschakels grotendeels bij Fortis Verzekeringen Vastgoed Maatschappij NV (Fortis) terecht komt. De eerste drie verkopen en leveringen in het kader van deze transactie vinden plaats op het notariskantoor van verdachte waarbij verdachte als behandelend notaris optreedt. Naar de datum van de transactie op 1 februari 2006, wordt deze transactie alsmede het pakket vastgoed in het dossier door de FIOD ook wel aangeduid als '126'.

Zakelijk weergegeven is het volgende aan de orde:

Verdachte heeft als notaris diverse diensten geleverd: diverse notariële verkoop- en leveringsakten zijn door verdachte opgesteld en bij hem als notaris gepasseerd.76 Philips verkoopt en levert op 1 februari 2006 om 16.40 uur de bedrijfsgebouwen Unisys in de Haarlemmermeer, Telespy te Amsterdam en Kanaalcentrum te Utrecht alsmede een groot aantal woningen in Amsterdam voor een bedrag van € 384.510.000,= aan [vennootschap 2] (hierna: [vennootschap 2]), een vennootschap van [betrokkene 3].77 Vier minuten nadat deze notariële overdracht heeft plaatsgevonden, verkoopt en levert [vennootschap 2] ditzelfde pakket onroerend goed, door tussenkomst van opnieuw verdachte, voor een bedrag van € 386.510.000,= aan [vennootschap 35].78 Deze vennootschap is kort voor 1 februari 2006 opgericht en kent als enig aandeelhouder en bestuurder [vennootschap 34],79 welke vennootschap op haar beurt wordt bestuurd door [medeverdachte 1].80 De directe transactiewinst voor [vennootschap 2] ([betrokkene 3]) bedraagt, zo volgt uit het voorgaande, € 2.000.000,=. Vijf minuten na de levering aan [vennootschap 35] wordt het pakket onroerend goed met uitzondering van het kantoorgebouw Kanaalcentrum door deze rechtspersoon, via verdachte, voor een bedrag van € 399.110.000,=81 doorverkocht en geleverd aan [vennootschap 34], zoals gezegd een vennootschap van [medeverdachte 1]. Ten slotte verkoopt en levert [vennootschap 34] het pakket onroerend goed met uitzondering van het kantoorgebouw Telespy diezelfde dag aan Fortis voor een bedrag van € 400.624.000,=. Dit transport vindt plaats ten overstaan van notaris [getuige 35].82 Verdachte heeft hierbij als adviseur van [vennootschap 34] opgetreden.83

Tussen de verkoopprijs van Philips aan [vennootschap 2] en de koopprijs van Fortis aan [vennootschap 34] zit een bedrag van € 16.114.000,=. Hierbij moet worden vastgesteld dat het pakket onroerend goed dat Philips verkocht groter was dan het pakket dat door Fortis werd aangekocht. De waardesprongen werden hoofdzakelijk gerealiseerd op de onderdelen A t/m Y, zijnde voornamelijk woningen,84 en bedroegen in totaal € 33.044.000,=. Deze waardesprongen sloegen - behoudens de twee miljoen euro voor [vennootschap 2] ([betrokkene 3]) - neer in vennootschappen waarvan [medeverdachte 1] middellijk of onmiddellijk bestuurder was. In deze vennootschappen bleven ook nog de gebouwen Kanaalcentrum en Telespy 'achter'. Telespy stond voor een kleine zeventien miljoen euro in de boeken van Philips en Kanaalcentrum vertegenwoordigde voor de belastingdienst een waarde van vijftien miljoen euro.85

Wet melding ongebruikelijke transacties

Verdachte was als notaris op grond van artikel 9 van de toen geldende Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) verplicht een verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Krachtens de ingevolge artikel 8 van de Wet MOT vastgestelde Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 (de Regeling) had daarbij als 'subjectieve indicator' voor ongebruikelijke transacties te gelden: "transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen (...)". Volgens de Regeling dienen de transacties onverwijld en in ieder geval binnen veertien dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie is vastgesteld, te worden gemeld.

De beroepsgroep van verdachte, de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), heeft in verband met artikel 7 van de Verordening beroeps- en gedragsregels voor notarissen een zogenoemde lijst van indicatoren opgesteld in verband met de verplichting tot het melden van ongebruikelijke transacties. Deze lijst hield op 22 december 2005 onder andere het volgende in86:

4. De cliënt maakt gebruik of wenst gebruik te maken van een of meer

tussengeschakelde rechtspersonen of vennootschappen waarvoor geen

legitieme fiscale, juridische of commerciële redenen aanwezig zijn of

lijken te zijn.

11. Goederen (waaronder onroerende zaken) worden of zijn in korte

periode meer keren verhandeld met ongebruikelijk hoge winstmarges,

terwijl daarvoor geen duidelijke verklaring kan worden gegeven.

14. De cliënt maakt gebruik van diensten van een stroman, zonder dat

daarvoor legitieme fiscale, juridische of commerciële redenen

aanwezig zijn of lijken te zijn.

Een uitdraai van deze lijst, gedateerd 22 december 2005, is bij verdachte aangetroffen.

Verdachte heeft met betrekking tot het project 126 geen melding gedaan bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, dat is onder gebracht bij de Financial Intelligence Unit (FIU) Nederland87.

Rol van [vennootschap 2] / [betrokkene 3]

[betrokkene 3], bestuurder van [vennootschap 2], is een schoonzoon van [betrokkene 19], de man achter het grote [vennootschap 3], een bekende naam in de vastgoedsector. [vennootschap 2] was de eigen vennootschap van [betrokkene 3]. Er was weliswaar een relatie met het [vennootschap 3], maar bijvoorbeeld het jaarresultaat van [vennootschap 2] werd niet opgenomen in de jaarstukken van het [vennootschap 3]88.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij ergens eind 2004 [medeverdachte 2], één van de directeuren van Philips, heeft gevraagd of hij 126 exclusief kon kopen. De reactie van [medeverdachte 2] was dat hij, [medeverdachte 1], te klein was en te weinig geld had. Dat heeft hij geaccepteerd, maar hij legde toen wel de link met [betrokkene 3], die via zijn schoonfamilie de naam en de middelen had om 126 te kunnen kopen. [medeverdachte 2] heeft hem gezegd dat hij [betrokkene 19] wel een goede partij vond89. [medeverdachte 1] kan zich niet herinneren dat hij [medeverdachte 2] ooit heeft gezegd dat [vennootschap 2] eigenlijk van [betrokkene 3] zelf was. "Ik heb ervoor gewaakt [medeverdachte 2] deelgenoot te maken van mijn kennis over de winsten die met deze deal behaald konden worden", aldus [medeverdachte 1]90. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij er heel duidelijk de hand in heeft gehad dat de verkoop en overdracht van het onroerend goed van Philips via tussenliggende partijen aan Fortis op één en dezelfde dag heeft plaatsgevonden. Voor de eerste drie doorverkopen heeft hij verdachte als notaris voorgesteld91.

Volgens [medeverdachte 1] was er een formeel traject tussen Philips en [betrokkene 3] en daarnaast een informeel traject tussen hem en [medeverdachte 2]92. Dit wordt bevestigd door [medeverdachte 8], die net als [medeverdachte 2] aan Philips was verbonden. Hij verklaarde dat hij buiten de stuurgroep verkoop om, waarin zij met [betrokkene 3] spraken, regelmatig werd gebeld door [medeverdachte 1] over de verkooptransactie 126, en dan ging het met name over de prijs93. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij [betrokkene 3] heeft verteld binnen welke marges (welke "range") Philips het onroerend goed wilde verkopen94. Gegevens die hij van [medeverdachte 2] kreeg, heeft hij aan [betrokkene 3] doorgespeeld. Alle informatie die [betrokkene 3] voor de onderhandelingen nodig had, heeft hij van [medeverdachte 1] gekregen95.

In één van zijn verklaringen noemt [medeverdachte 1] 126 "zijn meesterwerk"96.

[getuige 3], portefeuillehouder onroerend goed bij Philips, zegt dat zij zich er bij de verkoop van het pakket vastgoed 126 niet bewust van was dat er naast de bekende firma [betrokkene 19] uit Amsterdam (de rechtbank begrijpt: het [vennootschap 3]) nog een andere [betrokkene 19] bestond97. [getuige 3] geeft voorts aan dat [betrokkene 3]voorstelde om verdachte als notaris bij de deal te gebruiken98.

Volgens verdachte heeft [medeverdachte 1] in november of december 2005 contact met hem opgenomen met de vraag of hij, verdachte, een bepaalde transactie wilde doen en wilde begeleiden. In het eerste gesprek hierover vertelde [medeverdachte 1] hem dat hij betrokken was bij een aanstaande aankoop van onroerend goed van Philips. [medeverdachte 1] heeft verdachte een aantal ordners gegeven om zich de materie eigen te maken. In de ordners zaten onder andere een beschrijving van het onroerend goed, eigendomsbewijzen van Philips en een aankoopbevestiging van Fortis. Volgens verdachte was in het eerste gesprek ook al aangegeven dat op of rond 1 februari 2006 het passeren van de aktes moest plaatsvinden. De afspraken die tussen verdachte en [medeverdachte 1] zijn gemaakt over de werkzaamheden van verdachte in het kader van het project 126 zijn door verdachte niet schriftelijk vastgelegd99. Het was volgens verdachte de eerste keer dat hij een transactie voor [medeverdachte 1] deed met een omvang van meer dan tien-twintig miljoen.100

Op 1 december 2005 stuurt [getuige 15], fiscaal adviseur van [medeverdachte 1], verdachte per e-mail een document met de titel "overzichttransactie[betrokkene 19]" met daarbij de mededeling: "zoals beloofd ge updated overzicht nav meeting"101. In dit overzicht staat vermeld dat [betrokkene 19] (junior) van Philips koopt.

Op 21 december 2005 vindt op het kantoor van verdachte een bespreking plaats over het project 126. Daarbij zijn aanwezig [medeverdachte 1], [betrokkene 3], [getuige 15] en verdachte102. [getuige 15] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft gezegd dat Philips een grote naam wilde als koper en dat daarom [vennootschap 2] ertussen is geschoven103. Over de bijeenkomst op het kantoor van verdachte verklaart [getuige 15]104:

"[medeverdachte 1] regisseerde alles tijdens het gesprek, hij stelde de naam [betrokkene 19] voor en [betrokkene 3] beaamde dat dit voor Philips acceptabel was. (..) [medeverdachte 1] zat met de notaris allerlei zaken te bespreken over zijn plannen met het onroerend goed van Philips. Eigenlijk had [betrokkene 3] daar niks mee te maken, dat was een privé-zaak van [medeverdachte 1]. [betrokkene 3] heeft niets te maken met de verkoop van het project door Kanaalcentrum aan [vennootschap 34]. Dat bevestigt nog eens dat [betrokkene 3]door [medeverdachte 1] ertussen geschoven is. Ik heb u al verteld dat [medeverdachte 1] dat mij ook verteld heeft." en "Tijdens het gesprek, waar naast ikzelf, [medeverdachte 1], [verdachte] en ook [betrokkene 3] aanwezig was, gaf [medeverdachte 1] aan dat de onderneming van [betrokkene 3], [vennootschap 2], het pakket onroerend goed van Philips zou gaan kopen omdat [betrokkene 19] een bekende naam was bij Philips. (..) [verdachte] heeft de informatie van [medeverdachte 1] tot zich genomen.105(..) U vraagt mij of [verdachte] ook wist dat [vennootschap 2] er tussen zat. Dat moet hij geweten hebben want dat is tijdens het gesprek op 21 december 2005 ter sprake gekomen, in die zin dat [vennootschap 2] toen is aangekondigd als de koper van het vastgoed van Philips."106

Het feit dat [vennootschap 2] er door [medeverdachte 1] tussen is geschoven omdat Philips een grote naam wilde, wordt ook bevestigd door een memo van [getuige 15] aan [medeverdachte 1] van 1 januari 2006. Hierin is opgenomen: "[vennootschap 34] heeft zich genoodzaakt gevoeld de transactie via [vennootschap 3] te laten lopen aangezien deze in de markt aanzienlijk meer bekendheid geniet dan [vennootschap 34] en het onzeker was of Philips zaken zou willen doen met [vennootschap 34].107"

Verdachte wist dat [vennootschap 2] een vennootschap was van [betrokkene 3]108. Verdachte wist dat deze vennootschap geen onderdeel uitmaakte van de groep bedrijven van [betrokkene 19] senior109. Dit moet verdachte in elk geval vanaf 14 december 2005 hebben geweten, nu hem op die dag, volgens bestelling, een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel betreffende [vennootschap 2] is toegemaild110.

Verdachte wist verder niets van [vennootschap 2]. Hij kende [vennootschap 2] niet eerder dan bij het project 126. Via [medeverdachte 1] is hij met [vennootschap 2] en [betrokkene 3]in contact gekomen. Hij is nooit bij [vennootschap 2] geweest111. Hoe [betrokkene 3] met Philips in contact is gekomen voor de aankoop van het project 126 weet verdachte niet112. Volgens verdachte zat [betrokkene 3] er als een soort makelaar tussen. Hij heeft maar drie tot vijf keren contact met [betrokkene 3] gehad, waaronder de keer van de bespreking op 21 december 2005 en toen [betrokkene 3] de volmacht kwam tekenen113. Hij heeft [betrokkene 3] ook geen kosten in rekening gebracht voor het transport114. Vragen over de verkoop van het pakket vastgoed 126 door Philips aan [vennootschap 2] stelde verdachte aan [getuige 15], de adviseur van [medeverdachte 1], aan medewerkers van Philips, onder wie [getuige 3], hiervoor genoemd, en aan medewerkers van het door Philips ingeschakelde Rechtstaete vastgoedadvocaten & belastingadviseurs. Aan anderen heeft verdachte geen vragen voorgelegd in verband met voornoemde transactie115, ook niet aan [betrokkene 3]/[vennootschap 2]. Het is verdachte onbekend waarom [vennootschap 2] als contractspartij op moest treden. Verdachte weet niet of hij naar de reden heeft gevraagd116.

Verdachte zag de rol van [vennootschap 2] dus als makelaar117. Op 26 december 2005 mailt verdachte in dit verband aan [getuige 15] het volgende bericht: "Ik heb bij de NVM de richtlijnen opgevraagd. Hieruit blijkt dat [betrokkene 19] met de huidige statuten niet kan handelen, aangezien dit conform de richtlijnen van de NVM verboden is"118. Eerder had verdachte [betrokkene 3] daar al over bericht119.

Verdachte stuurt op 22 december 2005 de volgende brief naar [betrokkene 3]:

"Conform afspraak zend ik u bijgaand:

- de ontwerp-koopovereenkomst;

- de ontwerp-akte houdende statutenwijziging;

- de notulen, welke ik gaarne, per ommegaande rechtsgeldig getekend retour zal ontvangen.

Zoals ik u vandaag reeds telefonisch mededeelde staat het reglement van de NVM niet toe om te handelen in registergoederen. Het reglement sluit ik bij.

Door de statutenwijziging is er geen sprake meer van doeloverschrijding bij het onderhavige transport, doch het handelen blijft wel in strijd met het Reglement van de NVM en de NVM kan, zoals u bekend, hieraan sancties aan verbinden.120"

Op 9 januari 2006 wordt de akte van statutenwijziging van [vennootschap 2] bij verdachte verleden121. Verdachte was niet de zogenoemde huisnotaris van [vennootschap 2] dan wel [betrokkene 3]122.

Verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd dat [vennootschap 2] ondanks deze statutenwijziging nog steeds in strijd handelde met het reglement van de NVM. Verdachte heeft [medeverdachte 1] ook in dit verband niet gevraagd waarom [vennootschap 2] desondanks als contractspartij moest optreden en waarom [vennootschap 2] niet kon volstaan met het toezenden van een factuur van € 2.000.000,= aan een van de bij de 126-transactie betrokken rechtspersonen van [medeverdachte 1].123

Notaris [getuige 35], voor wie de verkoop en levering van [vennootschap 34] aan Fortis plaatsvond, was niet op de hoogte van de rol van [vennootschap 2] en zij ging ervan uit dat Philips rechtstreeks leverde aan [vennootschap 34]. Bij de rechter-commissaris verklaarde zij dat het haar pas enige maanden na 1 februari 2006 duidelijk was geworden dat er een paar transacties tussen hadden gezeten. Gevraagd naar een reactie, verklaart [getuige 35]:124

"Het is niet de gebruikelijke gang van zaken als je collegiaal samenwerkt. Ik vind (...) dat als er transacties tussen zaten, [verdachte] dat had moeten melden. (...)

(...)

(...) Ik heb contact gehad met de KNB. Ik vond dat het vertrouwen in de collegiale samenwerking met betrekking tot deze transactie geschonden was. Ik was daar (...) van geschrokken. Bij ABC-transacties ben je nog meer dan gebruikelijk aangewezen op dit vertrouwen. Ik heb er serieus over nagedacht om een klacht in te dienen en ik heb daarover ook overleg gehad met de KNB. (...)

(...)

Als ik had geweten dat er twee of drie transacties tussen zaten had ik anders tegen de transactie aangekeken en had ik deze bij mijn afweging kunnen betrekken om al dan niet een MOT-melding te doen. (...)"

De verklaring van [getuige 35] wordt bevestigd door [getuige 16], hoofd projectverwerving bij Fortis125. In e-mailberichten van 30 en 31 januari 2006 tussen verdachte en [betrokkene 34], een medewerkster van notaris [getuige 35], refereert [betrokkene 34] meerdere malen aan de transactie A-B, waarbij B kennelijk staat voor [vennootschap 34].126

Waardesprongen

Zoals hiervoor is weergegeven, wordt tijdens de transporten met betrekking tot het project 126 in een tijdsbestek van slechts 34 minuten127 op voornamelijk de woningen een waardesprong gerealiseerd van meer dan 33 miljoen euro128, in absolute zin een enorm bedrag. Uit het onderzoek is niets gebleken van een verandering aan de woningen, feitelijk noch juridisch.

Voorts constateert de rechtbank dat de bij de 126-transactie gerealiseerde winst nagenoeg in zijn geheel terecht is gekomen bij slechts één persoon, te weten [medeverdachte 1]; [vennootschap 2]([betrokkene 3]) ontvangt slechts twee miljoen euro. Voorts bleven, zoals opgemerkt, de panden Telespy en Kanaalcentrum in rechtspersonen van [medeverdachte 1] 'achter'.

[getuige 3], portefeuillehouder onroerend goed bij Philips, ook van het vastgoed van 126, noemt de waardesprongen absurd, extreem en ridicuul129.

Nadere bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat uit bovenstaande feiten en omstandigheden geen andere rol van [vennootschap 2]/[betrokkene 3] valt af te leiden dan die van een door [medeverdachte 1] tussengeschoven (rechts)persoon.

[vennootschap 2] handelt door de (voorgenomen) aankoop van het 126-pakket in strijd met het reglement van de NVM en haar eigen statuten. Hoewel dit alles minst genomen de vraag oproept of [vennootschap 2]/[betrokkene 3] niet als 'stroman' voor [medeverdachte 1] fungeert, stelt verdachte geen vragen. Sterker, verdachte neemt het initiatief om tot een statutenwijziging te komen van [vennootschap 2] om zo de transactie doorgang te kunnen laten vinden. Verdachte weet dat [vennootschap 2] ook na de door hem geïnitieerde statutenwijziging nog immer handelt in strijd met het reglement van de NVM, maar verbindt daaraan geen consequenties. Over de gehele 126-transactie en dus ook over de transactie tussen Philips en [vennootschap 2] heeft verdachte alleen contact met [medeverdachte 1] en diens fiscaal adviseur en medewerkers van Philips en Rechtstaete, en niet of nauwelijks met [betrokkene 3]. Verdachte brengt [vennootschap 2] ook geen kosten voor de transactie of statutenwijziging in rekening. Verdachte zegt dat hij ervan uitging dat [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] samen hadden onderhandeld met Philips, maar hij vraagt zich niet af waarom (de rechtspersonen van) [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] niet gezamenlijk kopen dan wel waarom (een rechtspersoon van) [medeverdachte 1] niet alleen koopt en [betrokkene 3] middels een factuur zijn 'courtage' kan ontvangen. Volgens [getuige 15] moet het verdachte duidelijk zijn geweest dat [vennootschap 2] er tussen is geschoven vanwege de naam [betrokkene 19]. Deze veronderstelling van [getuige 15] vindt steun in de hiervoor weergegeven omstandigheden. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat [vennootschap 2] er tussen is geschoven zonder dat er een legitieme reden was voor de rol van [vennootschap 2] als koper van 126.

Bij de leveringen/transporten van de bij het project 126 betrokken panden op 1 februari 2006 is sprake van zeer grote waardesprongen in slechts een half uur tijd. Dit is opmerkelijk. Deze waardesprongen komen nagenoeg geheel terecht bij slechts één persoon, namelijk [medeverdachte 1].

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bij verdachte bekende rol van [vennootschap 2]/[betrokkene 3] en de beschreven waardesprongen er voor verdachte bij de 126-transactie aanleiding was om te veronderstellen dat ze verband kon houden met witwassen, zoals in de Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 omschreven. Op grond van deze subjectieve indicator was verdachte gehouden een MOT-melding te doen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Verdachte heeft de eerdere transacties (A-B, B-C en C-D) en met name ook de rol van [vennootschap 2]/[betrokkene 3] voor notaris [getuige 35] kennelijk bewust verzwegen. Dit in samenhang bezien met de actieve betrokkenheid van verdachte bij het handhaven van [vennootschap 2]/[betrokkene 3] als tussenpersoon, leidt tot de conclusie dat verdachte opzettelijk heeft afgezien van het doen van deze MOT-melding. Dat verdachte in een handgeschreven notitie uitvoerig heeft beargumenteerd waarom hij een MOT-melding niet noodzakelijk achtte, maakt dit oordeel niet anders. Ook de omstandigheid dat verdachte overleg heeft gevoerd met zijn collega-notaris [getuige 29] kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds aangezien verdachte, volgens verklaringen van [getuige 29], in het geheel niet met hem over de rol van [vennootschap 2]/[betrokkene 3] heeft gesproken, maar uitsluitend over waardesprongen.

Partiële vrijspraken feit 4

Op 31 juli 2006 is Telespy door [vennootschap 34] verkocht en geleverd aan TT Amsterdam Funding Company Ltd. Verdachte trad in deze op als adviseur voor [vennootschap 34].

Op 1 maart 2007 is Kanaalcentrum door [vennootschap 35] verkocht en economisch geleverd aan [vennootschap 36], een bedrijf gelieerd aan [medeverdachte 1]. De juridische levering vond plaats op 22 augustus 2007. Beide transacties vonden plaats ten overstaan van verdachte.

Vervolgens is op 22 augustus 2007 Kanaalcentrum door [vennootschap 36] (door-) verkocht en geleverd aan HDGM Holdings, LLC. Verdachte trad in deze op als adviseur voor [vennootschap 36].

Ten aanzien van al deze transacties is de rechtbank, anders dan de officieren van justitie, van oordeel dat onvoldoende bewijs voorhanden is om deze transacties als ongebruikelijk in de zin van de Wet MOT aan te merken. Mede gelet op hetgeen door de raadslieden van verdachte hieromtrent in hun pleitnotities is aangevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer worden gezegd dat de waardesprongen die bij deze transacties - die (om en nabij) zes, dertien en negentien maanden later plaatsvonden - zijn gerealiseerd, "onverklaarbaar" zijn. Dat deze transacties voortvloeien uit de 126-transactie, die door de rechtbank als ongebruikelijk is gekwalificeerd, maakt niet dat zij reeds daarom ook ongebruikelijk zijn.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

SUBSIDIAIR:

Stichting Derdengelden [maatschap 1] Notarisssen in de periode van 14 december 2001 tot en met 17 september 2003 te Heemstede telkens een voorwerp, te weten

- een geldbedrag van circa Euro 5.982.712,- (exclusief btw) inzake het project "Solaris"

en

- een geldbedrag van circa Euro 1.843.400,- (exclusief btw) inzake het project "Coolsingel"

en

- een geldbedrag van circa Euro 1.179.829,- (exclusief btw) inzake het project "Hollandse Meester",

voorhanden heeft gehad,

terwijl die rechtspersoon Stichting Derdengelden [maatschap 1] Notarissen redelijkerwijs moest vermoeden dat die geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf,

aan welke vorenomschreven gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Feit 4

hij omstreeks de periode van 1 december 2005 tot en met 1 maart 2006 vanuit Heemstede,

beroepsmatig diensten heeft verleend, te weten

het adviseren en opstellen en passeren van notariële (ver)koopakten en leveringsakten met betrekking tot

- de verkoop op 1 februari 2006 te 16.40 uur van registergoederen ter waarde van Euro 384.510.000,- van Stichting Philips Pensioenfonds (verkoper) aan [vennootschap 2] (koper)

en

- vervolgens de verkoop op 1 februari 2006 te 16.44 uur van registergoederen ter waarde van Euro 386.510.000,- van [vennootschap 2] (verkoper) aan [vennootschap 35] (koper)

en

- daarop de verkoop op 1 februari 2006 te 16.49 uur van registergoederen ter waarde van Euro 399.110.000,- van [vennootschap 35] (verkoper) aan [vennootschap 34] NV (koper)

en

de koop/verkoop/transactie van registergoederen op één dag, waarbij [medeverdachte 1] en aan hem gelieerde rechtspersonen en een tussenliggende partij een winst hebben behaald van vele miljoenen euro's,

waarbij hij, verdachte, opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, die door hem verrichte ongebruikelijke transacties niet onverwijld of binnen 14 dagen na het bekend worden van het ongebruikelijke karakter van de transacties heeft gemeld aan het meldpunt als bedoeld in die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair: Schuldwitwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij aan de verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.

Feit 4: Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich, in zijn hoedanigheid van notaris, gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan (kort gezegd) het schuldwitwassen van aanzienlijke geldbedragen, tot een totaal van maar liefst negen miljoen euro. Deze geldbedragen waren van misdrijven afkomstig en werden gestort op een derdengeldrekening van het toenmalig notariskantoor van verdachte. Verdachte heeft, op het moment dat de daders van deze misdrijven, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3], zich met onduidelijke en schimmige overeenkomsten tot hem wendden, zonder (daarover) kritische vragen te stellen -en daarbij ook door te vragen- en zonder zich ervan te vergewissen dat het bij de bewuste geldbedragen om legaal verdiende gelden ging, een derdengeldrekening van zijn notariskantoor ter beschikking gesteld voor het "in depot" houden van die gelden. Zodoende heeft verdachte er een wezenlijke bijdrage aan geleverd, dat de vele miljoenen euro's die door voornoemde personen op frauduleuze wijze aan hun 'werkgever', Bouwfonds, waren onttrokken, nog verder aan het zicht van deze werkgever werden onttrokken en schijnbaar een legale herkomst kregen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan. Hoewel niet bewezen is dat verdachte opzet op het witwassen heeft gehad, kan hem naar het oordeel van de rechtbank daarvan wel een ernstig verwijt worden gemaakt. Van een notaris mag onder de gegeven omstandigheden een hoge mate van zorgvuldigheid worden verlangd, waarbij hij zijn dossier op orde heeft, zonodig kritische vragen stelt en niet volstaat met een houding van "U vraagt, wij draaien".

Daarnaast heeft verdachte, een aantal jaren later, als notaris opzettelijk een aantal ongebruikelijke transacties, waarbij wederom [medeverdachte 1] was betrokken, niet gemeld bij het zogeheten Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. In zijn rol als notaris heeft verdachte binnen een half uur diverse notariële verkoop- en leveringsakten van een groot pakket onroerend goed gepasseerd, waarbij winsten van vele miljoenen euro's zijn gerealiseerd, die nagenoeg geheel ten goede kwamen aan (rechtspersonen van) [medeverdachte 1]. Verdachte wist voorts dat bij deze opeenvolgende transacties [vennootschap 2] ertussen was geschoven en feitelijk als stroman fungeerde. Hoewel daarmee niet vaststaat dat bij vorenbedoelde transacties sprake is geweest van witwassen of andere misdrijven, had verdachte gelet op deze omstandigheden, een MOT-melding moeten doen. Door het opzettelijk achterwege laten van een dergelijke melding heeft verdachte een adequate aanpak van financiële fraude gefrustreerd.

De rechtbank rekent verdachte zijn strafbare handelen zwaar aan. Een notaris dient zich er rekenschap van te geven dat hij onkreukbaar dient te functioneren en is bij uitstek ook een functionaris bij wie zorgvuldigheid hoog in het vaandel moet staan. Verdachte is echter zeer onzorgvuldig geweest en heeft door zijn handelwijze het aanzien van het notariaat schade toegebracht.

Op grond van de aard en ernst van het bewezenverklaarde, zoals hierboven is weergegeven, komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking. Daaraan kan niet afdoen dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 8 november 2012, niet eerder ter zake van een strafbaar feit is veroordeeld.

Wat betreft de duur van deze straf zal de rechtbank, anders dan door de verdediging is bepleit, in strafmatigende zin geen rekening houden met de media-aandacht. De Klimop zaak, waaronder de zaak van verdachte, is in de media uitvoerig belicht. Dit zal zonder meer een enorme impact hebben gehad op verdachte en zijn notariële praktijk. Dergelijke media-aandacht is ten gevolge van de hoge maatschappelijke positie van verdachte en die van een groot aantal andere verdachten in de Klimop zaak, alsmede van de ongekend grote omvang van de fraude, echter kennelijk onvermijdelijk. Nu de media-aandacht het directe gevolg is van het criminele handelen van ook verdachte, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding dit te verdisconteren in de op te leggen straf.

Ten aanzien van het door de verdediging opgeworpen punt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens overweegt de rechtbank als volgt. Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In casu is deze termijn naar het oordeel van de rechtbank aangevangen op het moment dat op het (toenmalig) notariskantoor van verdachte een doorzoeking ter inbeslagneming heeft plaatsgevonden, te weten op 29 mei 2008. Derhalve zijn inmiddels ruim vier en een half jaar verstreken. De rechtbank heeft oog voor de omvang van het door de FIOD verrichte onderzoek en de complexiteit van het Klimopdossier, maar de rechtbank vermag niet in te zien waarom de strafzaak van verdachte niet tegelijk met de strafzaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 3] had kunnen worden aangebracht. Het Openbaar Ministerie heeft daartoe geen steekhoudende argumenten aangedragen. Omdat in voornoemde zaken de vonnissen zijn uitgesproken op 27 januari 2012, acht de rechtbank de redelijke termijn in de zaak van verdachte met ongeveer één jaar overschreden. De rechtbank zal gelet hierop de straf die zij aanvankelijk aan verdachte zou hebben opgelegd, verminderen met tien procent.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

- artikelen 51, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht;

- artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties (oud);

- artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten (oud).

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 2 subsidiair voor zover dit de periode van 1 januari 1999 tot 13 november 2001 betreft.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 primair, 2 subsidiair, voor het overige, 3 en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 subsidiair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde feiten opleveren.

Verklaart deze feiten strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.A. Plaisier, voorzitter,

mr. C.A. Boom en mr. S. Jongeling, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. L. Wessels en mr. A.P. de Klerk,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2012.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Deze processen-verbaal zijn in de voetnoten verkort aangegeven. Door (mede-)verdachten afgelegde verklaringen zijn aangeduid met de letter "V", door getuigen afgelegde verklaringen met de letter "G" en processen-verbaal van ambtshandeling met de letters "AH" en "VERD".

Andere schriftelijke bescheiden zijn in de voetnoten aangeduid met de letter "D". Deze bescheiden zijn slechts tot het bewijs gebezigd in verband met de inhoud van de overige bewijsmiddelen.

2 10-OPV, pagina's 4-6

3 D-1692, pagina 1/2

4 V73-02, pagina 15; G171-02, pagina 3

5 V73-01, pagina 3

6 G171-01, pagina 3

7 D-0114

8 D-0173

9 D-0015

10 D-0113

11 V73-01, pagina 8

12 V73-01, pagina 9

13 D-0014; D-3804; D-3807; D-3809; D-3811; D-3812

14 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 15 (midden) en pagina 24 (boven)

15 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 25 (boven)

16 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 17 (onder)

17 D-0007; D-1031

18 V08-08, pagina 17 (midden)

19 V08-18, pagina's 7-8

20 V08-15, pagina 5

21 V09-01, pagina's 6 (onder) - 7 (boven)

22 V09-03, pagina 3 (midden)

23 D-0014

24 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 13 mei 2011, pagina 3, derde alinea

25 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 7 (midden)

26 D-0010

27 V08-12, pagina 6

28 V09-12, pagina 12

29 D-3804; D-3807; D-3809; D-3811; D-3812

30 AH-1159, pagina 18 (midden); D-1217; D-0018

31 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 15 (midden en onder)

32 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] 12 mei 2011, pagina 24 (boven)

33 D-0091

34 V08-04, pagina 8 (midden)

35 V08-14, pagina 5 (onder)

36 V08-05, pagina 5 (boven)

37 V08-05, pagina 4 (midden)

38 D-0014

39 V08-04, pagina 5 (midden)

40 OPV 10, pagina's 34-35

41 D-0021

42 V73-01, pagina 4

43 D-4356; D-4357

44 V73-01, pagine 4

45 V73-01, pagina 8

46 V73-01, pagina 10

47 V73-01, pagina 4

48 V73-01, pagina 5

49 D-3060

50 D-3063; D-3062; D-0018

51 V73-01, pagina 5

52 V73-01, pagina 4

53 D-3063

54 V73-01, pagina 6

55 D-3062

56 V73-02, pagina 8

57 D-0018

58 V73-01, pagina 14

59 AH-1502, pagina 25 (boven)

60 V73-01, pagina 8

61 AH-1502, pagina 54

62 G171-02, pagina 8

63 D-3804; D-3807; D-3809; D-3811; D-3812

64 D-0014

65 D-3802; D-3814; D 4367

66 AH-1502, pagina 54; D-1217; D-3674

67 V73-02, pagina 15

68 G173-01, pagina 6

69 G173-01, pagina 12

70 OPV 10, pagina's 34-35

71 AH-1489, pagina's 9-11

72 G173-02, pagina's 5 en 6

73 AH-1489, pagina 11

74 V73-04, pagina 2

75 AH-1489, pagina's 9-11; G173-03, pagina 4; D-3673; D-0021

76 D-0037 t/m D-0040

77 D-0037

78 D-0038

79 D-0175

80 D-0174

81 D-0039

82 D-0040

83 V73-05, pagina 6

84 AH-1144, pagina's 4-5 (OPV-5)

85 AH-1477, pagina 24

86 D-3595 (OPV-5)

87 AH-1469 (OPV-9.2 aanv. 5)

88 G49-03, pagina 2

89 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 2] d.d. 27 juni 2011, pagina's 6 (onder) - 7 (boven)

90 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 2] d.d. 27 juni 2011, pagina's 8 (onder) - 9 (boven)

91 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 2] d.d. 27 juni 2011, pagina 10 (onder)

92 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 2] d.d. 27 juni 2011, pagina 11 (boven)

93 V39-13, pagina 2

94 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] d.d. 31 mei 2011, pagina 6 (onder)

95 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] d.d. 31 mei 2011, pagina 19 (onder)

96 Proces-verbaal terechtzitting [medeverdachte 1] d.d. 31 mei 2011, pagina 4 (boven)

97 G35-01, pagina 6

98 G35-01, pagina 7

99 V73-05, pagina 6

100 V73-05, pagina 7 (boven)

101 D-4130

102 D-1002

103 G18-01, pagina 4

104 G18-01, pagina's 4-5

105 V49-06 pagina 3

106 V49-06 pagina 9

107 D-0998; V49-01, pagina's 3-4

108 V73-05, pagina 9 (onder)

109 V73-07, pagina 12 (midden)

110 D-4131

111 V73-06, pagina's 2 (onder) - 3 (boven)

112 V73-06, pagina 3 (onder)

113 V73-06, pagina 3 (midden)

114 V73-06, pagina 3 (onder)

115 V73-06, pagina 5 (midden)

116 V73-06, pagina 9 (boven)

117 V73-06, pagina 4 (boven)

118 D-4132

119 D-4170

120 D-4161

121 D-4164

122 AH-1477, pagina 51 (onder)

123 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 20 november 2012

124 Proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 35] bij de rechter-commissaris d.d. 20 september 2012, pagina's 3-4

125 G27-01, pagina 7

126 D-4137; D-4138; D-4139

127 D-0087

128 D-3937 (zie ook AH-1477, pagina 67)

129 G35-01, pagina's 8-9