Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY7072

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
15-973035-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis. Onderzoek Warnow II. Verdachte heeft jarenlang als ondergrondse bankier een zeer voorname rol ingenomen bij het op structurele basis witwassen van grote geldbedragen en daarmee het faciliteren van andere vormen van criminaliteit. Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door valselijk een factuur op te maken. Deze factuur vormt slechts één van de vele facturen die verdachte valselijk heeft opgemaakt om te verhullen dat zijn eenmanszaak niet (alleen) is opgericht om op legale wijze te handelen in mobiele telefoons, maar vooral om als dekmantel te fungeren bij het doorsluizen van grote van misdrijf afkomstige geldsommen. Aanhoudingsverzoek verdediging behelst geen opgave van welomschreven onderzoekshandelingen met daarin een welomschreven vraagstelling, zodat de rechtbank niet gehouden is hierover een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 330 Wetboek van Strafvordering. Afwijzing vordering verbeurdverklaring ex artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht. Gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/973035-11

Uitspraakdatum: 14 december 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 29 november 2012 en 30 november 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Joegoslavië),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag Hoorn, locatie Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. J. Plooij en mr. A.J. van Dooren en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en na toegestane wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 augustus 2008 tot en met 04 oktober 2011, te Amsterdam en/of Nieuwegein en/of Leiderdorp en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich (meermalen althans eenmaal) schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans schuldwitwassen,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in of omstreeks de navolgende periode en/of op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, te weten:

l. een (aanzienlijk) aantal (contante) geldbedragen van (ongeveer) in totaal 5.030.092 euro in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011 en/of

2. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 90.000 euro (op of omstreeks 9 september 2011) en/of

3. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 189.900 euro (op of omstreeks 29 september 2011), en/of

4. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 23.000 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

5. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 10.000 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

6. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 1655 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), en/of

7. een (contant) geldbedrag van (ongeveer) 1800 euro (op of omstreeks 03 oktober 2011), zulks (telkens) terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Feit 2:

PRIMAIR

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2007 tot en met 04 oktober 2011 te Breda en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, een factuur op naam van [bedrijf verdachte], met de vermelding "verkoper M.A.", ziende op de verkoop van meer dan 5000 mobiele telefoons, met de koopsom 371.593,00 euro - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in strijd met de waarheid die factuur gedateerd op 18 maart 2007, terwijl de op die factuur genoemde telefoontoestellen toen nog niet op de markt waren en/of het bedrijf [bedrijf verdachte] toen niet bestond, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

SUBSIDIAIR

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 maart 2007 tot en met 04 oktober 2011 te Breda en/of Den Haag en/of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste factuur op naam van [bedrijf verdachte], met de vermelding "verkoper M.A.", ziende op de verkoop van meer dan 5000 mobiele telefoons, met de koopsom 371.593,00 euro - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - en/of opzettelijk die valse of vervalste factuur heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

bestaande de valsheid of vervalsing van die factuur hierin dat zij in strijd met de waarheid was gedateerd op 18 maart 2007, immers waren de op die factuur genoemde telefoontoestellen toen nog niet op de markt en/of bestond het bedrijf [bedrijf verdachte] toen niet en/of

bestaande dat gebruik maken en/of afleveren hierin dat hij en/of één of meer van zijn mededader(s) die factuur aan een derde heeft gegeven of doen toekomen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding

Aanleiding onderzoek

In maart 2011 is het onderzoek Warnow gestart, waarbij doorgerechercheerd is op restinformatie uit eerdere onderzoeken. Onder leiding van het Landelijk Parket richtte dit onderzoek zich op personen die zich vermoedelijk bezighielden met de handel in verdovende middelen, te weten hasj uit Marokko. Via afgeluisterde telefoongesprekken kwamen meerdere mogelijk betrokken personen in beeld, onder wie [medeverdachte 1]. Deze informatie vormde aanleiding het onderzoek voort te zetten onder de naam Warnow II.

Op grond van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken, sms-berichtenverkeer, observaties en inbeslagnames van partijen hasj is het vermoeden ontstaan dat [medeverdachte 1], behalve dat hij grotere partijen hasj aankoopt in Marokko met de bedoeling deze te importeren in Nederland, voor het betalen van de aangekochte partijen gebruik maakt van een underground banking organisatie. Ook zijn neef, [medeverdachte 2] is hierbij betrokken. Zo is op 9 september 2011 een eerste geldoverdracht in beeld gekomen, die zou zijn georganiseerd door [medeverdachte 1] en waarbij voorafgaand aan de overdracht door een Marokkaanse man die [betrokkene 1] wordt genoemd een telefoonnummer wordt doorgegeven van een persoon met wie de afspraak gemaakt moet worden een geldbedrag in Nederland over te dragen waarna [betrokkene 1] zorg zal dragen voor het ter beschikking stellen van de tegenwaarde daarvan (in dirhams) in Marokko. Bij het afluisteren van telefoongesprekken is ook verdachte in beeld gekomen.

4. Bewijs

4.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 (met uitzondering van het geldbedrag van € 1.800,-) en 2, primair, ten laste gelegde feiten.

4.2. Partiële vrijspraken

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten aanzien van het geldbedrag van € 1.800,- ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat op grond van de stukken in het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is bewezen dat het bij verdachte in de kluis van zijn winkel aangetroffen geldbedrag van € 10.000,- – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf. Verdachte moet derhalve ook van het witwassen van dit geldbedrag worden vrijgesproken.

4.3. Redengevende feiten en omstandigheden

Feit 1 sub 1: witwassen € 5.030.092,- in de periode 1 augustus 2008 – 4 oktober 2011

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 3 oktober 2011 zijn in de woning van [verdachte] aan de [adres 1] te Rotterdam tal van stortingsbewijzen aangetroffen[1]. Daarnaast is op 12 oktober 2011 in de garagebox van [verdachte] aan de [adres 2] te Rotterdam een zak met stortingsbewijzen aangetroffen[2]. Uit deze stortingsbewijzen blijkt dat [verdachte] in de periode van 1 augustus 2008 tot en met september 2011 contante geldbedragen van in totaal € 5.030.092,- op zijn bankrekeningen heeft gestort.[3]

[Verdachte] heeft verklaard dat hij een bedrijf heeft dat in mobiele telefoons handelt, [bedrijf verdachte], en dat de gestorte bedragen afkomstig zijn uit de verkoop van mobiele telefoons. Het gaat om contante bedragen, omdat de meeste van zijn klanten contant betalen, hetgeen in deze branche volgens [verdachte] gebruikelijk is. [Verdachte] heeft voorts verklaard dat alle contante betalingen in zijn boekhouding worden verantwoord[4].

Uit de boekhouding van [verdachte] volgt dat hij in 2008 een omzet zou hebben gehad van € 9.621,87. In dat jaar is echter in totaal een bedrag van € 62.615,- op zijn bankrekening (en die van zijn echtgenote) gestort. In 2009 zou verdachte op grond van zijn administratie een omzet hebben gehad van € 786.284,80. Zijn contante en girale omzet betrof dat jaar echter € 174.527,81 (€ 126.120,- plus € 48.407,81). De geboekte omzet is dus € 611.756,19 hoger dan de gezamenlijke contante en girale inkomsten. In 2010 was de geboekte omzet (€ 1.689.852,50) wederom meer dan € 600.000,- hoger dan het totaal van girale omzet (€ 380.363,81) en contante stortingen (€ 557.190,-). In de periode 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 bedroeg het verschil tussen de geboekte omzet (€ 4.761.225,44) en contante stortingen (€ 2.698.367,00) meer dan € 2.000.000,- . In die periode was er geen sprake van girale omzet.[5]

Voorts is uit onderzoek het volgende naar voren gekomen:

- In 2008 zijn op de bankrekeningen van [verdachte] en zijn echtgenote contante stortingen gedaan voor een bedrag van ruim € 60.000,-, terwijl zij beiden dat jaar een bijstandsuitkering ontvingen en de omzet van [bedrijf verdachte] slechts € 9.621,87 bedroeg.[6]

- Geen van de contante stortingen op de bankrekeningen van [verdachte] zijn te herleiden tot specifieke verkoopfacturen. Ook andersom zijn factuurbedragen van verkopen aan de bedrijven “Notas Sari” in Marokko en “Global Business” in Kameroen niet te herleiden tot contante stortingen op de rekeningen van [verdachte].[7] De bedrijven “Notas Sari” in Marokko en “Global Business” in Kameroen komen ook niet voor in de internationale bedrijvendatabases LexisNexis en Dun & Bradstreet[8] en in de telefoons van [verdachte] - die hij naar eigen zeggen gebruikt voor zijn zakelijke communicatie en voor het opslaan van zijn klantgegevens - zijn geen gegevens gevonden van contactpersonen van de genoemde bedrijven.[9]

- In de administratie van [verdachte] zijn facturen opgenomen zonder volledige adresgegevens, waardoor niet is na te gaan of en aan wie deze leveringen hebben plaatsgevonden. Deze facturen voldoen daarmee niet aan de eisen die artikel 35a van de Wet op de omzetbelasting aan facturen stelt.[10]

- In de administratie zijn leveringsfacturen opgenomen waarvoor geen export- of vervoersdocumenten zijn aangetroffen.[11]

- In de administratie is een factuur opgenomen waarop een ander bestemmingsland voor de goederen staat vermeld dan op het bijbehorende export-document.[12]

- In de administratie zijn inkoopfacturen van Al Yafaeie in Dubai opgenomen met gelijke factuurnummers, terwijl de goederen, datum en factuurbedragen verschillen.[13]

- Voor een partij goederen naar Marokko is namens [bedrijf verdachte] exportaangifte gedaan door een Nederlandse douane-expediteur, maar deze heeft geen bevestiging ontvangen dat de goederen de EU daadwerkelijk hebben verlaten.[14]

- In de administratie zijn vijf facturen van [bedrijf R.] opgenomen die dienen ter verantwoording voor verkopen aan [bedrijf verdachte] (factuurnummers 900538, 900646, 900648, 900649, 900650). Deze facturen vermelden alle hetzelfde aantal goederen en dezelfde productomschrijving en prijs. De factuur met nummer 900538 komt niet voor in de administratie van [bedrijf R.]. Volgens de boekhouder van [bedrijf R.] betreft dit een vervallen factuur waarmee ook het factuurnummer komt te vervallen. De overige vier facturen komen wel voor in de administratie van [bedrijf R.] maar betreffen alle verkopen aan andere debiteuren, met andere goederenomschrijvingen en andere bedragen. Namens [bedrijf R.] is aangegeven dat voormelde facturen niet door [bedrijf R.] zijn opgemaakt en de op de facturen vermelde goederen niet door [bedrijf R.] zijn geleverd.[15]

Bewijsoverweging

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Van verdachte mag dan ook worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldstortingen, die concreet en verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Ten aanzien van het geconstateerde verschil tussen omzet en contante stortingen heeft verdachte slechts in zijn algemeenheid verklaard dat hij een deel van zijn contante inkomsten direct gebruikte voor contante inkoop van mobiele telefoons. Ten aanzien van het geconstateerde verschil in 2011 heeft [verdachte] ter terechtzitting op 29 november 2012 nog verklaard dat een deel van de telefoons die hij in Dubai inkocht, werd betaald dan wel geruild met telefoons die rechtstreeks vanuit Kameroen werden uitgevoerd. De betalingen die hij deed waren het verschil tussen de waarde van de telefoons die vanuit Dubai waren verkocht, en de waarde van de telefoons die vanuit Kameroen waren geleverd.

De door verdachte gegeven verklaringen zijn niet verifieerbaar, nu enige nadere onderbouwing of concretisering door middel van (aanvullende) stukken ontbreekt. Na september 2009 is er geen kasadministratie bijgehouden, hetgeen de verklaring van verdachte over de loop van de contante geldstroom oncontroleerbaar maakt. Ten aanzien van de gestelde goederenstroom vanuit Kameroen is geen enkele verwijzing naar of verantwoording van een dergelijke verrekening van vorderingen opgenomen in de administratie van [verdachte], die zijn verklaring hieromtrent ter terechtzitting ook maar enigszins ondersteunt. Ook ten aanzien van de overige hiervoor opgesomde bevindingen heeft verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring gegeven.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande de verklaring van verdachte dat de grote hoeveelheden contante stortingen betrekking hebben op de verkoop van mobiele telefoons als ongeloofwaardig ter zijde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de rol van ‘ondergronds bankier’ vervulde, waarbij hij geldtransacties naar het buitenland voorzag van een dekmantel van legale handel, te weten de (internationale) handel in mobiele telefoontoestellen.

Hoewel ondergronds bankieren verboden is in Nederland en in veel andere Europese landen, hoeft het gebruik van deze vorm van geldtransfer op zichzelf genomen nog niet te betekenen dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. In samenhang met de nog te bespreken geldoverdrachten, acht de rechtbank echter bewezen dat de door verdachte op zijn rekening gestorte geldbedragen – middellijk of onmiddellijk – afkomstig waren uit misdrijf en dat verdachte dit wist. Bij dit oordeel is van belang dat verdachte aantoonbaar betrokken is geweest bij de hierna te bespreken geldtransacties van € 90.000,- en € 189.900,-, waarbij laatstgenoemd bedrag bestemd was om te worden overgebracht naar een hasjhandelaar in Marokko. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat in de garagebox van verdachte aan de [adres 2] te Rotterdam een drugspers, een persmal met sporen van cocaïne, een zak met 363 gram fenacetine (een versnijdingsmiddel voor cocaïne), een henneptent, een afzuiginstallatie en assimilatielampen zijn aangetroffen. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte ten aanzien van de herkomst van een bij hem aangetroffen (hierna te bespreken) geldbedrag van € 23.000,- een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd.

Ten aanzien van de hoogte van de witgewassen geldbedragen overweegt de rechtbank nog het volgende. De rechtbank acht het denkbaar dat een beperkt deel van de contante stortingen op de rekeningen van verdachte daadwerkelijk ziet op de legale handel in mobiele telefoons. Dit deel van handel vorm echter evengoed onderdeel van de witwascarrousel aangezien deze handel de schijn in stand houdt dat sprake is van een bonafide onderneming. Doordat echter aantoonbaar een groot deel van de door verdachte omgezette gelden niet anders dan van misdrijf afkomstig kunnen zijn, is daarmee het hele vermogen van zijn onderneming besmet geraakt. De rechtbank komt derhalve tot bewezenverklaring van het witwassen van een aanzienlijk aantal geldbedragen van in totaal € 5.030.092,-.

De verdediging heeft verzocht om, in het geval de rechtbank de bewijslast voor het witwassen bij verdachte zou leggen, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de boekhouder van verdachte, [betrokkene 2], te horen alsmede de contactpersonen van [diverse bedrijven].

Daargelaten dat de rechtbank de bewijslast voor het witwassen niet bij verdachte legt, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het overgrote deel van de in de administratie van verdachte gevonden facturen vals is. Bovendien is gebleken dat de contante stortingen en de facturen niet op elkaar aansluiten. In de in beslag genomen documenten en mobiele telefoons zijn ook geen gegevens gevonden van personen die contactpersonen van de genoemde bedrijven zouden kunnen zijn.

De rechtbank stelt vast dat de verdediging geen welomschreven onderzoekshandelingen met daarin een welomschreven vraagstelling heeft opgegeven, zodat de rechtbank niet gehouden is hierover een beslissing te nemen als bedoeld in artikel 330 Wetboek van Strafvordering.

Feit 1 sub 2: witwassen € 90.000 op 9 september 2011

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 8 september 2011 om 18.24 uur wordt een man in Marokko die [betrokkene 1] wordt genoemd, gebeld door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt tegen deze [betrokkene 1] onder meer: “Kan ik morgen of overmorgen voor dat nummer wat ik je toen heb gegeven, iets naartoe sturen? (…) Die jongen, aan wie ik dat nummer heb gegeven, die ene dag hier, met dat nummer [drie cijfers telefoonnummer 2] die ik hier heb gegeven! (…) Ik moet wat sturen naar die persoon toe… ik wil hem morgen wat sturen met de steun van Allah. Morgen ga ik hem wat sturen en is het goed?”[16] Twee minuten later wordt [betrokkene 1] nogmaals door [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 1] zegt dan: “Ik ga morgen die persoon bellen en ik ga die naar je toe sturen. We gaan hem een 90 geven… we gaan hem morgen wat overhandigen… en zaterdag of zondag wordt je door iemand gebeld en die gaat zich aan jou voorstellen met: “Ik kom namens Zebda” en je gaat hem een 100 geven. Een 100 Dirham! (…) Ik ga hem morgen hier een 90 geven en jij moet maar noteren wat er overblijft. Jij moet maar kijken wat overblijft en we rekenen later met elkaar af, als het goed is. Afgesproken? (…) Moet ik het nummer [eerste zes cijfers telefoonnummer 2] bellen toch?” [betrokkene 1] bevestigt een en ander.[17] [Verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 2].[18] [Medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij tijdens het tweede gesprek met “Zebda” Nederland aanduidde (letterlijk: boter) en voorts dat hij met “90” € 90.000 en met “100 Dirham” 1.000.000 Dirham bedoelde.[19] Deze twee geldbedragen – € 90.000 en 1.000.000 Dirham – hadden destijds een ongeveer gelijke waarde.[20]

Op 9 september 2011 om 13.52 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]). [medeverdachte 2] zegt tegen [verdachte]: “Ik ben die jongen van Amsterdam. (…) Die jongen die je laatst zag in Amsterdam. (…) Ja, weet je nog?” [Verdachte] antwoordt bevestigend. Vervolgens spreken zij die dag om 21.00 uur af, [medeverdachte 2] zal [verdachte] het adres waar hij naartoe moet sms’en.[21]

Vier minuten later ontvangt [verdachte] een sms-bericht van [medeverdachte 2], met de tekst: “[adres 3]”.[22]

Op diezelfde dag om 16.36 uur wordt [betrokkene 1] opnieuw door [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 1] zegt onder meer: “Ik ga vanmiddag bij hem langs en morgen gaat een persoon jou bellen en tegen jou zeggen: ik kom namens Zebda en 100 Dirham en je moet hem vervolgens 100 Dirham geven”. [betrokkene 1] zegt dat het goed komt.[23]

Om 17.48 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [verdachte]. [Verdachte] geeft aan dat hij het sms-bericht van [medeverdachte 2] niet heeft ontvangen. [Medeverdachte 2] zegt toe dit nogmaals te zullen versturen. [Verdachte] zal er om 20.00 à 20.15 uur zijn.[24] Even later ontvangt [verdachte] wederom een sms-bericht van [medeverdachte 2] met het adres [straatnaam en huisnummer].[25]

Om 18.02 uur ontvangt [medeverdachte 1] een sms-bericht van de gebruiker van een Marokkaans telefoonnummer, met de tekst: “[telefoonnummer 1]”.[26] [Medeverdachte 3] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1].[27] [28]

Om 19.58 uur wordt [verdachte] door [medeverdachte 2] gebeld. [medeverdachte 2] vraagt of [verdachte] er bijna is. [Verdachte] antwoordt: “Nog 20 minuten”.[29] Om 20.22 uur wordt [medeverdachte 2] door [verdachte] gebeld. [Verdachte] zegt: “Ja broer, ik ben daar hè”, waarop [medeverdachte 2] antwoordt: “Oké, een minuut”.[30 ]

Om 20.25 uur wordt [verdachte] door [medeverdachte 2] gebeld. [Medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] of hij met het busje is. [Verdachte] antwoordt: “Nee, ben met grijze auto”.[31] [Verdachte] heeft ter terechtzitting bevestigd dat hij in het bezit is van zowel een busje, als een personenauto.[32] De telefoon van [verdachte] heeft op 9 september 2011 om 20.22 en 22.25 uur de zendmast bij het adres [adres 4] te Amsterdam aangestraald.[33] Blijkens algemeen toegankelijke bronnen bevindt deze zendmast zich in de directe omgeving van het adres [adres 3].

Om 22.56 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] vraagt [betrokkene 1] of hij dat bericht heeft gestuurd. [betrokkene 1] antwoordt: “Ja, ik heb jou dat bericht gestuurd om jou te vragen dat ene aan die persoon zelf te geven, hij was daar naar de hoofdstad gegaan om een ander bewaargoed op te halen”. [Medeverdachte 1]: “Ik heb het inmiddels aan zijn vriend gegeven, die altijd bij hem is. Die Joegoslaaf”. [betrokkene 1]: “Hoeveel heb je hem gegeven? 90?” [medeverdachte 1]: “Ja, 90! (…) In ieder geval, ik heb hem al 90 gegeven en ik heb het tegen die andere al gezegd. En jij moet morgen alstublieft een 100 aan hem overhandigen en houd alles nauwkeurig bij. (…) Je moet hem 100 overhandigen alstublieft. En dan kunnen we kijken wat er daar allemaal is, zodat we over het geheel kunnen afrekenen”.[34]

[Medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het geld moest (laten) overhandigen aan de persoon van wie hij het telefoonnummer ge-sms’t kreeg. Om de overdracht uit te voeren gaf hij het geld aan [medeverdachte 2].[35]

Bewijsoverweging

Uit de door [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] gevoerde gesprekken en de daarop door [medeverdachte 1] ter terechtzitting gegeven toelichting komt naar voren dat [medeverdachte 1] ervoor zou zorgen dat iemand in Marokko € 90.000 aan [betrokkene 1] zou overdragen, waarna [betrokkene 1] – functionerend als ‘ondergrondse bankier’ – diegene in overeenstemming met de op dat moment geldende wisselkoers 1.000.000 Dirham moest overhandigen. [Verdachte] heeft daarbij als tussenschakel gediend: het geldbedrag van € 90.000 is door [medeverdachte 2] in opdracht van [medeverdachte 1] aan [verdachte] overhandigd. Weliswaar heeft [betrokkene 1] nog geprobeerd de afspraak in die zin te wijzigen dat het geld aan [medeverdachte 3] in plaats van aan [verdachte] zou worden overgedragen, maar op het moment dat [medeverdachte 1] dit begreep, had hij het geld al aan [verdachte] laten overhandigen.

Verdachte heeft een groot geldbedrag in contanten ontvangen om dit vervolgens weer over te dragen teneinde het in Marokko te laten wisselen voor Dirhams, kennelijk met het doel dat geld in Marokko in het betalingsverkeer te brengen. De telefoongesprekken die de betrokkenen hebben gevoerd om de geldoverdracht(en) te verwezenlijken, kenmerken zich onmiskenbaar door versluierend taalgebruik. Zo wordt het gebruik van persoonsnamen en geldbedragen zorgvuldig vermeden. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Verdachte heeft een dergelijke verklaring niet gegeven. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [medeverdachte 2] niet kent en dat bovenstaande gesprekken met hem (mogelijk) over de verkoop van telefoons gingen. De afspraak die zij maakten, zou niet zijn doorgegaan. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte deels kennelijk leugenachtig, omdat uit de door hem en [medeverdachte 2] om 19.58, 20.22 en 20.25 uur gevoerde telefoongesprekken blijkt dat hun afspraak weldegelijk is doorgegaan. [Medeverdachte 1] bevestigt bovendien telefonisch aan [betrokkene 1] dat hij “die Joegoslaaf” – [verdachte] is geboren in voormalig Joegoslavië – “90” (€ 90.000) heeft gegeven. Voorts komt uit het telefoongesprek van 9 september 2011 om 13.52 uur naar voren dat verdachte [medeverdachte 2] wel kent. Verdachte heeft aan de enkele opmerking van [medeverdachte 2] dat hij die jongen van Amsterdam is, die hij laatst heeft gezien, voldoende om te weten wie hij aan de telefoon heeft. Dat de betreffende afspraak zag op de verkoop van telefoons acht de rechtbank zeer ongeloofwaardig, nu dit in de diverse telefoongesprekken op geen enkele wijze naar voren komt. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het geld een legale herkomst had. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het niet anders kan, dan dat het geld dat verdachte in ontvangst heeft genomen, geen legale herkomst heeft en afkomstig is van enig misdrijf, alsmede dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Daarbij moet het voorgaande in samenhang met de overige in het onderzoek Warnow II aan het licht gebrachte strafbare gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten worden bezien.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat bij deze geldoverdracht meerdere personen betrokken zijn geweest die nauw en bewust hebben samengewerkt om deze geldoverdracht te verrichten. Verdachte dient dan ook als medepleger van witwassen te worden aangemerkt.

Feit 1 sub 3: witwassen € 189.900 op 29 september 2011

Bewijsverweer

Volgens de raadsvrouw dienen de belastende verklaringen van [medeverdachte 3] van het bewijs te worden uitgesloten, nu de verdediging hem niet daadwerkelijk heeft kunnen horen. [medeverdachte 3] heeft zich immers als getuige (ter zitting) op zijn verschoningsrecht beroepen, terwijl een veroordeling in beslissende mate op zijn eerdere verklaringen zou zijn gebaseerd. De raadsvrouw verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak van Vidgen tegen Nederland (EHRM 10 juli 2012, nr. 29353/06 EHRC 2012/179).

De rechtbank is van oordeel dat de voor verdachte belastende verklaringen van [medeverdachte 3] niet van het bewijs hoeven te worden uitgesloten, omdat het bewijs tegen verdachte niet in beslissende of doorslaggevende mate op die verklaringen is gebaseerd. Er is voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig, zoals hierna zal blijken uit de redengevende feiten en omstandigheden en de bewijsoverweging aangaande dit feit, waarnaar hier kortheidshalve wordt verwezen.

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 19 september 2011 om 13.34 uur wordt een man in Marokko die [betrokkene 3] wordt genoemd, gebeld door [medeverdachte 1]. [betrokkene 3] zegt tegen [medeverdachte 1]: “Want ik heb mijn broer gesproken. Hij zei tegen mij dat je neef of iemand bij hem langs gaat voor die twee meter, die je aan mij zou doorsluizen. (…) Hij zei tegen mij: hij zou zaterdag komen, die neef van je, die zoon van je zus of je oom, ik weet niet wie het is”. [medeverdachte 1] antwoordt: “Oké, dat is goed. Dat is goed en als hij dat mij vraagt en tegen mij zegt, ga ik het ophalen en aan je overhandigen. Geen probleem”.[36] [Medeverdachte 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in dit gesprek met ‘twee meter’ 2.000.000 Dirham bedoelde.[37]

Op 26 september 2011 om 13.53 uur wordt [betrokkene 3] gebeld door [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zegt onder meer: “… ik heb het klaar liggen. Morgen komt die andere het hier ophalen, dat is geen probleem (…) Ik zei tegen jou morgen, in de middag bel ik die [betrokkene 1] in Castiago, die bel ik morgen, dan komt hij het hier ophalen en jij kan de jouwe daar ophalen”. [Betrokkene 3]: “Oké, is goed. Ik ga tegen hem zeggen iemand gaat jou bellen, dan moet jij twee meter ophalen”. [Medeverdachte 1]: “Oké, is goed. Ik zal die andere bellen, dan krijg je die twee meter”.[38]

Op diezelfde dag om 17.30 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door [medeverdachte 1]. [Medeverdachte 1] zegt: “Bel je vriend en vertel tegen hem dat ik morgen hem een bewaargoed zal doen toekomen. Een twee meter”. [betrokkene 1] antwoordt: “[betrokkene 3] heeft mij zojuist gebeld”. [medeverdachte 1]: “Oké, is goed. Aan wie moet ik het geven, aan die man met het nummer [drie cijfers uit telefoonnummer verdachte]?” [Betrokkene 1] antwoordt bevestigend. [Medeverdachte 1]: “Oké, is goed. Ik ga dat nummer morgen bellen en ik ga hem dat ene doorgeven… en jij moet twee meter aan [betrokkene 3] overhandigen en wat daar overblijft moet je tegen mij zeggen, zodat er een andere persoon komt en alles voor mij meeneemt.” [Betrokkene 1] bevestigt deze afspraak.[39] [Verdachte] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 2].[40]

Op 27 september 2011 om 12.49 uur wordt [verdachte] gebeld door een man genaamd [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4]). [Betrokkene 4] vraagt [verdachte] of hij vandaag of morgen tijd heeft. [Verdachte] geeft aan morgen tijd te hebben, rond 20.00 uur. Hij weet niet waar. [Betrokkene 4]: “Amsterdam, je weet het toch?” [verdachte] antwoordt: “Oh ja, dat weet ik nog”.[41]

Om 16.17 uur ontvangt [medeverdachte 1] een sms-bericht van [betrokkene 1]: “[telefoonnummer 1]”.[42] [Medeverdachte 3] maakt gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer 1].[43] [44] Om 16.18 uur wordt [betrokkene 1] gebeld door [medeverdachte 1]. [betrokkene 1] zegt dat hij dit nummer moet bellen. [Medeverdachte 1] zegt dat hij dat nummer al heeft gebeld en voor morgen heeft afgesproken. [Medeverdachte 1] vraagt of hij die moet afzeggen en naar deze moet bellen. [Betrokkene 1] vraagt of dat nummer met [twee laatste cijfers telefoonnummer 2] uit staat. [Medeverdachte 1] antwoordt: “Nee, die staat aan, [drie cijfers van telefoonnummer 2], die Joegoslaaf, die Hollander”. [Medeverdachte 1] zegt dat hij heeft gebeld en voor morgen om 8 uur heeft afgesproken.[45]

Om 18.56 uur wordt [medeverdachte 3] gebeld door [betrokkene 4]. Zij spreken af elkaar morgen om tien uur te zien op de locatie waar zij “altijd afspreken”.[46] [Medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij op 28 september 2011 in Amsterdam het telefoonnummer heeft gekregen van de persoon van wie hij het geld een dag later zou ontvangen.[47]

Op 28 september 2011 om 15.57 uur wordt [betrokkene 4] gebeld door [verdachte]. [Verdachte] vraagt: “Kunnen wij niet afspreken om zeg maar half zes of zes uur?” [Betrokkene 4] antwoordt: “Het is hier alles geregeld… heeft Hadji je niks gegeven, niks gezegd?” [Verdachte] antwoordt ontkennend.[48]

Om 21.12 uur belt [medeverdachte 3] een onbekend gebleven man (hierna: de Volvo bestuurder). Zij spreken de volgende ochtend om 11.00 uur af in Amsterdam. De Volvo bestuurder voegt toe: “rond half elf krijg je van mij een adres”.[49] Op 29 september 2011 om 10.45 uur ontvangt [medeverdachte 3] een sms-bericht van de Volvo bestuurder, met de tekst: “Wakkerstraat”.[50]

Hierop is een observatie verricht in de Wakkerstraat te Amsterdam. Daarbij is tussen 11.43 en 12.00 uur waargenomen dat een man met Arabisch uiterlijk aan de passagierszijde in een personenauto (van het merk Volvo) stapt en even later met een laptoptas in zijn handen weer uitstapt. De man loopt vervolgens naar een andere personenauto (van het merk Renault) en rijdt weg. Na aanhouding van de bestuurder van deze auto, [medeverdachte 3], is naar aanleiding van onderzoek in de auto onder de passagiersstoel, verborgen achter een lade, een geldbedrag van € 189.900 aangetroffen, bestaande uit bankbiljetten van € 20, € 50, € 100, € 200 en € 500.[51] [52]

Op 30 september 2011 om 11.24 uur wordt [verdachte] gebeld door een onbekend gebleven man. De onbekende man zegt dat de jongen gisteren een ongelukje heeft gehad in de hoofdstad.[53]

Om 22.46 uur belt [verdachte] deze onbekende man. [Verdachte] vraagt of de vriend van de onbekende man nog steeds ziek is. De onbekende man antwoordt bevestigend en vraagt of iemand een goede dokter kan regelen. [Verdachte] antwoordt: “Ja, ik ken die jongen en ik had precies dezelfde ziekte”. [Verdachte] zegt dat hij vandaag met de jongen heeft gesproken en een nieuwe afspraak met hem heeft voor maandag. De onbekende man zegt dat maandag te laat is, [verdachte] moet nu iets regelen, want morgen kan hij dood zijn in het ziekenhuis. [Verdachte] zegt dat het probleem is dat hij geen nummer van die jongen heeft. De onbekende man zegt dat [verdachte] dan iets anders moet regelen en dat de vrouw (van de zieke) boos op hem is omdat hij niets voor haar regelt. De onbekende man zegt dat het daar is “van de laatste keer van mij, daar bij Utrecht.” [verdachte] zegt: “Oké, dat is dat speciale ziekenhuis”.[54] [Medeverdachte 3] was op dat moment ondergebracht in het arrestantencomplex te Houten.[55]

Op 1 oktober 2011 om 23.40 uur wordt [verdachte] gebeld door de onbekende man. [Verdachte] zegt: “Ik ben vandaag naar hem geweest. Ik heb hem drie gebeld. Hij weet iemand, maar ik kan hem niet bereiken. Hij kent iemand met het nummer. Snap je? Ik moet echt op hem wachten. Het tweede is dat ik maandag een afspraak heb. Hij was ziek acht maanden. Snap je? Met hem heb ik een afspraak maandag. (…) Dan kan ik 1000% het nummer krijgen.” De onbekende man zegt dat de grote baas hem heeft gebeld. Hij stemt ermee in te wachten tot maandag, omdat er geen andere keus is. [Verdachte]: “Maar dat moet je ook tegen haar zeggen in plaats van jou elk kwartier lastig te vallen”.[56]

Op 2 oktober 2011 om 19.18 uur wordt [verdachte] gebeld door de onbekende man. [verdachte] zegt dat hij het nummer heeft gevonden. Hij noemt “6262758” en “hoofdstad”. De onbekende man zegt het nummer aan haar door te geven.[57] Blijkens algemeen toegankelijke bronnen heeft Advocatenkantoor Moszkowicz te Amsterdam het telefoonnummer 020-6262758. Mr. A. Moszkowicz heeft zich daadwerkelijk gesteld voor [medeverdachte 3].[58]

[Medeverdachte 3] heeft op 29 september en 5 oktober 2011 bij de politie verklaard dat hij het in zijn auto aangetroffen geldbedrag in opdracht van een zekere [F.] in Amsterdam moest ophalen en aan ‘[M.]’ van [bedrijf verdachte], gelegen aan de [adres 1] te Rotterdam, moest geven.[59] [60]

Bewijsoverweging

Uit voornoemde redengevende feiten en omstandigheden blijkt dat [medeverdachte 3] op 29 september 2011 te Amsterdam in opdracht van [medeverdachte 1] € 189.900 in ontvangst heeft genomen van een onbekend gebleven Volvo bestuurder. [medeverdachte 3] moest dit geldbedrag aan verdachte – bijgenaamd [M.] – geven, zodat verdachte ervoor kon zorgen dat het geld bij [betrokkene 1] in Marokko terecht kwam, die op zijn beurt het geld in Dirhams aan [betrokkene 3] moest uitkeren, kennelijk met het doel dit geld in Marokko in het betalingsverkeer te brengen.

De verklaring van [medeverdachte 3] dat hij het geld aan [M.] moest geven, vindt in de eerste plaats steun in de telefoongesprekken waaruit blijkt dat verdachte het geld aanvankelijk zelf van de Volvo bestuurder in ontvangst zou nemen. Dit liep weliswaar anders, omdat [betrokkene 1] vervolgens – zonder dat verdachte daar tijdig over werd ingelicht – [medeverdachte 3] daartoe naar voren schoof, maar de betrokkenheid van verdachte bij de onderhavige transactie wordt daardoor wel nadrukkelijk bevestigd. Uit de telefoongesprekken tussen verdachte en de desbetreffende onbekend gebleven man tussen 30 september en 2 oktober 2011 blijkt voorts dat verdachte zich, na inmenging van de echtgenote van [medeverdachte 3], heeft ingespannen om [medeverdachte 3] na diens aanhouding te laten bijstaan door mr. Moszkowicz. De verklaring van verdachte dat hij een advocaat moest regelen voor een zekere [betrokkene 5] in Marokko, acht de rechtbank in het licht van het voorgaande zeer ongeloofwaardig.

De telefoongesprekken die de betrokkenen hebben gevoerd om de geldoverdracht te verwezenlijken, kenmerken zich onmiskenbaar door versluierend taalgebruik. Zo wordt het gebruik van persoonsnamen en geldbedragen zorgvuldig vermeden. Ook tijdens de door verdachte na de aanhouding van [medeverdachte 3] gevoerde telefoongesprekken is van versluierend taalgebruik sprake, aangezien over een ‘dokter’, ‘ziekte’ en ‘ziekenhuis’ wordt gesproken, terwijl bedoeld wordt dat [medeverdachte 3] vast zit en een advocaat nodig heeft.

Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Tot op heden heeft niemand aanspraak gemaakt op het inbeslaggenomen geld.

Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Verdachte heeft een dergelijke verklaring niet gegeven. Hij heeft ter terechtzitting betwist dat hij het geld van [medeverdachte 3] zou ontvangen. Uit het voorgaande volgt reeds dat de rechtbank dat verweer als ongeloofwaardig passeert. Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het geld een legale herkomst had. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het niet anders kan, dan dat het geld dat verdachte in ontvangst zou nemen, maar dat aan zijn medeverdachte [medeverdachte 3] is overhandigd, geen legale herkomst heeft en afkomstig is van enig misdrijf, alsmede dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Daarbij moet het voorgaande in samenhang met de overige in het onderzoek Warnow II aan het licht gebrachte strafbare gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten worden bezien.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat bij deze geldoverdracht meerdere personen betrokken zijn geweest die nauw en bewust hebben samengewerkt om deze geldoverdracht te verrichten. Verdachte dient dan ook als medepleger van witwassen te worden aangemerkt.

Feit 1 sub 4 en 6: witwassen € 23.000 en € 1.655 op 3 oktober 2011

Redengevende feiten en omstandigheden

Op 3 oktober 2011 is [verdachte] op de rijksweg A4, gemeente Leiderdorp, aangehouden op verdenking van witwassen.[61] In de auto, waar [verdachte] direct voor zijn aanhouding in reed, hebben verbalisanten voor de bijrijderstoel een plastictas met daarin nog een plastictas aangetroffen. Hierin bevonden zich stapels bankbiljetten van € 20 en € 10. Het bleek in totaal om € 23.000 te gaan.[62] In de kleding van [verdachte] werden nog twee bundels bankbiljetten aangetroffen. Deze bundels betroffen in totaal een bedrag van € 1.655.[63]

[Verdachte] heeft op 10 oktober 2011 bij de politie verklaard dat hij deze geldbedragen heeft verkregen uit de verkoop van mobiele telefoons – 1.420 van het type Nokia 1280 en 90 van het type Samsung E1080 – aan een bedrijf genaamd [W.], gevestigd in Amsterdam Zuid.[64] Hoe groot het bedrag is dat hij in zijn zak heeft gestoken, weet hij niet. Hij heeft geen factuur van de verkoop opgemaakt, omdat hij geen stempel bij zich had.[65]

Er bleek geen bedrijf met de naam [W.] te zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.[66]

Op 11 november 2011 is een financieel rechercheur met [verdachte] en diens toenmalige raadsman mr. Rombouts gereden naar het adres [adres 3] in Amsterdam, welk adres als voorlaatste in het navigatiesysteem van [verdachte] was ingevoerd. Volgens [verdachte] had hij de telefoons op dat adres verkocht. Aldaar bleek op dat adres gevestigd te zijn een bedrijf genaamd [V.]. [Verdachte] verklaarde dat dit het bedrijf is waar hij voorafgaand aan zijn aanhouding was geweest.[67]

Getuige [getuige], directeur en eigenaar van [V.], heeft verklaard dat zijn bedrijf telefoonkaarten in- en verkoopt. [V.] handelt (nog) niet in telefoons. Hij weet zeker dat hij een partij telefoons als door [verdachte] genoemd niet heeft gekocht. Hij kent de namen [verdachte] en [bedrijf verdachte] niet. Deze komen evenmin in zijn administratie voor.[68]

Na vordering van de administratie van [V.] bleek daar inderdaad geen bedrijfshandeling in terug te vinden die in relatie zou kunnen staan tot de door [verdachte] gestelde verkoop van mobiele telefoons.[69]

Bewijsoverweging

Verdachte heeft op 3 oktober 2011 in een auto een groot geldbedrag in contanten voorhanden gehad. Het is een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Gelet hierop, alsmede de redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van het aan verdachte ten laste gelegde onder feit 1 sub 2 en 3, zoals hiervoor weergegeven, is naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd. Gelet op dit vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en verifieerbaar moet zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk.

Verdachte heeft een dergelijke verklaring gegeven. Hij heeft verklaard dat het geld afkomstig is van de verkoop van mobiele telefoons aan [V.] te Amsterdam. Bij verificatie is evenwel gebleken dat deze verklaring als kennelijk leugenachtig moet worden aangemerkt, nu uit de overige bewijsmiddelen blijkt dat van een verkoop van telefoons aan [V.] geen sprake is geweest. Bij [V.] is immers niets van een dergelijke verkoop bekend of geregistreerd. De verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, inhoudende dat [V.] mogelijk buiten medeweten van de Belastingdienst in telefoons handelt en de koop om die reden buiten de eigen administratie heeft gehouden, is niet van enige feitelijke onderbouwing voorzien. Daar komt bij dat verdachte niet kon aangeven hoeveel geld in zijn kleding zat en dat hij geen factuur van de vermeende verkoop heeft kunnen tonen.

Ook anderszins is niet aannemelijk gemaakt dat het geld een legale herkomst had. Aldus is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat het niet anders kan, dan dat het geld dat verdachte in ontvangst heeft genomen, geen legale herkomst heeft en afkomstig is van enig misdrijf, alsmede dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad. Daarbij moet het voorgaande in samenhang met de overige in het onderzoek Warnow II aan het licht gebrachte strafbare gedragingen van verdachte en zijn medeverdachten worden bezien. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van voornoemde geldbedragen.

Ten aanzien van feit 2 primair:

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 2 primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 29 september 2011 is in de woning van [medeverdachte 3] te Breda onder meer aangetroffen een factuur van [bedrijf verdachte], gedateerd 18 maart 2007, met factuurnummer 29 met daarop de vermelding "verkoper M.A.", ziende op de verkoop van meer dan 5.000 mobiele telefoons, waaronder 2.701 telefoons van het type Nokia C3. In totaal beloopt het factuurbedrag € 371.593. [70] [71]

Op de factuurdatum, 18 maart 2007, bestond [bedrijf verdachte] nog niet. De op de factuur genoemde telefoons van het type Nokia C3 bestonden destijds evenmin.[72]

[Verdachte] heeft ter terechtzitting erkend dat hij dit geschrift heeft opgemaakt.[73]

[Medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat hij weleens facturen van ‘[M.]’ krijgt. Die moet hij geven aan degene die de telefoons komt ophalen. [Medeverdachte 3] heeft op het moment dat hem de betreffende factuur getoond werd het volgende verklaard: “Dit is een oude factuur. Deze factuur was dubbel. (…) Ik denk dat het jaar niet klopt. Het toestel C3 die er op staat bestond toen zelfs niet”.[74]

In de administratie van [bedrijf verdachte] zijn nog twee facturen aangetroffen met factuurnummer 29, gedateerd 22 februari 2010 respectievelijk 26 februari 2011, 75 terwijl [verdachte] een doorlopende nummering hanteert.[76]

Bewijsoverweging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het betreffende geschrift geen factuur, maar een ‘pro factuur’ of ‘pro-forma factuur’ is, dienende als offerte. Het stuk zou dan ook niet bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen. Volgens verdachte is het jaartal 2007 een verschrijving en dient hier 2011 te staan.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het betreffende geschrift geen factuur, maar een offerte is, ongeloofwaardig. Op de factuur is nergens vermeld dat het hier om een pro-forma factuur gaat. Verdachte zou hierdoor dus ook zelf facturen en vermeende pro-forma facturen niet van elkaar kunnen onderscheiden. Bovendien heeft verdachte pas ter terechtzitting voor het eerst in deze zin verklaard, ondanks de diverse gelegenheden die hem eerder zijn geboden zijn administratie en facturen toe te lichten hetgeen aan de geloofwaardigheid van zijn verklaring afdoet. Ten slotte is van belang dat [medeverdachte 3], bij wie het stuk is aangetroffen, heeft verklaard dat het om een factuur gaat. Over het bestaan van pro-forma facturen heeft hij in het geheel niet gesproken.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd, onder verwijzing van jurisprudentie zoals weergegeven op pagina 23 tot en met 25 van de pleitnota, dat vanwege de beperkte bewijsbestemming van facturen een eventuele vervalsing daarvan geen veroordeling wegens valsheid in geschrifte kan opleveren als bedoeld in artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

De officieren van justitie hebben zich in repliek op het standpunt gesteld dat een factuur wel degelijk een (ruime) bewijsbestemming heeft en hebben daarbij verwezen naar de Wet Omzetbelasting (Wet OB).

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 35a van de Wet OB verplicht de ondernemer een factuur uit te reiken dan wel te doen uitreiken ter zake van zijn leveringen of diensten die hij heeft verricht aan een andere ondernemer of aan een rechtspersoon. De ondernemer is verplicht (onder meer) de naam en het adres van de ondernemer en de afnemer, een duidelijke omschrijving van de te leveren goederen of de te verrichten diensten en het bedrag van de verschuldigde omzetbelasting te vermelden. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer in gevallen, zoals bij [verdachte] gebruikelijk, waarbij sprake is van een belastbaar tarief van 0%.

Zonder (btw-)factuur, die op de voorgeschreven wijze en overeenkomstig de waarheid met betrekking tot de hiervoor genoemde gegevens is opgemaakt, heeft de ondernemer die de prestatie heeft afgenomen in het kader van zijn onderneming, geen recht op aftrek van voorbelasting die voortvloeit uit artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet OB. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat facturen niet een beperkte bewijsbestemming, zoals de verdediging stelt, maar juist een essentiële bewijsfunctie in het stelsel van de btw hebben. De rechtbank verwerpt dit verweer.

4.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op tijdstippen in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011, te Amsterdam en Nieuwegein en Leiderdorp en Rotterdam, althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers hebben hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders in de navolgende periode en op de navolgende tijdstippen hierna te noemen geldbedragen verworven en voorhanden gehad en/of overgedragen, te weten:

l. een aanzienlijk aantal contante geldbedragen van (ongeveer) in totaal 5.030.092 euro in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 4 oktober 2011 en

2. een contant geldbedrag van 90.000 euro (op 9 september 2011) en

3. een contant geldbedrag van 189.900 euro (op 29 september 2011) en

4. een contant geldbedrag van 23.000 euro (op 3 oktober 2011) en

6. een contant geldbedrag van 1.655 euro (op 3 oktober 2011),

zulks telkens terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 2:

hij op een tijdstip in de periode van 18 maart 2007 tot en met 4 oktober 2011 te Breda of Den Haag of Rotterdam, althans (elders) in Nederland, een factuur op naam van [bedrijf verdachte], met de vermelding "verkoper M.A.", ziende op de verkoop van meer dan 5.000 mobiele telefoons, met de koopsom 371.593,00 euro - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte in strijd met de waarheid die factuur gedateerd op 18 maart 2007, terwijl de op die factuur genoemde telefoontoestellen toen nog niet op de markt waren en het bedrijf [bedrijf verdachte] toen niet bestond, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 2:

valsheid in geschrift.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest.

Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen geldbedragen van € 23.000,- en € 10.000,-, een zak met stortingsbewijzen, diverse (andere) stortingsbewijzen, drie ordners met bankbescheiden, een bestelauto (inclusief autopapieren en -sleutels) en een geldbedrag van € 44.275,24 (de opbrengst van de verkoop van een onder verdachte in beslag genomen partij mobiele telefoons) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze dienen te worden verbeurd verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie met toepassing van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht de verbeurdverklaring gevorderd van een niet onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 90.000,-.

Voorts heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd van een onder verdachte in beslag genomen drugspers, een drugspersmal en een zak versnijdingspoeder.

Ten aanzien van de overige in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze aan verdachte moeten worden geretourneerd.

7.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

7.3. Hoofdstraf

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan meegewerkt dat herhaaldelijk opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie werden onttrokken. Het witwassen van criminele gelden vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt bovendien het plegen van strafbare feiten gefaciliteerd. Ook wordt de toepassing van de belastingwetgeving daardoor doorkruist. Verdachte heeft jarenlang als ondergrondse bankier een zeer voorname rol ingenomen bij het op structurele basis witwassen van grote geldbedragen en daarmee het faciliteren van andere vormen van criminaliteit, in ieder geval de handel in verdovende middelen. Verdachte heeft met zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte] grote geldsommen op zijn bankrekeningen gestort, zonder dat die aan de hand van zijn boekhouding en administratie kunnen worden verklaard. Deze geldsommen zijn verdiend met criminele activiteiten. Zo is verdachte betrokken geweest bij meerdere geldtransporten die verband houden met de internationale handel in hasjiesj, door een criminele organisatie die opereert vanuit Marokko en Nederland. Hij heeft zich aan de telefoon veelvuldig en gedisciplineerd verhullend uitgelaten met betrekking tot deze geldtransporten. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte deze feiten enkel uit winstbejag lijkt te hebben gepleegd.

De verdachte heeft zich voorts samen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte door valselijk een factuur op te maken. Deze factuur vormt slechts één van de vele facturen die verdachte valselijk heeft opgemaakt om te verhullen dat zijn eenmanszaak [bedrijf verdachte] niet (alleen) is opgericht om op legale wijze te handelen in mobiele telefoons, maar vooral om als dekmantel te fungeren bij het doorsluizen van grote van misdrijf afkomstige geldsommen. Door zo te handelen wordt het vertrouwen geschaad, dat in de juistheid van dergelijke geschriften wordt gesteld. Ook wordt met deze valse documenten de schijn gewekt dat verdachte op een legale wijze in zijn levensonderhoud voorziet en leidt hij de autoriteiten daarmee om de tuin.

Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat hij niet eerder is veroordeeld wegens vergelijkbare feiten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

7.4. Bijkomende straf (verbeurdverklaring)

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 23.000,- dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat geldbedrag is begaan.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven zak met stortingsbewijzen, diverse (andere) stortingsbewijzen en drie ordners met bankbescheiden dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid dan wel dat deze voorwerpen tot het begaan van het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn vervaardigd en bestemd.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat een geldbedrag van € 44.275,24 dient te worden verbeurd verklaard. Dit geldbedrag betreft de opbrengst uit de gedwongen verkoop van een grote hoeveelheid onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoons. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met behulp van die telefoons, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid, aangezien deze telefoons deel uitmaakten van de zogenoemde witwascarrousel.

7.5. Vermogensmaatregel (onttrekking aan het verkeer)

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven drugspers, drugspersmal en zak versnijdingspoeder dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Het ongecontroleerde bezit van voormelde voorwerpen is in strijd met de wet of het algemeen belang.

7.6. Overige beslissingen

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen bestelauto aan verdachte dient te worden teruggegeven. Tevens zal de rechtbank de teruggave gelasten van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 10.000,- nu verdachte van het witwassen van dit geldbedrag wordt vrijgesproken.

De officier van justitie heeft voorts de verbeurdverklaring gevorderd van een geldbedrag van € 90.000,-, te weten het bedrag dat verdachte op of omstreeks 9 september 2011 in ontvangst heeft genomen en daarmee door hem is witgewassen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet in beslag genomen geldbedrag, met toepassing van artikel 34 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), vatbaar is voor verbeurdverklaring omdat het feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan.

Ten aanzien van de vordering tot verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen, stelt de rechtbank voorop dat inbeslagneming geen vereiste is voor verbeurdverklaring en dat artikel 34 Sr daartoe in beginsel de grondslag biedt.

Laatstgenoemde wetsbepaling biedt de verdachte de keuze om verbeurdverklaarde voorwerpen uit te leveren of de door de rechter in zijn uitspraak geschatte waarde te betalen, waarna de artikelen 24b, 24c en 25 Sr overeenkomstige toepassing vinden.

In geval van bewezenverklaring van witwassen waarbij sprake is van het in ontvangst nemen van (crimineel) geld, kan worden gesteld dat het strafbare feit is begaan met betrekking tot dit geld. In zoverre is een dergelijk geldbedrag vatbaar voor verbeurdverklaring ingevolge artikel 33a, lid 1, sub b, Sr.

De rechtbank is tot het wettig en overtuigend bewijs gekomen dat verdachte samen met anderen op 9 september 2011 een geldbedrag van € 90.000,- in contanten heeft witgewassen door het in ontvangst nemen van (crimineel) geld.

Vereist voor de verbeurdverklaring is in beginsel dat het voorwerp (in casu de € 90.000,-) aan de verdachte toebehoort (artikel 33a lid 1 en 2 Sr). Verdachte hoeft geen eigenaar te zijn van de voorwerpen, voldoende is dat hij een zodanige zeggenschap heeft over en belang heeft bij het voorwerp (HR 28 september 1999, NJ 1999, 803). Het geldbedrag is niet bij verdachte of elders aangetroffen en in het verhandelde ter zitting is evenmin steun te vinden voor het oordeel dat verdachte een zodanige zeggenschap heeft over dit niet in beslag genomen geldbedrag, dat gezegd kan worden dat dat geld hem in strafrechtelijke zin toebehoorde.

Vervolgens rijst de vraag, aangezien niet is vastgesteld kunnen worden aan wie dit geldbedrag toebehoort, of ingevolge artikel 33a, lid 2, sub b, Sr in samenhang met artikel 34 Sr alsnog tot verbeurdverklaring kan worden overgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 34 Sr de regels voorschrijft ten behoeve van de tenuitvoerlegging van niet in beslag genomen voorwerpen, maar niet een grondslag biedt voor het, zoals in het specifieke geval van deze zaak, langs deze weg verbeurd verklaren van een geldbedrag waarvan onbekend is gebleven waar dit geld zich thans bevindt dan wel hoe dit mogelijk verder is verspreid of omgezet. Onder dergelijke omstandigheden zou een verbeurdverklaring van geld dat verdachte ten tijde van de berechting feitelijk niet (meer) kan uitleveren, door de ruime uitleg die de officier van justitie aan artikel 34 Sr toegekend zou willen zien, verworden tot een verkapte manier van voordeelontneming, maar dan zonder de beperkingen en procedurele waarborgen die de wet aan voordeelontneming verbindt. Dit acht de rechtbank daarom niet juist.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57, 225, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 ten aanzien van de geldbedragen van € 10.000,- en € 1.800,- is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2, primair, ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2, primair, meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 en 2, primair, bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER (4) JAREN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag van € 23.000,- (beslagnummer 61);

- een geldbedrag van € 44.275,24 (beslagnummer 64);

- drie ordners met administratie/bankbescheiden (beslagnummer 37);

- een zak met stortingsbewijzen (beslagnummer 38);

- diverse stortingsbewijzen (beslagnummers 54 en 55).

Onttrekt aan het verkeer:

- een drugspers (beslagnummer 52);

- een drugspersmal (beslagnummer 53);

- een zak versnijdingspoeder (beslagnummer 27).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een geldbedrag van € 1.800,- (beslagnummer 1);

- een geldbedrag van € 265,- (beslagnummer 2);

- een geldbedrag van € 10.000,- (beslagnummer 60);

- een bestelauto Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 3);

- autopapieren Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 4);

- autosleutels Mercedes Vito [kenteken] (beslagnummer 5);

- diverse GSM-toestellen (beslagnummers 6 t/m 16, 18, 19, 42, 43 en 47);

- twee simkaarten (beslagnummers 21 en 24);

- twee simkaarthouders (beslagnummers 22 en 23);

- een laptop (beslagnummer 28);

- een stempel (beslagnummer 29);

- twaalf horloges (beslagnummer 30);

- drie harde schijven (beslagnummers 31, 34 en 46);

- een iPod (beslagnummer 32);

- drie geheugenkaarten (beslagnummers 17, 20 en 33);

- een visitekaartje (beslagnummer 35);

- een brief (beslagnummer 36);

- een stapel visitekaartjes (beslagnummer 39);

- een telefoondoosje (beslagnummer 40);

- een geprinte e-mail (beslagnummer 41);

- een stuk papier (beslagnummer 44);

- een mapje met visitekaartjes (beslagnummer 45);

- een factuur Arabisc (beslagnummer 48);

- twee pasfoto’s (beslagnummer 49);

- een identiteitskaart (beslagnummer 50);

- twee USB-sticks (beslagnummers 25 en 51);

- diverse bescheiden (beslagnummer 56);

- een notitieboekje (beslagnummer 57);

- een TomTom (beslagnummer 58).

Wijst af de vordering tot verbeurdverklaring van een niet in beslag genomen geldbedrag van € 90.000,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. M.W. Groenendijk en mr. H.A. Stalenhoef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. van de Vijver,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 december 2012.

Voetnoten:

[1] F41-0013.

[2] F40-0013.

[3] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina 13.

[4] Verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 6 oktober 2011.

[5] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina’s 7-10.

[6] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina 7.

[7] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina 10.

[8] B16-0025 en B16-0028.

[9] B16-0030.

[10] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina 7.

[11] B16-0025.

[12] B16-0025.

[13] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina 11.

[14] B16-0029.

[15] Eerste aanvulling Warnow 2, bijlage 3, pagina’s 5 en 6.

[16] B14-0050.

[17] B14-0051.

[18] B21-0022.

[19] Verklaring van [medeverdachte 1] als verdachte ter terechtzitting afgelegd, gevoegd in het dossier van [verdachte].

[20] B14-06.

[21] B14-0052.

[22] B14-0188.

[23] B14-0053.

[24] B14-0054.

[25] B14-0188.

[26] B14-0056.

[27] C34-028.

[28] F39-0010.

[29] B14-0057.

[30] B14-0058.

[31] B14-0059.

[32] Verklaring van [verdachte] ter terechtzitting afgelegd.

[33] B14-09.

[34] B14-0061.

[35] Verklaring van [medeverdachte 1] als verdachte ter terechtzitting afgelegd, gevoegd in het dossier van [verdachte].

[36] B14-0064.

[37] Verklaring van [medeverdachte 1] als verdachte ter terechtzitting afgelegd, gevoegd in het dossier van [verdachte].

[38] B14-0068 en 0069.

[39] B14-0070.

[40] B21-0022.

[41] B14-0071.

[42] B14-0073.

[43] C34-028.

[44] F39-0010.

[45] B14-0074.

[46] B14-0076.

[47] C34-028.

[48] B14-0080.

[49] B14-0081.

[50] B14-0082.

[51] B14-018.

[52] B14-0227.

[53] B14-0085.

[54] B14-0090.

[55] B14-021.

[56] B14-0092.

[57] B14-0094.

[58] B14-022.

[59] C34-015.

[60] B21-0011.

[61] B21-0004.

[62] B21-0016.

[63] B21-0004.

[64] B21-0018.

[65] B21-0020.

[66] B21-0005.

[67] B21-0034 en 0035.

[68] B21-0036 en 0037.

[69] B21-0039.

[70] B14-237.

[71] 1e aanvulling Warnow 2, bijlage 4.

[72] F40-0008 en 0009.

[73] Verklaring [verdachte] ter terechtzitting afgelegd.

[74] C34-024 en 025.

[75] 1e aanvulling Warnow 2, bijlage 4.

[76] Verklaring [verdachte] ter terechtzitting afgelegd.