Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6595

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-09-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
193548
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening, verdiencapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

voorlopige voorzieningen/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 193548/12-2046

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 11 september 2012

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.D. Wisman, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M. Bootsma, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw van 20 juni 2012, ingekomen op 22 juni 2012;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man van 20 augustus 2012, ingekomen op diezelfde datum;

- het gewijzigde verzoekschrift van de vrouw van 20 augustus 2012;

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 20 augustus 2012.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 28 augustus 2012 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3 De minderjarige [naam kind 1] heeft haar mening kenbaar gemaakt in raadkamer.

2 Beoordeling

2.1 Nu beide partijen hun verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van de minderjarige(n) hebben ingetrokken, behoeft de rechtbank hierop niet meer te beslissen.

omgangsregeling

2.1 De vrouw heeft (bij gewijzigd verzoek) primair verzocht een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij de kinderen steeds afwisselend een week bij de man en bij de vrouw verblijven. De wisselmomenten zijn op vrijdag uit school. In de week dat de kinderen bij de ene ouder verblijven, eten zij op dinsdagavond bij de andere oudere. De vrouw heeft subsidiair een omgangsregeling verzocht waarbij de kinderen bij de man verblijven in de even weken van donderdag uit school tot zaterdagochtend 11.00 uur en in de oneven weken van donderdag uit school tot maandagochtend naar school.

2.2 De man heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft op zijn b€t verzocht vast te stellen dat er sprake is van co-ouderschap waarbij de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen bij helfte worden verdeeld en de kinderen één weekend per veertien dagen bij de man verblijven vanaf vrijdag 15.00 uur tot maandagochtend naar school alsmede iedere maandag en iedere dinsdag tot woensdagochtend naar school en gedurende de helft van de vakanties waarbij beide kinderen gedurende de kortere vakanties volgens de normale zorgregeling bij ieder van de ouders zijn en de Kerst- en zomervakantie bij helfte worden gedeeld.

2.3 Ter zitting hebben partijen hun standpunten nog nader toegelicht. Vaststaat dat tussen partijen niet (meer) in geschil is dat zij de zorg- en opvoedingstaken willen verdelen in de vorm van een co-ouderschap. Wel is in geschil hoe dit co-ouderschap vorm dient te krijgen. De voorkeur van de vrouw gaat uit naar een week op week af regeling en de voorkeur van de man gaat uit naar de regeling zoals door hem is verzocht, welke regeling overeenkomt met hetgeen partijen in onderling overleg zijn overeengekomen en die vanaf

1 februari 2012 tot heden ook zo functioneert. De vrouw voert als bezwaar tegen de huidige regeling aan dat zij deze te onrustig en te onduidelijk vindt voor de kinderen. Een week op week af regeling biedt volgens haar meer rust en de meeste duidelijkheid. De vrouw stelt dat zij destijds ook slechts ter overbrugging tijdelijk met de huidige regeling heeft ingestemd. De man stelt zich op het standpunt dat deze regeling gehandhaafd moet worden, omdat de kinderen daaraan gewend zijn en hiermee volgens hem ook geen problemen hebben.

2.4 De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat de huidige regeling voor de kinderen veel onrust met zich meebrengt. Vooral voor de minderjarige [naam kind 1], die nu naar de middelbare school gaat, betekent de regeling dat zij vaak met spullen en schoolboeken heen en weer moet slepen. Daarbij komt dat door de vrouw onweersproken is gesteld dat partijen destijds hebben afgesproken dat de huidige regeling zou lopen tot de zomervakantie en dat daarna de regeling, die haar voorkeur heeft, zou worden uitgeprobeerd. De rechtbank is dan ook, mede gelet op hetgeen de minderjarige [naam kind 1] in raadkamer heeft verklaard, van oordeel dat de week op week af regeling thans als tijdelijke regeling dient te worden vastgesteld. Partijen kunnen op die manier ervaring opdoen met deze verdeling van de zorg en ten tijde van de behandeling van de echtscheiding de voordelen en nadelen van beide regelingen tegen elkaar afwegen en beoordelen welke regeling het meest in het belang van de kinderen is.

Voor wat betreft het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de kinderen in de week dat zij bij de ene ouder verblijven, bij de andere ouder op dinsdagavond eten, overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat de vrouw op dinsdag werkt en pas om 20.30 uur thuis is, zodat een dergelijke regeling in ieder geval wat de vrouw betreft niet echt uitvoerbaar is. Ook brengt een dergelijke eetafspraak weer een zekere onrust met zich. Indien beide ouders evenwel van mening zijn dat het goed is dat de kinderen in de week dat zij bij de ene ouder zijn, een avond bij de andere ouder eten, geeft de rechtbank hen in overweging om dit onderling met elkaar te regelen, waarbij dan rekening kan worden gehouden met de werktijden van ieder van hen.

Voorts zal de rechtbank bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld, eveneens door partijen in onderling overleg te regelen, zoals zij tot op heden kennelijk ook hebben gedaan.

onderhoudsbijdragen

2.5 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van het verzoekschrift aan haar als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) een bedrag van € 465 per maand dient te betalen en als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) een bedrag van € 1.037 per maand, welk verzoek zij heeft gewijzigd in € 1.177 per maand. Voorts heeft zij verzocht te bepalen dat partijen, na betaling van voornoemde kinderbijdrage door de man, in gelijke mate aan de kosten van de kinderen zoals kleding, contributies, verzekeringen en schoolkosten dienen bij te dragen.

2.6 De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij heeft zelf verzocht om te bepalen dat hij met ingang van 1 mei 2012 met een bedrag van € 221 per maand per kind dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, door storting van dit bedrag op een kinderrekening. Hij heeft de gestelde behoefte van de minderjarigen en de vrouw betwist en voorts gesteld dat hij onvoldoende draagkracht heeft voor betaling van de verzochte bijdragen.

2.7 Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de tabel eigen aandeel kosten van kinderen van het NIBUD. Daartoe dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen te worden bepaald. Nu partijen sinds 1 februari 2012 uit elkaar zijn, is de rechtbank uitgegaan van de inkomens van partijen in het jaar 2011. Het besteedbare inkomen van de man bepaalt de rechtbank op basis van de door hem in 2011 gegenereerde winst uit onderneming van € 47.011 (verminderd met de door de man te betalen inkomensafhankelijke bijdrage in de Zorgverzekeringswet) op ongeveer € 3.000 netto per maand.

Het besteedbare inkomen van de vrouw bepaalt de rechtbank op basis van haar belastbaar jaarinkomen in 2011 blijkens de aangifte IB 2011 van € 12.499 (rekening houdend met inkomensafhankelijke combinatiekorting) op ongeveer € 1.000 netto per maand.

Het gezinsinkomen bedraagt dus ongeveer € 4.000 per maand. Op bovenstaande berekeningen zijn de in 2011 (tweede helft) geldende fiscale tarieven en heffingskortingen toegepast.

Aan de hand van deze gegevens en de leeftijd van de minderjarigen begroot de rechtbank het eigen aandeel in de kosten kinderen of te wel de behoefte van de minderjarigen op totaal

€ 925 per maand. Nu er sprake is van co-ouderschap wordt de behoefte in verband met extra (woon)lasten conform de Tremanormen met 16 % verhoogd. Deze verhoging van 16 % wordt berekend over de som van de kinderbijslag (in 2011 € 79 per maand per kind) en het eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen en bedraagt derhalve € 173 per maand. Daarmee komt de totale behoefte van de kinderen op € 1.098 per maand.

2.8 Nu de kinderen in het kader van co-ouderschap de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, gaat de rechtbank ervan uit dat ieder van partijen in gelijke mate in de hiervoor genoemde kosten van de kinderen ad € 1.098 dient bij te dragen, hetgeen neerkomt op € 549 voor ieder van hen.

Ter beantwoording van de vraag of partijen ook in staat zijn hun aandeel te voldoen, zal de draagkracht van ieder van partijen worden beoordeeld en met elkaar vergeleken.

2.9 De rechtbank heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens op hele euro’s afgerond.

2.10 Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank voor wat betreft het inkomen van de man uit van het volgende. Vaststaat dat de man sedert 1 februari 2012 in loondienst is bij [naam bedrijf] in [plaats] en dat zijn bruto salaris € 3.200 per maand bedraagt, exclusief vakantietoeslag.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van de verdiencapaciteit van de man welke zij stelt op € 53.851 per jaar, zijnde het gemiddelde resultaat uit onderneming over de jaren 2009 en 2010. Er is volgens de vrouw sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies, nu de man zonder enig overleg met haar heeft gekozen voor een baan in loondienst, waar hij veel minder inkomen genereert dan uit zijn bedrijf. Volgens de vrouw vult de man zijn huidige inkomen uit loondienst overigens aan door nog steeds via zijn goedlopende bedrijf werkzaamheden te verrichten.

De man betwist dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Doordat de man merkte dat hij door de huidige economische crisis steeds minder opdrachten kreeg, heeft hij gekozen voor zijn huidige dienstverband. Hij stelt zich dan ook op het standpunt dat uitgegaan dient te worden van het inkomen uit dit dienstverband. Daarnaast geldt volgens de man dat hij niet of nauwelijks nevenactiviteiten heeft. Hij heeft de aangifte omzetbelasting overgelegd over het tweede kwartaal van 2012, waaruit blijkt dat hij in dat kwartaal een omzet heeft gegenereerd van € 2.905, waarover een bedrag van € 525 aan omzetbelasting moet worden betaald. Voorts stelt de man dat hij van zijn huidige werkgever slechts een beperkt aantal nevenactiviteiten mag verrichten, ter onderbouwing waarvan hij een verklaring van de werkgever heeft overgelegd. Voor het derde kwartaal geldt dat hij tot op heden naar zijn zeggen slechts een omzet van € 750 heeft gegenereerd, aldus de man.

2.11 De rechtbank gaat in het kader van de voorlopige voorzieningen uit van voornoemd inkomen van de man in loondienst. Daarnaast gaat de rechtbank ervan uit dat de man nog enige inkomsten genereert uit zijn onderneming, nu de man ter zitting heeft verklaard dat er weliswaar opdrachten zijn weggevallen, maar dat hij niet uitsluit dat er ook weer nieuwe bij kunnen komen. De rechtbank heeft ter zake rekening gehouden met inkomsten uit zijn onderneming van gemiddeld € 400 netto per maand. Met een eventueel nog door de man te ontvangen bonus heeft de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen nog geen rekening gehouden. Wellicht bestaat hieromtrent ten tijde van de behandeling van de echtscheiding meer duidelijkheid.

De rechtbank houdt in het kader van de voorlopige voorzieningen wel rekening met de premie die de man betaalt op een lijfrenteverzekering, nu dit een verplichting betreft die de man reeds eerder is aangegaan en hij ook (nog) geen pensioen opbouwt via zijn huidige werkgever.

Voorts is rekening gehouden met de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- de door de man betaalde lasten van de echtelijke woning, te weten:

– de hypotheekrente van € 750 per maand;

– bijtelling eigen-woningforfait van € 1.920 op jaarbasis;

– de forfaitaire eigenaarslasten ad € 95 per maand;

- de premie ziektekostenverzekering van € 165 per maand;

- de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 2.945 op jaarbasis;

- het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van de premie ZVW van € 49 per maand, alsmede het eigen risico van € 15 per maand;

- tot slot houdt de rechtbank rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van 70 voor de kinderbijdrage en van 60 voor de partnerbijdrage.

2.12 Bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw is de rechtbank voor wat betreft haar inkomen uitgegaan van het door haar geraamde inkomen over het afgelopen jaar van

€ 928 bruto per maand en € 435 netto per maand. De vrouw heeft in dit kader verklaard dat het niet zeker is of haar dienstverband bij de [naam werkgever] het volgend seizoen gecontinueerd wordt en dat ook onzeker is of haar werk bij de [naam werkgever 2] wordt voortgezet. In het kader van de echtscheiding bestaat hierover wellicht meer duidelijkheid.

Nu beide kinderen nog staan ingeschreven op het adres van de vrouw en ter zitting is gebleken dat partijen het er niet over eens zijn welk kind bij wie van hen beiden zal worden ingeschreven, is de rechtbank in het kader van de voorlopige voorzieningen nog uitgegaan van de huidige situatie, hetgeen betekent dat alleen aan de zijde van de vrouw rekening is gehouden met de alleenstaande ouderkorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget.

Voorts is rekening gehouden met de volgende, aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens:

- de algemene heffingskorting en de arbeidskorting;

- de door de vrouw betaalde lasten van haar woning, te weten:

– de hypotheekrente van € 500 per maand;

– bijtelling eigen-woningforfait van € 1.000 op jaarbasis;

– de forfaitaire eigenaarslasten ad € 95 per maand;

- de premie ziektekostenverzekering van € 120 per maand;

- de door de vrouw te betalen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 854 op jaarbasis;

- het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel van de premie ZVW van € 49 per maand, alsmede het eigen risico van € 18 per maand;

- tot slot houdt de rechtbank rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent, en een draagkrachtpercentage van 70.

2.12 Op grond van het bovenstaande berekent de rechtbank de draagkracht van de man (inclusief fiscaal voordeel) op € 993 en de draagkracht van de vrouw op € 120 per maand.

De totale draagkracht van partijen is € 1.113 per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan berekend worden door ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het deel van de man bedraagt alsdan € 979 per maand en het deel van de vrouw bedraagt € 118 per maand.

Dat betekent dat de man een bijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 431 per maand ten behoeve van de beide kinderen, hetgeen neerkomt op € 216 per maand per kind. De rechtbank zal aldus beslissen.

2.13 Gelet op het voorgaande resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer om een partnerbijdrage te voldoen. De rechtbank gaat er daarbij wel vanuit dat de man, naast de door hem aan de vrouw te betalen kinderbijdrage, in gelijke mate aan de kosten van de kinderen zoals kleding, contributies, verzekeringen en schoolkosten zal bij dragen. De man heeft immers aangegeven een bedrag van € 376 per maand aan kosten te hebben voor het verblijf van de kinderen bij hem, zodat aan zijn zijde een bedrag van € 173 (€ 549 - € 376) per maand resteert voor voormelde kosten.

2.14 Het verzoek van de vrouw om het voorgaande als aparte beslissing in het dictum op te nemen zal niet ontvankelijk worden verklaard.

Immers in artikel 822 lid 1 Rv staat limitatief opgesomd welke voorlopige voorzieningen de rechter voor de duur van het scheidingsgeding kan treffen. De door de vrouw verzochte maatregel staat hierbij niet vermeld.

2.17 Het verzoek van de man om te bepalen dat de door hem te betalen kinderbijdrage op een kinderrekening wordt gestort, zal worden afgewezen, nu ter zitting is gebleken dat daarover tussen partijen geen overeenstemming bestaat.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Stelt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt vast:

De minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 2002 in de gemeente [plaats],

verblijven afwisselend een week bij de man en een week bij de vrouw, waarbij de vrijdag de wisseldag is. Voorts zullen de vakanties en feestdagen bij helft worden verdeeld, een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 2.4.

3.2 Bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen op € 216 per maand per kind met ingang van 22 juni 2012 en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

3.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Verklaart het verzoek van de vrouw te bepalen dat partijen na betaling van voornoemde kinderbijdrage door de man, in gelijke mate aan de kosten van de kinderen zoals kleding, contributies, verzekeringen en schoolkosten dienen bij te dragen, niet-ontvankelijk.

3.6 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.A.M. van de Rest-van der Heijden, rechter, in tegenwoordigheid van drs. F.J. Taconis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2012.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open.