Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6590

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
16-10-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
193036
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

omgang tussen grootouders en kleinkinderen. In de onderhavige zaak is in ieder geval komen vast te staan dat de grootouders en de kinderen regelmatig contact met elkaar hadden. Dat de dochter kanttekeningen heeft geplaatst bij de door haar ouders genoemde voorbeelden van contacten met hun kleinkinderen doet hieraan niet af.

Ter zitting is bovendien gebleken dat er op dit moment incidenteel contact tussen de kinderen en de grootouders is, in (omgangs-)weekenden waarin de kinderen bij de vader zijn.

De dochter heeft overigens desgevraagd verklaard dat zij met deze vorm van contact tussen haar ouders en de kinderen geen problemen heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

R

omgang

zaak-/rekestnr.: 193036/12-1812

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 16 oktober 2012

in de zaak van:

1. [naam grootvader],

2. [naam grootmoeder],

wonende te [plaats],

hierna gezamenlijk tezamen te noemen: de grootouders,

advocaat mr. P. Wieringa, kantoorhoudende te Zaandam,

tegen

[naam dochter],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de dochter,

advocaat mr. P.H. Visser, kantoorhoudende te Wormerveer.

Belanghebbende in deze zaak is:

[naam vader],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vader.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de grootouders van 5 juni 2012 ingekomen op diezelfde datum;

- het verweerschrift van de dochter van 24 augustus 2012 ingekomen op 28 augustus 2012,

- de brief, met bijlage, van de advocaat van de grootouders van 13 september 2012.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 september 2012 in aanwezigheid van partijen, de grootouders bijgestaan door mr. Wieringa en de dochter door mr. Visser. De vader is ook ter zitting verschenen.

2 Feiten en omstandigheden

Uit het op [datum] 2005 ontbonden huwelijk tussen de dochter en de vader zijn geboren de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], op [datum] 2000 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 2], op [datum] 2003 in de gemeente [plaats].

Het hoofdverblijf van de minderjarigen, hierna ook te noemen: de (klein-)kinderen, is bij de dochter.

3 Verzoek

De grootouders hebben de rechtbank verzocht een omgangregeling vast te stellen tussen hen en de kleinkinderen. Zij hebben aangevoerd dat zij vanaf de geboorte van de kleinkinderen een grote rol in hun leven hebben gespeeld. De kleinkinderen verbleven zeer dikwijls bij hun opa en oma en kwamen regelmatig vanuit school naar hun opa en oma.

In oktober 2011 heeft de dochter het contact met haar ouders verbroken. Dit heeft tot gevolg gehad dat ook het contact tussen haar kinderen en de grootouders verbroken werd. De grootouders hebben aangevoerd dat zij vergeefs hebben geprobeerd het contact met hun dochter te herstellen. Met een beroep op de nauwe persoonlijke band die zij met de kleinkinderen hebben, verzoeken zij de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen die aansluit bij de wijze waarop zij in het verleden met de kinderen omgang hadden. De grootouders hebben voorgesteld dat zij de kinderen op vrijdagmiddag, voorafgaande aan omgangsweekenden met de vader, uit school opvangen, alvorens de kinderen naar de vader gaan.

4 Verweer

4.1 De dochter heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het verzoek van haar ouders niet ontvankelijk is, aangezien niet is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen grootouders en kleinkinderen als bedoeld in artikel I:377a BW. De dochter betoogt dat de door haar ouders gestelde contacten in het verleden niet rechtvaardigen dat thans sprake kan zijn van een nauwe persoonlijke betrekking met de kleinkinderen. De dochter wijst erop dat haar ouders jaarlijks langdurig in het buitenland verblijven en de kinderen incidenteel zagen. Zij voert aan dat zij inmiddels een andere relatie heeft, met [naam partner], en dat diens zoon, [naam zoon partner] van 10 jaar oud, sinds 2005 samen met haar kinderen bij haar ouders kwam. Volgens de dochter zijn binnen haar gezin spanningen ontstaan door het feit dat haar ouders [naam zoon partner] anders behandelden dan hun kleinkinderen en dat zij hem veel straf gaven. De dochter heeft aangevoerd dat deze gang van zaken voor haar de aanleiding was om, in oktober 2011, ieder contact met haar ouders te verbreken. Desgevraagd heeft de dochter gezegd dat zowel de oudste zoon van partijen, [naam kind 1], als de zoon van haar partner, [naam zoon partner], ADHD hebben en dat zij door de stichting Lucertis wordt begeleid.

4.2 De dochter verzoekt de rechtbank haar ouders te verbieden contact met de kinderen te zoeken, in het bijzonder in en rond de openbare basisschool “[naam]” in [plaats]. Volgens de moeder zoeken haar ouders op en nabij de school van de kinderen contact met de kinderen en weigeren zij gehoor te geven aan het verzoek van de schoolleiding hiermee op te houden.

5 Beoordeling

ontvankelijkheid grootouders

5.1 Degene die - anders dan de ouders - een omgangsregeling met een kind verzoekt wordt in het algemeen slechts ontvankelijk verklaard indien hij bijkomende omstandigheden stelt waaruit voortvloeit dat er tussen hem en het kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, als bedoeld in artikel 1:377a BW, of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 EVRM.

5.2 In het algemeen geldt dat het bestaan van een familierechtelijke betrekking op zich niet voldoende is om aan te nemen dat sprake is van ‘family life’. Tevens zal moeten blijken van bijkomende omstandigheden. Anders dan in de door de advocaat van de dochter in het verweerschrift aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad van 29 maart 2002, is in de onderhavige zaak sprake van een biologische verwantschap tussen grootouders en kleinkinderen. De tendens in de jurisprudentie is dat minder strenge eisen aan naaste bloedverwanten als grootouders worden gesteld voor wat betreft het stellen en aannemelijk maken van bedoelde bijkomende omstandigheden. Deze tendens lijkt te zijn gestoeld op de aanname dat een kind er in het algemeen baat bij heeft om met zijn naaste familie (hechte) banden te hebben. Voor het ontwikkelen van die banden is omgang een onmisbare voorwaarde. Bijkomende omstandigheden als hiervoor genoemd kunnen gelegen zijn in de met het kind na de geboorte opgebouwde relatie. Een als family life aangemerkte band kan door latere gebeurtenissen ook weer worden verbroken. De enkele omstandigheid dat het contact met het kind gedurende een zeker tijdsverloop achterwege is gebleven, is echter niet als een dergelijke gebeurtenis aan te merken.

5.3 In de onderhavige zaak is in ieder geval komen vast te staan dat de grootouders en de kinderen regelmatig contact met elkaar hadden. Dat de dochter kanttekeningen heeft geplaatst bij de door haar ouders genoemde voorbeelden van contacten met hun kleinkinderen doet hieraan niet af.

Ter zitting is bovendien gebleken dat er op dit moment incidenteel contact tussen de kinderen en de grootouders is, in (omgangs-)weekenden waarin de kinderen bij de vader zijn.

De dochter heeft overigens desgevraagd verklaard dat zij met deze vorm van contact tussen haar ouders en de kinderen geen problemen heeft.

5.4 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat sprake is van een band tussen de grootouders en de kleinkinderen die aan te merken is als ‘family life’.

omgang

5.5 De rechtbank is van oordeel dat, alvorens over een omgangsregeling kan worden beslist, een onderzoek door de Raad voor de kinderbescherming (hierna: de Raad) nodig is. Het onderzoek moet gaan over de vraag of het belang van de minderjarigen zich tegen een omgangsregeling met de grootouders verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling de minderjarigen het beste af zijn.

5.6 Op grond van het verhandelde ter terechtzitting, in het bijzonder de verwijten die de dochter en haar ouders elkaar over en weer maken, alsook de zorgen die de vader heeft geuit over de opvoedingssituatie waarin de kinderen zich bevinden, is de rechtbank van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat om de Raad te verzoeken het onderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Verklaart de grootouders ontvankelijk in hun verzoek;

6.2 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming ten aanzien van de omgangsregeling een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de hierboven onder 5.5 vermelde vraag en dit onderzoek uit te breiden met een beschermingsonderzoek;

6.3 houdt de beslissing over de omgangsregeling aan tot 3 december 2012. Uiterlijk twee weken voor die datum dient de Raad voor de kinderbescherming aan de rechtbank te rapporteren en te adviseren. Daarna zal de rechtbank partijen informeren over de verdere voortgang van de procedure.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Udo de Haes, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2012.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.