Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6578

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
18-12-2012
Zaaknummer
197914 / 12-4 (voorlopige voorziening) & 197901/ 12-3909 (beroepschrift)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

voorzieningenrechter

Zaak-/rekestnrs.: 197914/12-4 (voorlopige voorziening)

197901/12-3909 (beroepschrift)

Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

in de zaak van:

[naam verzoeker], verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),

wonende te [plaats],

gemachtigde: mr. F.T. Pardaan, advocaat te Hoofddorp,

en

de burgemeester van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder,

zetelende te Hoofddorp,

in welke zaken belanghebbende is:

mevrouw [naam belanghebbende],

wonende te [plaats].

1 Procedure

1.1 Bij besluit van 12 november 2012 heeft verweerder verzoeker een huisverbod opgelegd, geldend van 12 november 2012 tot 22 november 2012.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 21 november 2012 het opgelegde huisverbod voor een periode van achttien dagen verlengd tot 10 december 2012.

Tegen dit laatste besluit van 21 november 2012 (hierna: het bestreden besluit) heeft verzoeker op 22 november 2012 beroep ingesteld.

1.2 Voorts heeft verzoeker bij brief van 22 november 2012 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verlengingsbesluit wordt geschorst.

1.3 Verweerder heeft bij e-mailbericht van 23 november 2012 een verweerschrift ingediend.

14 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. N. Jordan, adviseur bij team Openbare Orde en Veiligheid en mr. E.J.P. Smal-Huijbregts, senior jurist bij de cluster Juridische Zaken.

Tevens was ter zitting aanwezig het Steunpunt Huiselijk Geweld, vertegenwoordigd door mevrouw C. Galy en mevrouw Y. Voorthuizen.

Voorts waren ter zitting aanwezig de belanghebbende mevrouw [naam belanghebbende], de meerderjarige zoon van partijen, de schoondochter van partijen en een vriendin van mevrouw [naam belanghebbende].

2 Beoordeling

2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 Op 1 januari 2009 is de wet Regels strekkende tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod aan personen van wie een ernstige dreiging van huiselijk geweld uitgaat (Wet tijdelijk huisverbod; Stb. 2008, 421) in werking getreden.

Op grond van artikel 2 van deze wet kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van het beroepschrift aangevoerd dat hij grote spijt heeft van het gebeurde. Hij stelt zich op het standpunt dat hij uitermate coöperatief heeft meegewerkt met alle betrokken instanties, zoals de reclassering en de opsporingsinstanties. Uit het voorlopig verslag van de reclassering blijkt volgens verzoeker dat hij een rustige man is en dat de kans op recidive zeer gering is.

Verzoeker is voorts van mening dat indien er aanleiding is voor een verbod om de woning te betreden, dit niet automatisch hoeft te betekenen dat hij geen contact mag hebben met zijn kinderen.

Daarnaast is verzoeker van mening dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, nu dit gemotiveerd wordt door te stellen dat het belang van de veiligheid van de kinderen voorop staat. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij zijn kinderen nooit iets zal aandoen.

De voorgenomen uithuisplaatsing van de kinderen is volgens verzoeker niet nodig als het huisverbod wordt opgeheven. Dan kan verzoeker terugkeren naar huis en de zorg voor de kinderen op zich nemen. Uithuisplaatsing betekent bovendien dat het gezin abrupt uiteen valt met veel ingrijpende gevolgen. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met het redelijkheidsbeginsel, aldus verzoeker.

Tot slot heeft verzoeker gesteld dat het hier gaat om een gezinsproblematiek die thans vanuit diverse kanten gefragmenteerd wordt benaderd. Verzoeker wil dan ook vragen om een aanpak via mediation. Hij wijst erop dat de rechtbank Amsterdam deze mogelijkheid als pilot biedt, zich daarbij beroepend op het gelijkheidsbeginsel.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij na afweging van alle belangen in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen. Het huisverbod is verlengd, omdat het niet waarschijnlijk is dat er op korte termijn een structurele oplossing wordt gevonden voor de problemen tussen verzoeker en mevrouw [naam belanghebbende]. In het belang van de kinderen is het noodzakelijk dat er een veilige situatie wordt gecreëerd. Verzoeker en mevrouw [naam belanghebbende] geven al vier jaar aan te willen scheiden onder de voorwaarden dat er goede afspraken met betrekking tot de kinderen worden gemaakt. Bureau Jeugdzorg werkt aan een vrijwillige uithuisplaatsing of anders een voorlopige ondertoezichtstelling.

De uithuisplaatsing of de voorlopige ondertoezichtstelling kan een goede impuls geven aan het concreet maken van de echtscheiding. Een verlenging van het huisverbod draagt hieraan bij. Een verlenging van het huisverbod biedt bovendien rust en extra tijd om de vrijwillige uithuisplaatsing of de voorlopige ondertoezichtstelling rond te krijgen en gezinsverzorging voor mevrouw [naam belanghebbende] op te starten, aldus verweerder.

2.7 Ter zitting heeft verzoeker het beroepschrift met betrekking tot de verlenging van het opgelegde huisverbod voor de periode van achttien dagen gehandhaafd en met name waar het betreft het contact met zijn kinderen.

Verzoeker heeft allereerst gesteld dat hij spijt heeft van wat er is gebeurd en dat hij ervoor zal waken dat het nog een keer gebeurt. Voor zover verzoeker heeft bedoeld te stellen dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat partijen erkennen dat hun huwelijk zich al jarenlang kenmerkt door geweld over en weer en dat de politie in 2011 en 2012 zeker negen keer assistentie heeft verleend in verband met huiselijke twisten tussen verzoeker en mevrouw [naam belanghebbende]. Hierbij is telkens bemiddelend opgetreden, hetgeen echter niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, omdat het geweld nog immer voortduurt. De voorzieningenrechter gaat daarom voorbij aan dit punt.

2.8 Daarnaast heeft verzoeker gesteld dat hij uitermate coöperatief heeft meegewerkt met alle betrokken instanties, zoals de reclassering en de opsporingsinstanties. Hij bezoekt de reclassering en is onder behandeling van psycholoog mevrouw [naam].

Zoals ter zitting is toegelicht door mevrouw C. Galy van het Steunpunt Huiselijk Geweld is het in het kader van deze procedure van belang voor alle betrokkenen dat er een systeemgesprek zal plaatsvinden. Verzoeker heeft er echter voor gekozen zijn prioriteit te leggen bij zijn werk, hetgeen ertoe heeft geleid dat het systeemgesprek niet van de grond is gekomen en de hulpverlening voor de kinderen langs andere wegen geëntameerd is, namelijk in de vorm van vrijwillige uithuisplaatsing.

2.9 Voorts heeft verzoeker aangegeven dat uit het voorlopig verslag van de reclassering blijkt dat hij een rustige man is en dat de kans op recidive zeer gering is, hetgeen voor de rechter-commissaris reden is geweest om verzoeker vrij te laten.

De voorzieningenrechter constateert dat het door verzoeker overgelegde rapport van de Reclassering Nederland een rapport betreft dat in het kader van de vroeghulp wordt geschreven. In het dossier bevindt zich daarnaast een risicotaxatie instrument huiselijk geweld, waaruit blijkt dat de verzoeker weliswaar op sommige punten een zwak of matig signaal scoort, maar dat er ook sterke signalen zijn. Verweerder heeft daaruit kunnen afleiden dat een verlenging van het huisverbod wenselijk is om de hulpverlening op gang te brengen en het gezin rust te geven.

2.10 Verzoeker is voorts van mening dat indien er aanleiding is voor een verbod om de woning te betreden, dit niet automatisch hoeft te betekenen dat hij geen contact mag hebben met zijn kinderen.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat het huisverbod mede een contactverbod omvat en onlosmakelijk met elkaar is verbonden, zodat de voorzieningenrechter dit zal volgen.

2.11 Voor zover door verzoeker ter zitting is bepleit dat de voorzieningenrechter een omgangsregeling tussen hem en de kinderen dient vast te stellen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit in de onderhavige procedure niet tot de bevoegdheden van de voorzieningenrechter behoort.

2.12 Tevens heeft verzoeker gesteld dat het bestreden besluit de verlenging motiveert door te stellen dat het belang van de veiligheid van de kinderen voorop staat. Verzoeker stelt dat hij zijn kinderen nooit iets zal aandoen, zodat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. Daar komt bij dat de beschikking niet de eigen opvattingen van de kinderen vermeldt, zodat er geen sprake is van een draagkrachtige motivering.

Vaststaat dat verzoeker op 10 november 2012, nadat mevrouw [naam belanghebbende] geweld heeft gepleegd tegen verzoeker, in reactie daarop excessief geweld heeft gepleegd tegen haar, waardoor mevrouw [naam belanghebbende] een verbrijzelde oogkas en een gebroken jukbeen heeft opgelopen, waaraan zij op 11 november 2012 is geopereerd.

De grondslag voor het huisverbod van 12 november 2012 is dat het gezin rust moet krijgen en dat de hulpverlening op gang zal moeten worden gebracht. De verlenging van het huisverbod is erin gelegen dat het in het belang van de kinderen is dat er een veilige situatie wordt gecreëerd. Mevrouw Galy van het Steunpunt Huiselijk Geweld heeft ter zitting aangegeven dat het Bureau Jeugdzorg duidelijk is geworden dat de kinderen gevolgen ondervinden van het langdurige huiselijk geweld en de escalatie van het geweld.

Verweerder heeft zich laten voorlichten door de Stichting Huiselijk Geweld, die zich weer heeft laten voorlichten door Bureau Jeugdzorg, op welke wijze verweerder inzicht heeft gekregen in de situatie waarin de kinderen zich als het gevolg van het geweld bevinden.

Voor Bureau Jeugdzorg is dit reden geweest om de kinderen uit huis te plaatsen. De situatie is niet anders geworden nu de kinderen inmiddels op basis van ambulante hulpverlening uit huis zijn geplaatst. Daarnaast is gebleken dat mevrouw [naam belanghebbende] zelf ook behoefte aan rust heeft en dat de gezinszorg pas zeer recent is gestart en zal moeten worden voortgezet.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de belangen van partijen heeft afgewogen en daarbij in redelijkheid tot het onderhavige besluit heeft kunnen nemen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, mede gezien hetgeen hiervoor is overwogen, het besluit berust op een deugdelijke motivering.

2.13 Verzoeker heeft gesteld dat de uithuisplaatsing, die zijns inziens niet in het belang van de kinderen is, niet nodig is als het huisverbod wordt opgeheven. Dan kan verzoeker terugkeren naar huis en de zorg voor de kinderen op zich nemen. De verzoeker heeft voorts gesteld dat de uithuisplaatsing betekent dat het gezin abrupt uiteen valt met veel ingrijpende gevolgen. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met het redelijkheidsbeginsel. Daarnaast merkt verzoeker op dat het huisverbod ten aanzien van de kinderen geheel zou kunnen vervallen, omdat zij fysiek niet meer thuis verblijven, terwijl ook het contactverbod met de kinderen kan vervallen, omdat de lijnen via Jeugdzorg voldoende garantie op veiligheid bieden.

Ter zitting is naar voren gebracht dat Bureau Jeugdzorg nog geen beslissing heeft genomen over de mogelijke terugkeer van de kinderen naar de echtelijke woning, dan wel dat de kinderen in het kader van een gedwongen maatregel uithuis geplaatst zullen worden. De voorzieningenrechter kan dit aspect dan ook niet betrekken in het oordeel of het bestreden besluit in strijd is met het redelijkheidsbeginsel.

2.14 Tot slot heeft de verzoeker voorgesteld dat partijen in mediation zullen gaan, gelet op een pilot bij de rechtbank Amsterdam en zich daarbij beroepend op het gelijkheidsbeginsel.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit geen grondslag betreft om het bestreden besluit te kunnen aantasten, zodat de voorzieningenrechter hieraan voorbij zal gaan.

2.15 De voorzieningenrechter zal het beroep daarom ongegrond verklaren. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

3 Beslissing

De voorzieningenrechter,

3.1 verklaart het beroep ongegrond,

3.2 wijst het verzoek om voorlopige voorziening op grond van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. A. Blijleven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2012.

Een belanghebbende en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.