Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6465

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-05-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
185685 - HA ZA 11-1013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijventerrein Distriport. Kern van het geschil is de vraag of de provincie de grondverkoopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden of dat provincie gehouden is tot teruglevering van de in geding zijnde gronden aan de CV. Nadat de gronden door de provincie fiscaal bouwrijp waren gemaakt, was CV gehouden de gronden (terug) af te nemen. De stelling dat de CV niet heeft kunnen afnemen omdat de provincie op onredelijke gronden haar goedkeuring heeft onthouden aan financieringsvoorstellen van de CV, wordt verworpen. De provincie behoefde geen voorstellen te accepteren waarin van haar, naast de borgstelling, een financiële inbreng wordt verlangd. Grondovereenkomst op rechtsgeldige gronden ontbonden. Geen onverbrekelijke samenhang tussen grondverkoopovereenkomst en (eerder tussen partijen overeengekomen) afsprakenkader. Afwijzing verklaring voor recht dat de artikelen 3 en 4 van het afsprakenkader (eveneens) zijn ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 185685 / HA ZA 11-1013

Vonnis van 2 mei 2012

in de zaak van

1. de commanditaire vennootschap

DISTRIPORT NOORD-HOLLAND C.V.,

gevestigd te Scharwoude,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DISTRIPORT NOORD-HOLLAND B.V.,

gevestigd te Scharwoude,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE PEYLER PROJEKTONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Scharwoude,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZEEMAN VASTGOED B.V.,

gevestigd te Hoorn,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. J.F. de Groot te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

zetelend te Haarlem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. G.J. Huith te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna respectievelijk Distriport CV, Distriport BV, De Peyler Projectontwikkeling en Zeeman Vastgoed, gezamenlijk Distriport c.s. en de provincie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 10 januari 2012 en de daarin genoemde stukken

- de aan het proces-verbaal gehechte brief van 1 februari 2012 van mr. Huith voornoemd

- de aan het proces-verbaal gehechte brief van 14 februari 2012 van mr. De Groot voornoemd.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Peyler Projectontwikkeling en Zeeman Vastgoed zijn projectontwikkelaars.

2.2. Het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord N.V. (hierna: NHN) is belast met de uitvoering van de Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) voor de provincie. De provincie houdt 50% van de aandelen in NHN. De Kamer van Koophandel en 26 gemeenten, waaronder de gemeente Koggenland, houden de andere 50% van de aandelen in NHN. NHN houdt 100% van de aandelen in NHN Vastgoed B.V. (hierna: NHN Vastgoed).

2.3. NHN Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling houden samen met (naar Distriport c.s. stelt:) de besloten vennootschap Zeeman Bestuur B.V. of (naar de provincie stelt:) Zeeman Vastgoed de aandelen in Distriport BV. Distriport BV is beherend vennoot van Distriport CV.

2.4. Op 20 juni 2007 hebben de provincie, NHN, Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling het Afsprakenkader ondertekend, een document voluit getiteld Afsprakenkader inzake de ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein c.a. Jaagweg te Koggenland, onder meer bestaande uit contractovernames en een koop en verkoop van de gronden als aangegeven in deze overeenkomst, alsmede uit intenties met betrekking tot een tot stand te brengen samenwerking(sovereenkomst) c.a. terzake (hierna: het Afsprakenkader). In het Afsprakenkader is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

1.1. Partijen hebben de intentie om – op basis van een nader tussen hen te bepalen verdeling – voor gezamenlijke rekening en risico en op basis van een nog definitief tussen hen te bepalen participatie in het resultaat, de deelname in het kapitaal en de benodigde financiering(en) en de terzake te stellen garanties en te verstrekken zekerheden samen te werken bij de verdere ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein Jaagweg c.a. in het Plangebied, waarbij er vooralsnog vanuit wordt gegaan dat NHN – in de plaats van de provincie – naast de ontwikkelaars terzake zal participeren en dat Zeeman, De Peyler en NHN ieder terzake voor een gelijk deel zullen participeren.

(…)

2.3 De intentie van partijen is erop gericht dat NHN – dan wel de provincie – De Peyler en Zeeman ieder voor een gelijk deel zullen participeren in het resultaat van de Grondexploitatie. Voorts zullen partijen volgens een nog nader tussen hen te bepalen verdeling deelnemen in het kapitaal en bijdragen in de financiering van de Grondexploitatie en de terzake benodigde garanties afgeven en de terzake benodigde zekerheden verstrekken. Voordat tot een winstuitkering zal worden overgegaan dienen – voorzover ingevolge deze Overeenkomst, de Samenwerkingsovereenkomst en/of nog nader tussen partijen in onderlinge overeenstemming te maken afspraken terzake, aanspraak op een vergoeding ervan bestaat – alle kosten, die de betreffende partij met het oog op de verdere ontwikkeling en realisering van het bedrijventerrein c.a. heeft gemaakt, aan de betreffende partij te worden vergoed, verhoogd met een rentevergoeding daarover, ten aanzien waarvan partijen het percentage nog in onderlinge overeenstemming zullen bepalen en vastleggen in de Samenwerkingsovereenkomst (…)

(…)

3. Contractsovername en mogelijk (terug-)verkoop en –koop van de Koopovereenkomst-gronden I en II

(…)

4. De verkoop en levering van de Verworven gronden

(…)

2.5. Bij de gedingstukken bevindt zich een door de provincie opgesteld en als “interne notitie concept voorstel afspraken PNH inzake bedrijventerrein Jaagweg” aangeduid stuk, gedateerd 29 november 2007, dat, voor zover van belang, het volgende inhoudt:

(…) Voor de provinciale betrokkenheid (grondoverdracht en, indien nodig, financiering) bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Jaagweg zal de Provincie Noord-Holland garanties/zekerheden van de ontwikkelende partijen vragen. Deze garanties moeten ervoor zorgen dat de Provincie Noord-Holland geen financieel risico loopt en dat het risico komt te liggen waar het thuis hoort: bij de ontwikkelende partijen. (…)

2.6. Op 19 juni 2008 hebben de provincie, NHN, Zeeman Vastgoed, De Peyler Projectontwikkeling en een partij, genoemd Distriport Noord-Holland C.V. i.o., een als grondverkoopovereenkomst met betrekking tot gronden in het (toekomstig) bedrijventerrein c.a. Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de grondverkoopovereenkomst). In de grondverkoopovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

(…)

1.1. In het kader van de uitvoering van het Afsprakenkader heeft de Provincie de eigendom verworven van de gronden in het Projectgebied. De onderhavige overeenkomst regelt de verkoop van deze gronden – in de vorm van bouwterrein als bedoeld in artikel 11, lid 1, sub a onder 1 jo. Artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 – aan GEM en de bepalingen en voorwaarden waaronder zulks plaatsvindt.

1.2. Het Afsprakenkader blijft tussen partijen voortbestaan. Indien en voorzover het bepaalde in de onderhavige overeenkomst afwijkt van het Afsprakenkader, prevaleert de onderhavige overeenkomst.(…)

(…)

2.3 De (juridische) levering van de gronden zal – in afwijking van het terzake bepaalde in het Afsprakenkader – plaatsvinden, indien en zodra de gronden zijn aan te merken als bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1 sub a onder 1 jo artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 Daartoe zal de Provincie voor haar rekening en risico op de kortst mogelijke termijn zodanige vervaardigingshandelingen met betrekking tot de gronden (doen) verrichten dat deze zich als bouwterrein in vorenbedoelde zin kwalificeren. Partijen zullen in onderling en gezamenlijk overleg met een terzake fiscaal deskundige en de Belastingdienst vaststellen welke minimaal noodzakelijk vervaardigingshandelingen moeten worden verricht teneinde de gronden te kunnen aanmerken als bouwterrein. (…) De verkoop van de gronden vindt ook plaats onder de opschortende voorwaarde dat de gronden zich hebben gekwalificeerd als bouwterrein in vorenbedoelde zin. (…)

(…)

7.5 De bepalingen ter zake van ontbinding van een overeenkomst, zoals opgenomen in boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, zijn onverkort van toepassing.

(…)

2.7. Eveneens op 19 juni 2008 hebben de provincie, NHN, Zeeman Vastgoed, De Peyler Projectontwikkeling en de partij, genoemd Distriport Noord-Holland C.V. i.o., een als borgovereenkomst met betrekking tot de (verdere) ontwikkeling en realisering van het (toekomstig) bedrijventerrein) c.a. Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de borgovereenkomst). In de borgovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

(…)

2. Voorwaarden en bepalingen van borgstelling

2.1 De Provincie zal om niet tot maximaal 80% van de te verstrekken financiering jegens de Financiële instelling borg staan voor al hetgeen de Financiële instelling van GEM te vorderen heeft uit hoofde van een tussen die instelling en GEM tot stand te brengen financieringsovereenkomst ten behoeve van de (verdere) ontwikkeling en realisering van het Project.

(…)

2.3 GEM is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een financiering bij een Financiële instelling. De terzake door GEM tot stand te brengen financieringsovereenkomst(en) behoeft (behoeven) de voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de Provincie. De Provincie zal bedoelde goedkeuring niet op onredelijke gronden weigeren.(…)

2.8. Voorts hebben Zeeman Vastgoed, De Peyler Projectontwikkeling en NHN Vastgoed op 19 juni 2008 een als samenwerkingsovereenkomst Distriport Noord-Holland te Koggenland aangeduide akte getekend (hierna: de samenwerkingsovereenkomst). In de samenwerkingsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

(…)

Artikel 4 Oprichting GEM en GEM Beheer

4.1 Partijen verbinden zich jegens elkaar om zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige overeenkomst, over te gaan tot de oprichting en het aangaan van de in dit artikel 4 bedoelde vennootschappen: GEM Beheer en GEM.

4.2 (…)

4.5 Partijen (de commandieten) gaan dadelijk nadat GEM Beheer is opgericht met inachtneming van de onderhavige overeenkomst een commanditaire vennootschap, in de onderhavige overeenkomst aangeduid als “GEM” aan.

(…)

Artikel 10 Financiering Locatie-ontwikkeling en te stellen zekerheden en af te geven garanties.

10.1 GEM en GEM Beheer beogen – naast de in artikel 4 bedoelde kapitaalinbreng in GEM – in hun financieringsbehoefte zoveel mogelijk te voorzien door middel van externe financiering door derden en waarbij de Provincie zich als borg stelt uit hoofde van de met de Provincie te sluiten Borgovereenkomst. (…)

10.2 Indien en voorzover niet door middel van de in artikel 10.1 bedoelde financiering in de financieringsbehoefte van GEM en GEM Beheer kan worden voorzien, zullen Partijen ieder voor een gelijk deel GEM en GEM Beheer voorzien van de door GEM en GEM Beheer benodigde financieringsmiddelen.

(…)

2.9. Bij brief van 24 april 2009 van de Belastingdienst Amsterdam aan de provincie is als volgt bericht:

U heeft mij een vraag voorgelegd over de levering van onbebouwde terreinen in een gebied, alwaar de Provincie voornemens is het regionale bedrijventerrein Distriport NH te Koggenland te realiseren. De Provincie wenst de levering van rechtswege belast met omzetbelasting te doen plaatsvinden. Daartoe is benodigd dat de onbebouwde grond als bouwterrein in de zin van artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kwalificeert.

(…)

Uitgaande van de door u verstrekte informatie ben ik van mening dat de werkzaamheden aan de brug zijn aan te merken als een voorziening die wordt getroffen met het oog op de bebouwing van het plangebied. Aldus zal de levering van grond in het plangebied, nadat de werkzaamheden aan de brug zijn aangevangen, als de levering van een bouwterrein voor de omzetbelasting kwalificeren.

Voor de goede orde wijs ik u nog op het volgende. Beoordeling of sprake is van een bouwterrein dient plaats te vinden op het tijdstip waarop de levering plaatsvindt. Indien een terrein kwalificeert als bouwterrein maar zich nadien omstandigheden voordoen waardoor objectief duidelijk is dat in het plangebied geen bebouwing plaats zal kunnen vinden, kan daardoor de kwalificatie ‘bouwterrein’ komen te vervallen. (…)

2.10. In het voorjaar van 2009 heeft de provincie het bouwgebied ontsloten, in die zin dat een reeds bestaande dam zodanig is verstevigd dat toekomstig zwaar bouwverkeer van en naar het projectgebied mogelijk werd gemaakt.

2.11. Bij brief van 9 juli 2009 heeft Distriport CV, voor zover van belang, het volgende aan de provincie geschreven:

Op 2 juni hebben wij van u de kopie brief van de Belastingdienst Amsterdam inzake Distriport Noord-Holland en omzetbelasting ontvangen. (…)

Wij zijn van mening dat de juridische levering en betaling niet eerder kan plaatsvinden, voordat de inspecteur ter plaatse de uitgevoerde maatregelen m.b.t. het fiscaal bouwrijp maken heeft beoordeeld en goedgekeurd. De inspecteur moet dit dan schriftelijk verklaren, zodat er daarna gepasseerd kan worden bij de notaris.

(…)

2.12. Bij brief van 20 januari 2010 aan Distriport CV heeft de provincie, voor zover van belang, het volgende geschreven:

De provincie Noord-Holland, het Ontwikkelingsbedrijf Noord-Holland Noord, Zeeman Vastgoed BV en De Peyler projectontwikkeling BV hebben op 20 juni 2007 in het zogenaamde Afsprakenkader een aantal afspraken vastgelegd over de voorgenomen ontwikkeling van bedrijventerrein Jaagweg, later Distriport geheten. Deze afspraken zijn nader uitgewerkt in de Borgovereenkomst en de Grondverkoopovereenkomst, beide van 19 juni 2008. (…) Op 9 en 24 juni 2009 zijn de Distriport Noord-Holland B.V. en de Distriport Noord-Holland C.V. opgericht. (…)

Het fiscaal bouwrijp maken van deze gronden is intussen geaccordeerd door de Belastingdienst en ook feitelijk uitgevoerd.

(…)

De provincie Noord-Holland wil, conform de afspraken zoals vastgelegd in de Grondverkoopovereenkomst, de verworven grond uiterlijk op 1 april 2010 terugleveren aan de Distriport Noord-Holland C.V.

(…)

Wij ontvangen graag van u op korte termijn een schriftelijk voorstel hoe u de afname van de grond wil vormgeven.

(…)

2.13. Bij brief van 9 juli 2010 aan Distriport CV heeft de provincie, voor zover van belang, het volgende geschreven:

(…)

Per brief van 20 januari 2010 heeft de provincie Noord-Holland u schriftelijk verzocht om uiterlijk 1 april 2010 mee te werken aan de teruglevering van de gronden aan Distriport, conform de afspraken zoals vastgelegd in de Grondverkoopovereenkomst. Aan dit verzoek hebt u geen gevolg gegeven. De provincie is tot nu toe terughoudend geweest in aanmanen omdat zij wel begrijpt dat de economische situatie veranderd is. (…)

Wij willen u hiermee meedelen dat wij u tot 1 november 2010 de gelegenheid bieden alsnog de bedoelde grond over te nemen. Dit is wat ons betreft de uiterste termijn waarop u aan de verplichtingen voortvloeiend uit de Grondverkoopovereenkomst kunt voldoen.

(…)

2.14. Bij brief van 22 oktober 2010, verzonden op 16 november 2010 aan Distriport BV heeft de provincie, voor zover van belang, het volgende geschreven:

Het klopt dat u dit jaar bij herhaling voorstellen heeft gedaan ter financiering van het project Distriport. (…) Alle voorstellen leiden echter tot grotere risico’s voor de provincie. (…) De provincie wenst (…) vast te houden aan de inhoud van de overeenkomsten die er liggen.

(…)

Zoals reeds in onze vorige brief betoogd zijn wij van mening dat voldaan is aan onze verplichting ter zake van het ‘fiscaal bouwrijp’ maken van de gronden. Niets stond dus aan afname van de gronden op uiterlijk 1 november 2010 in de weg. Wij constateren thans dat u hiermee in gebreke bent gebleven.

2.15. Bij brief van 26 januari 2011 van de Belastingdienst Holland-Noord, kantoor Hoorn, aan Ontwikkelcombinatie Distriport NH, p/a Zeeman Vastgoed, ter attentie van de heer [A], is onder meer het volgende vermeld:

In april 2009 is door de provincie Noord-Holland een vraag voorgelegd aan de belastingdienst Amsterdam over de levering van onbebouwde terreinen.

(…)

In de brief van 24 april 2009 van de belastingdienst Amsterdam is reeds aangegeven dat dergelijke werkzaamheden zijn aan te merken als “werkzaamheden met het oog op de bebouwing”. Dit betekent dat de levering van de grond in het gebied, nadat de werkzaamheden aan de brug zijn aangevangen, als levering van een bouwterrein voor de omzetbelasting kwalificeert.

(…)

In de brief van 9 juli 2009 geeft Distriport aan dat zij omtrent een aantal zaken zekerheid vooraf wenst. Men wil graag een verklaring van de belastingdienst dat er ter zake van de levering van de grond door de provincie aan Distriport geen 6% overdrachtsbelasting is verschuldigd aangezien het een levering betreft die is belast met omzetbelasting. Hiervoor is van belang dat een beoordeling van de werkzaamheden aan de brug leidt tot de conclusie dat er sprake is van “fiscaal bouwrijp” maken.

(…)

Op 24 januari 2011 hebben namens de belastingdienst (…) geconstateerd, dat de betreffende werkzaamheden aan een drietal toegangsdammen (…) kwalificeren als “fiscaal bouwrijp” maken. De onbebouwde grond kwalificeert als bouwterrein zoals omschreven in artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

(…)

2.16. Bij brief van 21 februari 2011 van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland aan Distriport CV is onder meer vermeld:

(…)

Ontbinding

Nu Distriport bij herhaling in gebreke is gebleven de gronden over te nemen zoals door partijen is afgesproken in de Grondverkoopovereenkomst en Distriport hiervan reeds in november 2010 in gebreke is gesteld, roept de provincie bij deze de ontbinding in van artikel 2.1 van de Grondverkoopovereenkomst die op 19 juni 2008 is gesloten. De provincie hoeft daarmee niet langer de gronden te leveren aan Distriport. Dit betekent dat de provincie Noord-Holland vrij is om te handelen met de gronden zoals zij goeddunkt. Nu de provincie artikel 2.1 van de Grondverkoopovereenkomst heeft ontbonden zijn de artikelen 2.1 en 2.2 van de Borgovereenkomst niet langer uitvoerbaar voor wat betreft de ‘GEM’. Deze bepalingen zijn derhalve voor zover betrekking hebbend op de ‘GEM’ automatisch ontbonden.

Schade

De overname van de gronden door de provincie zou zeer tijdelijk van aard zijn. Daarnaast zou de provincie niet risicodragend deel uitmaken van de ontwikkeling. Door het bezit van de gronden langer bij de provincie te hebben gelaten heeft de provincie schade geleden.

Het hoeft geen betoog dat indien de gronden niet afgenomen worden de kosten en rente over de financiering doorlopen. Voor deze schade stelt de provincie haar contractspartijen en Distriport aansprakelijk.

(…)

2.17. Bij brief van 14 april 2011 van mr. De Groot voornoemd, namens Distriport BV, aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, met als bijlage een memorandum betreffende Distriport C.V./ Staatssteun, is onder meer het volgende vermeld:

(…)

U heeft verzocht om een financieringsvoorstel dat aan de Borgovereenkomst, meer in het bijzonder aan een viertal in een mailbericht d.d. 7 april 2011 van de heer [B] gestelde vereisten, voldoet. Aan dat verzoek geeft Distriport door deze gevolg, uiteraard voor zover deze vereisten gerechtvaardigd worden gesteld. Zoals u bekend is, mag de provincie op grond van artikel 2.3 van de Borgovereenkomst goedkeuring van een door Distriport gepresenteerd financieringsvoorstel niet op onredelijke gronden weigeren.

(…)

Met het vorenstaande vertrouwt Distriport te hebben voldaan aan uw verzoek om de contouren te schetsen van een financieringsvoorstel dat geheel conform de Borgovereenkomst luidt. (…)

2.18. Bij brief van 26 mei 2011 van mr. De Groot voornoemd, namens Distriport BV, aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland is onder meer het volgende vermeld:

(…)

Uit de bespreking van 28 april 2011 is inmiddels duidelijk geworden dat het voorstel van 14 april 2011 mogelijk niet zozeer vanwege staatssteunrechtelijke problemen zou worden afgewezen, als wel vanwege het interne besluit van de provincie om NHN op geen enkele wijze te voorzien van financiële middelen die nodig zijn om aan haar verplichtingen als commandiet binnen Distriport te voldoen. Naar het Distriport voorkomt staat het de provincie niet vrij om dit argument – wat daar ook van zij – te gebruiken in het kader van de beoordeling van een financieringsvoorstel van Distriport dat blijft binnen de geldende kaders van de gesloten overeenkomsten.

(…)

Hoewel Distriport zich, zoals uit het vorenstaande moge zijn gebleken, primair op het standpunt stelt dat de provincie en Distriport de tussen hen geldende overeenkomsten conform en onverkort tot uitvoering dienen te brengen, en dat de provincie geen redelijke gronden heeft om goedkeuring aan het financieringsvoorstel van 14 april 2011 te onthouden, schetst Distriport hieronder twee alternatieve voorstellen.

(…)

2.19. Bij brief van 24 juni 2011 van mr. De Groot namens Distriport CV en Distriport BV aan Gedeputeerde Staten is onder meer het volgende vermeld:

(…)

(…) de ontwikkelaars hadden hun gronden niet aan de Provincie verkocht, als de gronden niet tevens zouden worden terugverkocht en geleverd aan de ontwikkelaars. Indien derhalve de ontbinding van artikel 2.1 Grondverkoopovereenkomst geldig zou zijn – quod non – dan zou dit tevens gevolgen hebben voor (de artikelen 3 en 4) van het Afsprakenkader, welk Afsprakenkader immers – zie de Borgovereenkomst en de Grondverkoopovereenkomst – tussen partijen is blijven gelden. Blijft de ontbinding van artikel 2.1 Grondverkoopovereenkomst in stand, dan is gelet op artikel 1.2 Grondverkoopovereenkomst ook het Afsprakenkader ontbonden voor zover dat ziet op verkoop van de gronden van de ontwikkelaars aan de Provincie, althans doet Distriport – door deze en mitsdien voorwaardelijk – een beroep op ontbinding van (de desbetreffende bepalingen van artikel 3 en 4 van) het Afsprakenkader. Dit heeft tot gevolg dat de gronden door de Provincie aan Distriport dienen te worden geleverd.

(…)

De Provincie is gelet op de sommatie als opgenomen in de brief van 26 mei 2011 in verzuim.

(…)

Distriport houdt de Provincie integraal aansprakelijk voor alle geleden en nog te lijden schade als gevolg van de handelwijze van de Provincie.(…)

2.20. Op 27 juni 2011 heeft Distriport c.s., na daartoe verkregen verlof, conservatoir leveringsbeslag gelegd op de betreffende gronden.

2.21. Bij de gedingstukken bevindt zich een als Geheime besluitenlijst van de vergadering van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 27 september 2011 aangeduid geschrift. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

Het College besluit:

In te stemmen met de inhoud en het verzenden door huisadvocaat Pels Rijcken van bijgevoegde conclusie van antwoord als verweer op hetgeen in de dagvaarding door (…) Distriport c.s. is gesteld voor de rechtszitting van 5 oktober 2011.

In de bijlage bij deze besluitenlijst is als toelichting op het voorstel vermeld:

De provincie is door Distriport c.s. gedagvaard voor de zitting van 5 oktober 2011. De dagvaarding is uitgebracht naar aanleiding van het beslag dat Distriport c.s. medio juni 2011 op de gronden van de provincie had gelegd. De conclusie van antwoord is een verweer op de stellingen die door Distriport c.s. ingenomen worden in de dagvaarding. In de conclusie van antwoord dient de provincie tevens een `reconventionele eis` in tot vergoeding van de schade die de provincie lijdt als gevolg van het voortdurende grondbezit.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Distriport c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover de wet het toelaat uitvoerbaar bij voorraad – samengevat –

1. de provincie zal veroordelen tot nakoming van het samenstel van contractuele afspraken, bestaande uit het (i) geven van goedkeuring aan een financieringsvoorstel van Distriport, (ii) het verlenen van medewerking aan een borgtochtovereenkomst, alsmede (iii) het verlenen van medewerking aan de juridische levering van de gronden,

2. voor recht zal verklaren dat de overeenkomsten tussen partijen onverminderd van kracht zijn en dat de eenzijdige (gedeeltelijke) ontbinding van de Grondverkoopovereen-komst door de provincie geen effect sorteert,

3. voor recht zal verklaren dat de provincie toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar contractuele verplichtingen, althans toerekenbaar onrechtmatig handelt en mitsdien aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade,

4. de provincie zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat, en

5. de provincie zal veroordelen tot betaling van de kosten, waaronder de beslagkosten en de nakosten.

3.2. Distriport c.s. legt aan haar vorderingen – samengevat – ten grondslag dat zij recht heeft op levering van de gronden en stelt dat de provincie haar contractuele verplichtingen toerekenbaar niet nakomt, althans onrechtmatig jegens hen handelt en daardoor schadeplichtig is.

3.3. De provincie voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. De provincie vordert dat de rechtbank, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, – samengevat –

1. voor recht zal verklaren dat artikel 2.1 van de Grondverkoopovereenkomst is ontbonden,

2. Distriport c.s. hoofdelijk zal veroordelen de schade te vergoeden als gevolg van de tekortkomingen, althans het onrechtmatig handelen van Distriport c.s., nader op te maken bij staat,

3. Distriport c.s. hoofdelijk zal veroordelen om bij wijze van voorschot aan de provincie € 2.289.249,39, exclusief BTW te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 februari 2011,

4. voor recht zal verklaren dat de artikelen 3 en 4 van het Afsprakenkader door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring d.d. 24 juni 2011 van Distriport c.s. niet zijn ontbonden, en

5. Distriport c.s. hoofdelijk zal veroordelen in de kosten te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.6. De provincie legt aan haar vorderingen ten grondslag – samengevat – dat zij schade heeft geleden doordat Distriport c.s. in afwijking van hetgeen partijen in artikel 2.3 van de Grondverkoopovereenkomst zijn overeengekomen, de gronden niet (direct) heeft afgenomen nadat deze in fiscale zin als bouwterrein kwalificeerden, hetgeen als tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van Distriport c.s. dan wel als onrechtmatige daad kwalificeert.

3.7. Distriport c.s. voert verweer.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Het geschil tussen partijen betreft de realisatie van het bedrijventerrein Distriport Noord-Holland in de gemeente Koggenland. De vraag die partijen naar de kern genomen verdeeld houdt, is of de provincie al dan niet rechtsgeldig tot ontbinding van artikel 2.1 van de grondverkoopovereenkomst en de bijbehorende borgovereenkomst heeft kunnen overgaan of dat zij gehouden is tot teruglevering van de in geding zijnde gronden.

4.2. Alvorens tot beantwoording van deze vraag over te gaan, zal de rechtbank ingaan op het verweer van de provincie dat Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling niet-ontvankelijk moeten worden verklaard bij gebreke van een zelfstandig belang bij de vorderingen.

4.3. De overeenkomsten die in onderhavige zaak aan de vorderingen ten grondslag liggen, hiervoor onder 2.4 tot en met 2.8 vermeld, noemen als contractspartijen onder meer Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling. Dat zij deze overeenkomsten uitsluitend hebben getekend in hun hoedanigheid van (commanditair) vennoten, zoals de provincie betoogt, blijkt niet uit de tekst van de akten. Dat zou zich ook niet goed verhouden met een positie als commandiet. Als partijen bij de overeenkomsten kunnen Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling nakoming van de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen in rechte vorderen, evenals de verklaringen voor recht dat deze overeenkomsten onverminderd van kracht zijn en dat de provincie tekortschiet en jegens eiseressen aansprakelijk is. Genoemde partijen hebben dus voldoende belang bij de vorderingen om daarin te kunnen worden ontvangen.

4.4. Met betrekking tot de in randnummer 4.1 opgeworpen vraag of de provincie tot ontbinding van artikel 2.1 van de grondovereenkomst heeft kunnen komen, overweegt de rechtbank het volgende. De grondverkoopovereenkomst legt in artikel 2.3 aan partijen (zij zijn het erover eens dat waar in de overeenkomsten GEM wordt genoemd, daarmee Distriport CV wordt bedoeld) de verplichting op om mee te werken aan de levering van de in geding zijnde gronden indien en zodra de gronden zijn aan te merken als bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1 sub a onder 1 jo. artikel 11, lid 4 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (fiscaal bouwrijp). Daarbij heeft de provincie de verplichting op zich genomen om de gronden bouwrijp te maken.

4.5. Vast staat dat in april 2009 met de Belastingdienst is besproken welke maatregelen noodzakelijk waren teneinde de gronden aan te kunnen merken als fiscaal bouwrijp, hetgeen resulteerde in de brief van de Belastingdienst, vermeld onder 2.9. Blijkens de daarin opgenomen conclusie kwalificeert de levering van grond in het plangebied na aanvang van de werkzaamheden aan de brug als de levering van een bouwterrein voor de omzetbelasting. Vast staat dat de provincie in het voorjaar van 2009 de betreffende werkzaamheden heeft doen uitvoeren en dat deze in mei 2009 waren afgerond. Dat rechtvaardigt de conclusie dat gronden na mei 2009 fiscaal bouwrijp waren.

4.6. Distriport c.s. heeft hiertegen aangevoerd dat de brief van 24 april 2009 van de Belastingdienst een voorbehoud bevat en daarom na mei 2009 nog niet de situatie bestond dat de gronden onherroepelijk bouwrijp waren. Volgens Distriport c.s. konden de gronden niet eerder als fiscaal bouwrijp worden aangemerkt dan nadat de bevoegde belastingdienst zulks had bevestigd, hetgeen volgens Distriport c.s. pas het geval was met de onder 2.15 genoemde brief van de belastingdienst Holland-Noord van 26 januari 2011.

4.7. De rechtbank verwerpt dit betoog. In artikel 2.3 van de grondverkoopovereenkomst is niet als voorwaarde overeengekomen dat Distriport CV de gronden pas hoefde af te nemen nadat een expliciete standpuntbepaling van de bevoegde belastingdienst zou zijn verkregen. Dat Distriport CV die voorwaarde bij brief van 9 juli 2009, zoals genoemd onder 2.11, heeft gesteld, maakt dit niet anders, aangezien gesteld noch gebleken is dat de provincie deze voorwaarde (aanvullend) heeft aanvaard. Evenmin blijkt anderszins dat partijen hebben afgesproken dat onherroepelijk diende vast te staan dat de gronden als fiscaal bouwrijp werden aangemerkt. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat Distriport c.s. de juistheid van de brief van de Belastingdienst Amsterdam van 24 april 2009 niet hebben betwist. Voorts past de door Distriport c.s. voorgestane uitleg niet bij de onweersproken bedoeling van partijen om de gronden snel terug te leveren.

4.8. Voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat Distriport CV reeds na mei 2009, dus vanaf juni 2009, gehouden was mee te werken aan de (terug)levering van de gronden.

4.9. Distriport c.s. heeft gesteld dat Distriport CV de gronden niet heeft kunnen afnemen omdat de provincie op onredelijke gronden haar goedkeuring heeft onthouden aan financieringsvoorstellen van Distriport c.s. met betrekking tot de koopprijs van de gronden. De tegen het onthouden van goedkeuring aangevoerde staatssteunrechtelijke bezwaren zouden geen hout snijden. De werkelijke reden voor het onthouden van goedkeuring zou zijn gelegen in de omstandigheid dat de financieringsvoorstellen van Distriport c.s. – zij dient de koopprijs 100% extern te financieren – veronderstellen dat de commanditaire vennoten van Distriport CV eigen vermogen inzetten om conveniërende zekerheden te verschaffen aan de financiële instelling voor de resterende 20% van de financiering, die immers slechts tot 80% door de provincie als borg was gedekt. Het eigen vermogen van (dochtervennootschappen van) NHN als commandiet van Distriport CV zou moeten worden verkregen door funding door de provincie, aldus Distriport c.s.

4.10. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag welke (rechts-)personen deelnemen in de commanditaire vennootschap Distriport CV. Volgens Distriport c.s. zijn dat de besloten vennootschap NHN Projectbeheer BV (hierna: NHN Projectbeheer), dochtervennootschap van NHN Vastgoed, Zeeman Vastgoed en de besloten vennootschap Exploitatiemaatschappij De Peyler BV (hierna: Exploitatiemaatschappij De Peyler), dochtervennootschap van De Peyler Projectontwikkeling. Volgens de provincie zijn de commanditaire vennoten van Distriport CV NHN Vastgoed, Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling.

4.11. In conventie kan in het midden blijven wie van partijen hieromtrent gelijk heeft. NHN Projectbeheer noch NHN Vastgoed beschikken over eigen vermogen ten behoeve van (het verstrekken van zekerheden voor) de financiering van het project. In beide gevallen moet dat eigen vermogen worden verkregen door funding door de aandeelhouders van NHN. Kern van het geschil omtrent de financiering is dan ook of de provincie is gehouden tot dergelijke funding en of het nalaten daarvan onrechtmatig is jegens Distriport c.s.

4.12. Dat de provincie NHN van kapitaal dient te voorzien leidt Distriport c.s. af uit artikel 1.1 van het Afsprakenkader van 20 juni 2007, waarin partijen, waaronder de provincie, de intentie hebben uitgesproken om voor gezamenlijke rekening en risico, en op basis van een nog definitief tussen hen te bepalen participatie in het resultaat, de deelname in het kapitaal en de benodigde financiering(en) en de ter zake te stellen garanties en te verstrekken zekerheden, samen te werken bij de verdere ontwikkeling en realisering van het project. Distriport c.s. wijst voorts op de bepalingen in de samenwerkingsovereenkomst, gesloten tussen NHN Vastgoed, Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling, waarin is afgesproken dat partijen voor een gelijk aandeel zullen deelnemen in het kapitaal van de commanditaire vennootschap en dat, indien deze vennootschap niet (volledig) kan voorzien in externe financiering, partijen haar voor een gelijk deel zullen voorzien van de benodigde financieringsmiddelen.

4.13. De tekst van artikel 10.2 van de samenwerkingsovereenkomst vormt een sterke aanwijzing voor de juistheid van de stelling dat NHN Projectbeheer dan wel NHN Vastgoed als commanditaire vennoot gehouden is tot verschaffing van financiële middelen aan Distriport CV. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat de provincie is gehouden tot het verschaffen van de daartoe benodigde financiële middelen. De provincie is immers geen partij bij de samenwerkingsovereenkomst en kan evenmin met een van de bij deze overeenkomst aangesloten partijen worden vereenzelvigd. De provincie is evenmin gehouden tot het verschaffen van financiële middelen aan NHN, NHN Vastgoed en/of NHN Projectbeheer. De in artikel 1.1 van het Afsprakenkader neergelegde intentieverklaring tot participatie in het project is daarvoor onvoldoende. De daarin neergelegde intentie wordt ruimschoots vervuld doordat de provincie zich voor 80% borg heeft gesteld voor de financiering van het project en daarmee die financiering tot 80% heeft mogelijk gemaakt.

4.14. Daar komt bij dat, in elk geval vanaf het versturen van de onder 2.5 genoemde notitie aan betrokkenen, duidelijk is geweest dat de provincie geen (verder) financieel risico wilde lopen in dit project, met welk uitgangspunt zich niet verhoudt dat de provincie financiële middelen verschaft ten behoeve van de realisering.

4.15. De stelling van Distriport c.s. dat na het sluiten van de borgovereenkomst nadere toezeggingen zijn gedaan aan Distriport c.s. omtrent de deelname van de provincie is niet nader onderbouwd. De rechtbank passeert deze stelling dan ook.

4.16. De slotsom van de voorgaande overwegingen is dat de provincie geen voorstellen behoeft te accorderen waarin van haar een financiële inbreng wordt verlangd naast de borgstelling. Aangezien Distriport c.s. geen concrete voorstellen – wat daar overigens van zij – heeft gedaan die voorzien in de aldus beperkte rol van de provincie, is geen sprake van een situatie waarin de provincie op onredelijke gronden goedkeuring heeft onthouden.

4.17. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de provincie en evenmin sprake is van toerekenbaar onrechtmatig handelen van de provincie. Nu Distriport CV de gronden tot op heden niet heeft afgenomen, is sprake van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van Distriport CV. Dat leidt tot de conclusie dat de provincie de grondverkoopovereenkomst op rechtsgeldige wijze heeft ontbonden. Gelet op artikel 7.5 in de grondverkoopovereenkomst stond het de provincie immers vrij de overeenkomst te ontbinden voor iedere tekortkoming.

4.18. De vorderingen van Distriport c.s. liggen voor afwijzing gereed. Uit oogpunt van proceseconomie zal de rechtbank een beslissing evenwel aanhouden tot na de in reconventie te bespreken aktewisseling.

in reconventie

4.19. Distriport c.s. heeft zich op het standpunt gesteld dat de provincie niet in haar vorderingen kan worden ontvangen, omdat niet is gebleken van een formeel procesbesluit.

4.20. Gelet op de inhoud van de onder 2.21 genoemde stukken, moet het instemmingsbesluit van 27 september 2011 worden geacht zich mede uit te strekken tot de eis in reconventie. De stelling dat een formeel procesbesluit ontbreekt gaat dus niet op.

4.21. Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht dat artikel 2.1 van de grondverkoopovereenkomst is ontbonden verwijst de rechtbank naar hetgeen zij heeft overwogen in conventie in de overwegingen 4.4 tot en met 4.16, welke onverwegingen in reconventie als ingelast dienen te worden beschouwd. Daaruit volgt dat Distriport CV tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting tot afname van de gronden, dat geen sprake is van verhindering door de provincie, dat de vordering tot teruglevering reeds vanaf juni 2009 opeisbaar was en de buitengerechtelijke ontbinding door de provincie mitsdien stand houdt. Overigens is juist dat het verzuim van Distriport niet eerder is ingetreden dan op 1 november 2010. De gevorderde verklaring voor recht kan dus worden toegewezen.

4.22. Met betrekking tot de gevorderde verklaring voor recht dat de artikelen 3 en 4 van het Afsprakenkader door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring d.d. 24 juni 2011 van Distriport c.s. niet zijn ontbonden overweegt de rechtbank als volgt.

4.23. Voor afwijzing van deze gevorderde verklaring voor recht bestaat slechts aanleiding, indien de (buitengerechtelijke) ontbindingsverklaring bij brief van 24 juni 2011, zoals genoemd onder 2.19, effect sorteert. Die ontbinding is ingegeven door de veronderstelling van Distriport c.s. dat tussen het Afsprakenkader en de grondverkoopovereenkomst zodanig onverbrekelijke samenhang bestaat dat (partiële) ontbinding van de grondovereenkomst (partiële) ontbinding van het Afsprakenkader met zich brengt.

4.24. Distriport c.s. heeft met juistheid betoogd dat uit het gehele samenstel van contractuele afspraken blijkt dat het de bedoeling van partijen was dat de provincie de gronden slechts voor een korte periode in eigendom zou hebben. In dat samenstel van Afsprakenkader en de uitwerking van de plannen van partijen in de gezamenlijke overeenkomsten ligt evenwel besloten dat voor de teruglevering toereikende financiering aanwezig moest zijn. In het geval dat, zoals thans aan de orde, de financiering vervolgens niet mogelijk is gebleken, volgt daaruit logischerwijs dat de gronden niet kunnen worden teruggeleverd. Voor ontbinding van het Afsprakenkader op grond van de samenhang, zonder dat sprake is van enige tekortkoming van de bepalingen van het Afsprakenkader, bestaat geen aanleiding.

4.25. Het voorgaande leidt ertoe dat de gevraagde verklaring voor recht dat de artikelen 3 en 4 van het Afsprakenkader niet zijn ontbonden, zal worden toegewezen.

4.26. Wat betreft de gevorderde schadevergoeding en de gevorderde betaling van een voorschot daarop overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals voortvloeit uit het in conventie overwogene is door het niet (tijdig) afnemen van de gronden sprake van een tekortkoming in de nakoming van de contractuele verplichtingen door Distriport CV. Voor de vraag of Distriport c.s. tot vergoeding van daaruit voortvloeiende schade hoofdelijk veroordeeld kunnen worden, is van belang vast te stellen of naast de commanditaire vennootschap en de beherend vennoot tevens de afzonderlijke commandieten daarvoor aansprakelijk zijn.

4.27. Vast staat dat Distriport CV in deze heeft te gelden als wederpartij van de provincie, zodat zij (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de schade. Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK) is de (beherend) vennoot van een (commanditaire) vennootschap hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap, zodat ten aanzien van Distriport BV eveneens een hoofdelijke veroordeling toewijsbaar is.

4.28. Ten aanzien van de vordering tegen Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling geldt dat zij slechts kunnen worden aangesproken indien zij, ofschoon commandiet, beheersdaden hebben verricht als bedoeld in artikel 21 lid 2 WvK.

4.29. De provincie heeft betoogd dat Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling commanditaire vennoten zijn van Distriport CV en heeft daartoe verwezen naar de samenwerkingsovereenkomst, die volgens de provincie als overeenkomst tot het aangaan van een maatschap als bedoeld in artikel 22 WvK heeft te gelden. Daarnaast heeft de provincie aangevoerd dat bij gebreke van een akte van oprichting aansluiting moet worden gezocht bij het moment waarop alle overeenkomsten zijn ondertekend.

4.30. Met betrekking tot dit betoog van de provincie overweegt de rechtbank dat reeds uit de tekst van artikel 4.1 van de samenwerkingsovereenkomst volgt dat deze overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als oprichtingsakte, zoals artikel 22 WvK vereist. Het standpunt van de provincie verhoudt zich ook niet met hetgeen zij schrijft bij brief van 20 januari 2010, zoals hiervoor vermeld onder 2.12, dat Distriport CV is opgericht bij akte van 24 juni 2009. Dat komt nu juist weer wel overeen met het standpunt van Distriport c.s. De provincie heeft wel met juistheid betoogd dat partijen bij de samenwerkingsovereenkomst Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling als commandieten hebben voorzien, maar niet valt uit te sluiten dat nadien andere (rechts)personen zijn opgetreden als commandiet, zoals – naar Distriport c.s. stelt – dochtervennootschappen van bij de samenwerkingsovereenkomst betrokken partijen. De rechtbank zal daarom de provincie in de gelegenheid stellen de akte van 24 juni 2009, die ontbreekt bij de gedingstukken, alsnog in geding te brengen. Voor zover uit die akte zal blijken dat Zeeman Vastgoed en/of De Peyler Projectontwikkeling zijn opgetreden als commandiet, moet worden geoordeeld dat zij door het leggen van conservatoir leveringsbeslag onder de provincie een beheersdaad hebben verricht. Dat brengt mee dat zij in dat geval hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de provincie lijdt ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten van Distriport CV in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens de provincie.

4.31. De provincie heeft nog aangevoerd dat Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling in hun hoedanigheid van bestuurder van Distriport BV de nakoming van de verplichtingen van Distriport CV bewust hebben getraineerd om te voorkomen dat Distriport CV grotere risico’s zou lopen. Deze enkele, door Distriport c.s. betwiste, stelling is onvoldoende voor het oordeel dat Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling uit hoofde van onrechtmatig handelen aansprakelijk zijn tegenover de provincie.

4.32. De voorgaande overwegingen leiden tot de slotsom dat Distriport CV en Distriport BV in ieder geval hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de provincie geleden en te lijden schade en dat over de hoofdelijke aansprakelijkheid van Zeeman Vastgoed en De Peyler Projectontwikkeling zal worden beslist nadat de provincie de gelegenheid heeft gehad om de akte van 24 juni 2009 in het geding te brengen.

4.33. Distriport c.s. heeft nog aangevoerd dat de provincie geen schade lijdt en (naar de rechtbank begrijpt: subsidiair) dat op grond van de eigenschuldbepaling van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek (BW) de schade voor rekening van de provincie dient te blijven. Het eigenschuldverweer faalt. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat de provincie ter zake geen schuld treft. De omstandigheid dat de provincie heeft gekozen voor ontbinding kan niet als zodanig worden aangemerkt. Dat is immers een aan de provincie toekomend recht dat voortvloeit uit de tekortkoming van Distriport CV.

4.34. Of de provincie daadwerkelijk schade heeft geleden en zo ja, hoe groot die schade is, behoeft, gelet op de gevorderde schadestaatverwijzing, in dit geding niet te worden beoordeeld. Voldoende is dat aannemelijk is dat de provincie schade heeft geleden. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval. De provincie heeft immers de (gevorderde) financieringslasten van de gronden gedragen over de periode dat Distriport CV in verzuim is met de afname van die gronden.

4.35. Ten slotte heeft de provincie een voorschotbetaling op de schadevergoeding gevorderd ten bedrage van € 2.289.249,39 ter dekking van de kosten van beheer en voorfinanciering van de gronden. Het gevorderde bedrag is door Distriport c.s. bij gebrek aan wetenschap betwist. De rechtbank acht dit onderdeel van het debat tussen partijen onvoldoende uitgekristalliseerd om tot een eindoordeel te kunnen komen. De provincie zal bij akte in de gelegenheid worden gesteld tot een toelichting op het gevorderde voorschot, waarna Distriport c.s. bij antwoordakte zal kunnen reageren. In afwachting van deze aktewisseling zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. houdt iedere beslissing aan,

in reconventie

5.2. verwijst de zaak naar de rol van 30 mei 2012 voor akte aan de zijde van de provincie als bedoeld in overwegingen 4.30 en 4.35,

5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem, mr. S. Sicking en mr. M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.?