Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5982

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
196842 - KG ZA 12-495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Beroep op eigendomsvoorbehoud slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 196842 / KG ZA 12-495

Vonnis in kort geding van 4 december 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Business Financial Services B.V. h.o.d.n. HYUNDAI Dealer Finance,

gevestigd te Zeist,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.J. Scheltema te ’s-Gravenland,

tegen

[X],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.P. Groen te Alkmaar.

Partijen zullen hierna BFS en [X] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het faxbericht van de zijde van BFS met producties d.d. 15 november 2012;

- het faxbericht van de zijde van [X] met producties d.d. 15 november 2012;

- de mondelinge behandeling;

- de pleitnota van BFS;

- de pleitnota van [X] tevens houdende een eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Greenib Car B.V. (hierna: Greenib) is de Nederlandse importeur van Hyundai Motorvoertuigen.

2.2. Greenib heeft een dealerovereenkomst gesloten met de besloten vennootschap Autobedrijf [Y] B.V. (hierna: [Y] B.V.) op basis waarvan Greenib Hyundai motorvoertuigen verkocht en leverde aan [Y] B.V.

2.3. BFS is een zustervennootschap van Greenib en heeft op 28 februari 2008 met [Y] B.V. een “Kredietovereenkomst Hyundai Motorvoertuigen” (hierna: de kredietovereenkomst) gesloten ter financiering van de gehele handelsvoorraad aan Hyundai Motorvoertuigen van [Y] B.V.

2.4. Op 31 augustus 2012 is door [Y] B.V. een Hyundai i 30 CW met kenteken 85-XNP-6 (hierna: de auto) verkocht en geleverd aan [X] voor een bedrag van

€ 13.500,--. [X] heeft dit bedrag voorafgaand aan de levering op 31 augustus 2012 voldaan.

2.5. [Y] B.V. is door de rechtbank Haarlem op 25 september 2012 in staat van faillissement verklaard.

2.6. BFS heeft op 1 oktober 2012 de kredietovereenkomst met [Y] B.V. opgezegd. Op dat moment had BFS een vordering op [Y] B.V. ter zake van de financiering van in totaal 23 voertuigen, waaronder ter zake van de auto die op 31 augustus 2012 is gekocht door [X].

2.7. [X] is bij brief van 28 september 2012 en bij brief van 3 oktober 2012 gesommeerd de auto met sleutels en kentekenbewijzen af te geven.

2.8. [X] weigert afgifte van de auto.

3. Het geschil in conventie

3.1. BFS vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

“I gedaagde op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag of gedeelte daarvan, zulks met een maximum van € 16.000,--, dan wel zodanige bedragen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, veroordeelt om de auto met alle bijbehorende zaken zoals de originele sleutels en kentekenpapieren deel I a en b binnen 2 dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan eiseres af te geven, dan wel ten behoeve van haar in te leveren bij een door gedaagde zelf te kiezen Schadenet vestiging in Nederland;

II veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. BFS legt aan haar vordering, beknopt weergegeven, ten grondslag dat zij krachtens een tussen haar en [Y] B.V. geldend eigendomsvoorbehoud eigenares is gebleven van de auto. Zij stelt dat dit betekent dat [X] de auto heeft verkregen van een beschikkingsonbevoegde en dat [X] naar objectieve maatstaven - bij gebreke van onderzoek naar deel II van het kentekenbewijs - moet worden geacht niet te goeder trouw te zijn geweest ten tijde van de levering van de auto. [X] kan zich volgens BFS dan ook niet beroepen op artikel 3:86 BW.

3.3. [X] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [X] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

“(…) Hyundai veroordeelt kentekenbewijs deel II, behorend bij de auto aan [X] ter hand stelt, zulks binnen 5 dagen na het wijzen van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 250,- per dag of gedeelte daarvan dat Hyundai daar niet aan voldoet, met een maximum van EUR 10.000,-“

4.2. [X] legt aan zijn vordering, beknopt weergegeven, ten grondslag dat niet blijkt van een geldig bedongen eigendomsvoorbehoud tussen [Y] B.V. en BFS zodat er sprake is van een geldige levering. Subsidiair meent [X] dat hij op grond van artikel 3:86 BW als verkrijger te goeder trouw wordt beschermd tegen eventuele beschikkingsonbevoegdheid van [Y] B.V.

4.3. BFS voert verweer.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

Spoedeisend belang

5.1. Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Naast een bevoegdheids- of ontvankelijkheidsvereiste is het spoedeisend belang een van de belangen waarmee de voorzieningenrechter

rekening heeft te houden bij de beantwoording van de vraag of het verantwoord is om door middel van het geven van een voorlopige voorziening vooruit te lopen op de beslissing in een eventuele bodemprocedure.

5.2. [X] heeft het spoedeisend belang van de vordering van BFS betwist en voert daartoe aan dat een onderneming als BFS de waardedaling van de betreffende auto, in ieder geval gedurende de bodemprocedure, moet kunnen dragen. Uit deze stelling blijkt dat in ieder geval niet door [X] wordt betwist dat de waarde van de auto door tijdsverloop daalt, zodat BSF naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang heeft bij de vordering.

Afgifte auto

5.3. Ter onderbouwing van de stelling dat zij krachtens een eigendomsvoorbehoud eigenares is gebleven van de auto, heeft BFS een kopie van de – naar haar stelling – tussen de importeur en [Y] B.V. geldende “Algemene Verkoop- en leveringsvoorwaarden van Greenib Car b.v. te Sassenheim” (verder: de Algemene Voorwaarden) overgelegd, waarin in artikel 10 – voor zover van belang – is bepaald:

“ (…) 10.1. Behoudens uitdrukkelijk andersluidende schriftelijke mededeling van de Importeur (bedoeld wordt Greenib Car) blijft iedere door de Importeur aan de Distributeur (bedoeld wordt iedere officiële Hyundai Dealer) geleverde zaak eigendom van de Importeur totdat de Distributeur al hetgeen hij aan de Importeur is verschuldigd uit hoofde van de aan de levering van de betreffende zaak ten grondslag liggende overeenkomst -waaronder uitdrukkelijk begrepen de eventueel verschuldigde wettelijke rente, gerechtelijke kosten etc. - heeft voldaan.

10.2 De Distributeur zal de Importeur nauwkeurig op de hoogte houden omtrent de exacte plaats waar de zaken waarop het eigendomsrecht betrekking heeft zich bevinden en de Importeur in staat stellen de zaken terug te nemen indien de Importeur zulks nodig acht teneinde haar rechten daarop veilig te stellen. Een recht van retentie komt de Distributeur niet toe.(…)”

5.4. Voorts beroept BFS zich op artikel 5 van de kredietovereenkomst, dat als opschrift heeft: “Overdracht van rechten, inclusief eigendomsvoorbehoud”. Dit artikel bepaalt dat alle rechten die Greenib op [Y] B.V. heeft of zal hebben terzake van de geleverde auto’s worden overgedragen aan BFS. BFS betoogt dat uit artikel 5 van de kredietovereenkomst blijkt dat het krachtens artikel 10 van de Algemene Voorwaarden geldende eigendomsvoorbehoud aan haar is overgedragen, zodat zij het eigendomsvoorbehoud tegen [X] kan inroepen.

5.5. [X] bestrijdt, bij gebrek aan wetenschap, de toepasselijkheid van de Algemene Voorwaarden. Daarnaast voert [X] onder meer aan dat BFS zich jegens hem hoe dan ook niet op voornoemd eigendomsvoorbehoud kan beroepen, aangezien het [Y] B.V. op grond van de kredietovereenkomst is toegestaan de gefinancierde auto’s te vervreemden in de normale uitoefening van haar bedrijf.

5.6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding dit verweer als eerste te behandelen. Hiervoor dient de kredietovereenkomst nader te worden bekeken.

Artikel 9.1. van de kredietovereenkomst bepaalt:

“(…) De Dealer is slechts bevoegd de door Hyundai Dealer Finance Gefinancierde Hyundai Motorvoertuigen te vervreemden in het kader van zijn normale bedrijfsuitoefening en met inachtneming van het in artikel 3.2 en 3.4 bepaalde.”

In artikel 3.2. van de kredietovereenkomst verklaart [Y] B.V. dat hij met betrekking tot de gefinancierde auto’s generlei recht heeft verleend of zal verlenen aan derden en artikel 3.4. van de kredietovereenkomst luidt:

“Ieder in gevolge de Overeenkomst (bedoeld wordt de Kredietovereenkomst) door de Dealer (bedoeld wordt [Y]) ter financiering van Hyundai Motorvoertuigen onder de Kredietfaciliteit opgenomen bedrag, wordt door Hyundai Dealer Finance (bedoeld wordt BFS) aan Dealer verstrekt voor maximaal de periode die van toepassing is voor het desbetreffende Hyundai Motorvoertuig. (...) Uiterlijk per de einddatum van de kredietperiode dient het betreffende bedrag door de Dealer aan Hyundai Dealer Finance terugbetaald te zijn, tenzij Dealer het Gefinancierde Hyundai Motorvoertuigen reeds voordien heeft verkocht, in welk geval terugbetaling dient te geschieden uiterlijk op de datum van levering daarvan”

Uit de laatste volzin van artikel 3.4. blijkt dat de ter zitting naar voren gebrachte stelling van BFS, namelijk dat de te verkopen auto voor levering door de dealers voorgefinancierd dient te worden, onjuist is. De kredietovereenkomst bepaalt immers dat het uit hoofde van de financiering openstaande bedrag moet worden afgelost op de dag van de levering van de betreffende auto. Dit impliceert dat de auto mocht worden overgedragen voordat de financiering was afgelost.

5.7. Dat het [Y] B.V. was toegestaan om de auto’s te verkopen in de normale uitoefening van het bedrijf vindt ook steun in het feit dat Greenib haar dealer [Y] B.V. liet handelen met gebruikmaking van een standaard overeenkomst en BOVAG-voorwaarden die beide bepalen dat de eigendom van een gekochte auto overgaat bij feitelijke levering, zonder dat daarbij melding wordt gemaakt van de mogelijkheid van enig eigendomsvoorbehoud.

5.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het [Y] B.V., die bij de verkoop aan [X] handelde in de normale uitoefening van haar bedrijf, was toegestaan de door BFS gefinancierde auto’s over te dragen, zij het dat zij zich had verplicht het openstaande krediet met betrekking tot de betreffende auto uiterlijk de dag van de overdracht te voldoen.

5.9. De voorzieningenrechter acht het dan ook aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [X] de auto heeft gekocht van een beschikkingsbevoegde verkoper. De omstandigheid dat [Y] B.V. zich vervolgens in strijd met de kredietovereenkomst niet heeft gehouden aan de terugbetalingsverplichting als omschreven in artikel 3.4. van de kredietovereenkomst, betekent slechts dat [Y] B.V. in gebreke is met de nakoming van die bepaling en niet dat zij alsnog beschikkingsonbevoegd moet worden geacht. BFS kan zich derhalve jegens [X] niet op haar eigendomsvoorbehoud beroepen. De voorzieningenrechter zal de voorziening dan ook weigeren.

Proceskosten

5.10. BFS zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

- griffierecht € 267,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.083,00

6. Beoordeling in reconventie

6.1. Ter zitting heeft BFS bezwaar gemaakt tegen de door [X] ter zitting ingediende eis in reconventie. Gelet op het landelijk Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie onder 7.2 en 7.3 dient een eis in reconventie in beginsel uiterlijk 24 uur vóór de terechtzitting schriftelijk te worden aangekondigd en ter terechtzitting te worden ingediend. Indien de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor hieraan niet in de weg staan, kan het indienen van een niet tijdige geringe eis in reconventie conform noot 4 bij artikel 7.2 van voornoemd Procesreglement echter wel worden toegestaan. In het onderhavige geval is de voorzieningenrechter van oordeel dat de door [X] eerst ter zitting ingestelde eis in reconventie zodanige samenhang vertoond met de eis in conventie, dat de belangen van BFS hiermee niet worden geschaad. Het bezwaar van BFS tegen de eis in reconventie zal derhalve niet worden gehonoreerd.

6.2. De voorzieningenrechter acht het, gelet op hetgeen in conventie is overwogen, aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de auto rechtsgeldig aan [X] is overgedragen, zodat hij recht heeft op afgifte van het kentekenbewijs deel II.

Gelet hierop en aangezien [X] de auto zonder dit kentekenbewijs niet op zijn naam kan laten overschrijven, zal de voorzieningenrechter de vordering van [X] toewijzen en BFS veroordelen tot afgifte van het kentekenbewijs deel II.

6.3. De door [X] gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd als volgt.

6.4. BFS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. weigert de voorziening,

7.2. veroordeelt BFS in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 1.083,00,

7.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4. veroordeelt BFS om het kentekenbewijs deel II behorend bij het voertuig met kenteken 85-XNP-6 binnen vijf dagen na dagtekening van dit vonnis aan [X] ter hand te stellen,

7.5. veroordeelt BFS om aan [X] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag dat hij niet aan de in 7.4. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt,

7.6. veroordeelt BFS in de proceskosten, aan de zijde van [X] tot op heden begroot op € 408,00,

7.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I. de Vreese-Rood en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.C.M. Gerritsen-Martens op 4 december 2012.?