Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY5940

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
12-12-2012
Zaaknummer
12/2704
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening; sluiting woning op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet wegens aanwezigheid hennepkwekerij.

Naar voorlopig oordeel volgt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever niet heeft beoogd de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet uit te strekken tot hennepkwekerijen. De wetgever heeft de bevoegdheid daarvan op te treden neergelegd in artikel 17 Woningwet. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 2704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 juni 2012

in de zaak van:

[verzoekers],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de burgemeester van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2012 heeft verweerder verzoekers onder oplegging van een last onder bestuursdwang gelast de woning aan de [adres] te sluiten van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 13 juni 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 juni 2012 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 juni 2012, alwaar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde voornoemd en vergezeld van [naam] en haar dochter. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. W.H. Correia-Goede en C.C. Agtersloot, beiden werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Ter uitvoering van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, heeft de burgemeester het 'Handhavingsbeleid coffeeshops, grow-, smart- en headshops en drugspanden van 24 augustus 2010’ (hierna: het Handhavingsbeleid) vastgesteld. Volgens dit beleid wordt onder drugspand verstaan een woning of lokaal, niet zijnde een coffeeshop, waar middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of lijst II worden verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Ten aanzien van drugspanden volgt sluiting voor één maand bij de eerste constatering en sluiting voor onbepaalde tijd als het feit voor een tweede maal wordt geconstateerd.

2.3 De burgemeester heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat op 7 juni 2011 een hennepkwekerij is aangetroffen in de woning aan de [adres]. Daarbij zijn 84 oogstrijpe planten aangetroffen op de zolderetage. Ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal stroom afgetapt, waarbij sprake was van gevaarzetting, namelijk brand- en elektrocutiegevaar. [naam], de voormalige partner van [naam], heeft bekend de kwekerij aldaar te hebben opgezet en gedreven.

Eerder is op 9 juli 2007 op hetzelfde adres een hennepkwekerij aangetroffen van ca. 700 planten waarbij ook sprake was van het illegaal aftappen van stroom. Voorts is op 19 januari 2010 in de woning [adres] ook een hennepkwekerij aangetroffen met 166 planten. [naam] is voor deze beide incidenten in 2007 en 2010 veroordeeld terzake overtreding van de Opiumwet.

2.4 Door verzoekers wordt niet betwist dat er op de zolderetage van hun woning aan de [adres] sprake was van een hennepkwekerij. Eveneens staat vast dat hennep een middel is dat staat op lijst II van de Opiumwet. Verzoekers stellen zich echter op het standpunt dat de burgemeester niet bevoegd was handhavend op te treden op grond van artikel 13b van de Opiumwet omdat er uitsluitend sprake is van het telen van drugs in de woning en niet van verkopen van drugs vanuit de woning. Verzoekers betogen dat het telen van drugs buiten de reikwijdte valt van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.

2.5 Uit de verklaringen van buurtbewoners blijkt dat op bepaalde momenten hout, bouwmaterialen, plastic zakken, kratten, flexibele uitrekbare slangen en jerrycans de woning in zijn gebracht en dat de bewoner (verzoeker) plastic zakken vanuit de woning in zijn auto laadde. Voorts hebben zij verklaard dat er regelmatig onbekende personen de woning bezochten. De voorzieningenrechter ziet de activiteiten die zijn waargenomen door de buurtbewoners als verband hebbend met het in bedrijf hebben van de hennepkwekerij. Naar voorlopig oordeel is aan de hand van bovenaangehaalde verklaringen onvoldoende aannemelijk gemaakt dat drugs werden verkocht vanuit de woning.

2.6 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ook niet ten grondslag gelegd de verkoop van drugs vanuit de woning, doch de enkele aanwezigheid van de hennepkwekerij. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs in de woning voldoende is om aan te nemen dat sprake is van handel vanuit de woning, als wordt bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, aldus verweerder. Een hennepkwekerij met een (groot) aantal oogstbare planten, moet als een zodanige handelshoeveelheid worden aangemerkt. Hij stelt zich gelet hierop op het standpunt dat hij bevoegd is handhavend op te treden. Verweerder vindt voor zijn opvatting steun in uitspraken van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Roermond (onder andere de uitspraak van 3 mei 2011 LJN:BQ3816).

2.7 De rechtbank Roermond baseert zijn uitspraak op het oordeel dat in de toevoeging in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van de woorden “dan wel daartoe aanwezig is” duidelijk en ondubbelzinnig moet worden gelezen dat ook de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs - in casu een wietplantage, met oogstbare planten - in een woning de bevoegdheid verschaft tot sluiting van een woning. Voor het te rade gaan bij de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de uitleg van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestaat in geval de wetstekst duidelijk is, geen ruimte. De voorzieningenrechter deelt het standpunt van de rechtbank Roermond dat de tekst van de wet voldoende duidelijk is niet. Naar haar oordeel blijkt reeds uit de vele vragen die daarover zijn gesteld bij de behandeling van de wetswijziging dat de tekst van artikel 13b van de Opiumwet voor meerdere uitleg vatbaar is. In dat geval is raadpleging van de wetsgeschiedenis teneinde te bepalen wat de wetgever heeft beoogd, vereist.

2.7.1. Bij de behandeling van het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 13b van de Opiumwet hebben de verantwoordelijke ministers in antwoord op vragen van de kamerleden het volgende geantwoord:

“Gevraagd door deze leden naar de relatie tussen de voorgestelde wijziging van artikel 13b van de Opiumwet en de bestrijding van illegale wietteelt in woningen, merken wij op dat het voorgestelde artikel niet strekt tot het terugdringen van de illegale teelt. De reden hiervoor is dat bij de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (Stb. 2005, nr. 726) een nieuw artikel 97 is ingevoegd in de Woningwet, dat de bevoegdheid bevat om woningen te sluiten wegens illegale wietteelt (Nota naar aanleiding van het verslag, TK 2006-2007, 30 515, nr. 6, p. 2)”.

Bij de behandeling van het wetvoorstel in de tweede kamer heeft de Minister van Justitie voorts het volgende opgemerkt:

“Er is gevraagd waarom in het nieuwe artikel 13b niet ook hennepteelt is opgenomen. Soortgelijke vragen zijn gesteld over andere vormen van produceren van drugs. Ik keer daarvoor terug naar de aanleiding voor het wetsvoorstel: de behoefte aan zodanige verbreding, dat ook woningen kunnen worden gevat onder de bevoegdheid van de burgemeester tot toepassing van bestuursdwang, naast de mogelijkheden die bestaan in verband met het openbare ordecriterium in de Gemeentewet. Er is in de praktijk gebleken dat hieraan behoefte bestaat. Er zijn namelijk mogelijkheden om net tussen de twee regelingen door te fietsen als deze aanvulling niet wordt aangebracht. De doelstelling van de bestaande wetgeving wordt hiermee effectiever bereikt. Het is een wetsvoorstel dat in hoge mate op basis van praktische argumentatie is afgebakend. De vraag is gesteld of wij niet een stapje verder moeten gaan en het produceren op de een of andere manier moeten opnemen. Gelet op de bevoegdheden van de burgemeester om op te treden op grond van de Woningwet, is er niet onmiddellijk een dringende aanleiding om het wetsvoorstel in deze zin te verbreden. Artikel 97 van de Woningwet geeft de burgemeester de bevoegdheid een woning te sluiten indien daarin overtredingen plaatsvinden die een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid opleveren. Bij de invoering van dat artikel werd, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, mede gedacht aan illegale hennepteelt. Een duidelijke aanleiding om verder te gaan zie ik dus niet. Mocht de gedachte toch uitgaan in deze richting, dan zal er goed moeten worden gekeken naar de verhouding tussen het eerste en het tweede lid. In het eerste lid zou je niet kunnen spreken van produceren maar, om in de terminologie van de Opiumwet te blijven, van telen, bewerken, verwerken, vervaardigen en bereiden. Dat roept wel onmiddellijk de vraag op wat je met het tweede lid moet doen. Daar zou je mogelijkerwijs meer uitzonderingen in moeten opnemen dan die welke er nu in vervat zijn. Als ik terugkeer naar het praktische startpunt van dit wetsvoorstel, zou het mijn voorkeur hebben om het wetsvoorstel zoals het nu luidt af te handelen (Handelingen TK 29 maart 2007, 55-3137)”.

Het nadien nog ingediende amendement Teeven waarin werd beoogd de bestaande en voorgestelde bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang door de burgemeester uit te breiden, om zo de hele keten die voorafgaat (en volgt) op de handel in verdovende middelen als genoemd in het onderhavige artikel, onder de reikwijdte te laten vallen – het ging daarbij ook om gevallen waarbij in woningen reeds voorbereidingen waren getroffen voor de teelt, maar er nog geen planten worden aangetroffen, dus waarbij van verkoop nog geen sprake was – is vervolgens afgestemd.

Naar aanleiding van specifieke vragen over de reikwijdte van het wetsvoorstel, en meer in het bijzonder naar de reikwijdte van de zinsnede “dan wel daartoe aanwezig is” heeft de minister in de Nota naar aanleiding van het verslag (TK 2006-2007, 30 515, nr. 6, p. 2) nog uiteengezet dat “de zinsnede onderdeel vormt van de huidige (lees: reeds bestaande) tekst van artikel 13b van de Opiumwet […] Deze zinsnede is opgenomen om te voorkomen dat de toepassing van artikel 13b alleen mogelijk zou zijn na ontdekking op heterdaad van verkoop, aflevering en vertrekking van drugs.[…] Het enkele aantreffen van drugs in een pand zonder dat er sprake is van enige indicatie dat er in of vanuit het desbetreffende pand drugs verkocht, afgeleverd of verstrekt werden, is niet voldoende voor de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat zal voor woningen niet anders zijn.”

En in de Memorie van Toelichting (MvT, TK 2005-2006, 30515, nr.3, p.10):

“Naar aanleiding van een verzoek van de NVvR wordt opgemerkt dat met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” wordt gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop aflevering of verstrekking daarvan […] Voor zover de gedachte mocht hebben postgevat, dat daarmee op een handelsvoorraad wordt bedoeld is sprake van een misverstand. […] Bij artikel 13b gaat het om illegale verkooppunten […]”

2.8 Gelet op bovengenoemde passages uit de parlementaire geschiedenis concludeert de voorzieningenrechter dat bij de behandeling van het wetsvoorstel de vraag uitdrukkelijk aan de orde is geweest of wietteelt ook moet worden geacht te vallen binnen de reikwijdte van het nieuwe artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. De minister is hier op ingegaan en heeft beargumenteerd aangegeven waarom dat niet het geval is en waarom hij ervoor heeft gekozen de reikwijdte niet tevens uit te strekken tot wietteelt, te weten omdat artikel 97 Woningwet (thans artikel 17 Woningwet) daarin reeds voorziet.

2.9 Zoals reeds overwogen volgt, naar voorlopig oordeel, uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever niet heeft beoogd de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet uit te strekken tot hennepkwekerijen. De wetgever heeft de bevoegdheid ten aanzien daarvan op te treden neergelegd in artikel 17 Woningwet. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven uitdrukkelijk te hebben gekozen voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter is echter niet gebleken van beletselen voor verweerder om ten tijde in geding artikel 17 Woningwet toe te passen.

2.10 De voorzieningenrechter volgt verzoekers dan ook in hun betoog dat verweerder in het onderhavige geval niet bevoegd is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet handhavend op te treden. De overige gronden behoeven dan ook geen bespreking meer.

2.11 De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit van 31 mei 2012 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

2.12 Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

2.13 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 Wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het primaire besluit van 31 mei 2012 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

3.3 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan verzoekers te vergoeden;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2012.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.