Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY2960

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
AWB 11/4568
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Bestuurlijke lus.

Verweerder had, alvorens de door hem afgedragen pensioenpremie van zowel het werknemersdeel als het werkgeversdeel voor de duur van het aan eiser verleende buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging op hem te verhalen, (ook) uitvoering moeten geven aan de (vervolg)circulaire van 6 augustus 2010 met als onderwerp " Buitengewoon verlof in verband met functie aanvaarding bij een internationale volkenrechtelijke organisatie" (in casu: Europol).

- Eisers betoog dat de door hem aangevraagde deeltijdfactor alsnog met terugwerkende kracht moet worden aangepast en dat de afgedragen premie boven de minimale deeltijdfactor niet voor zijn rekening dient te komen wordt niet gevolgd, omdat die oplossing weliswaar een praktische (buitenwettelijke) oplossing is, maar niet past binnen het systeem van het Pensioenreglement en dus niet door de rechtbank aan verweerder kan worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11 - 4568 AW

Tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 4 juli 2012

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. M. Scheggetman, werkzaam bij de ACP te Leusden,

tegen:

de beheerder van het Korps Landelijke Politiediensten te Driebergen - Rijsenburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder besloten tot verhaal van de door het Korps Landelijke Politiediensten ( het KLPD) afgedragen pensioenpremie, zowel het werknemersdeel als het werkgeversdeel, voor de duur van het aan eiser verleende buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging over de periode van 1 oktober 2006 tot 1 juli 2009.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder onder meer beslist dit bezwaar ongegrond te verklaren.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 april 2012, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Scheggetman, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.L. Limon, werkzaam bij de concerndienst P & O van het KLPD.

2. Overwegingen

2.1 Eiser is sedert 1 januari 2004 in (vaste) dienst van verweerder. Op 10 juli 2006 heeft eiser verzocht hem met ingang van 1 september 2006 met toepassing van het bepaalde in artikel 43 en 47 Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) en op grond van de circulaire van 28 april 1999 (Nr. 99U/65323) van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de Minister) voor een periode van vier jaar, met de mogelijkheid tot verlenging van maximaal twee jaar, zonder behoud van bezoldiging, verlof te verlenen teneinde als “analytical assistant” werkzaam te kunnen zijn bij Europol.

2.2 Bij besluit van 21 juli 2006 heeft verweerder eiser per 1 oktober 2006 voor een periode van vier jaar het gevraagde buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend. In het besluit is onder meer het volgende toegelicht:

“Mede op grond van de ratificatie van de Europol overeenkomst per 1 juli 1999 vindt de salaris uitbetaling plaats door Europol. In dit kader zal uw salaris uitbetaling met ingang van 1 oktober 2006 via het salarisbureau van het KLPD voor bovengenoemde periode worden stopgezet.

Indien u na de termijn van vier jaar opnieuw een verlenging wilt, dient u deze te zijner tijd aan te vragen, waarna ik daar opnieuw een afweging over zal maken en een besluit zal nemen.

(…)

Het salarisbureau van het KLPD zal uw pensioenafdracht aan het ABP continueren, dit zal tweejaarlijks bij u in rekening worden gebracht. U kunt deze rekening vervolgens indienen bij Europol”.

2.3 Bij brief van 25 november 2008 heeft verweerder eiser verzocht een bedrag van

€ 21.003,94 over te maken aan achterstallige pensioenpremie over de periode tot 30 september 2008. Deze brief luidt verder, voor zover van belang:

“Aan u is – op uw verzoek daartoe – buitengewoon verlof verleend in verband met uw indiensttreding – na uw sollicitatie – bij Europol te Den Haag, zijnde een volkenrechtelijke organisatie. In overeenstemming met uw verzoek is aan u buitengewoon verlof verleend, overeenkomstig de bepalingen in het Barp. Voorts bent u erop gewezen dat u in verband met het aan u verleende buitengewone verlof – zonder behoud van bezoldiging – de afdracht van de pensioenpremie (werknemersdeel en werkgeversdeel) voor de duur van het buitengewoon verlof voor uw rekening zal komen.

(…)

In dit verband wil ik niet onvermeld laten dat – anders dan wordt beweerd – er geen verschillen zijn in de betalingsverplichting van de pensioenpremie door medewerkers van andere Nederlandse politiekorpsen die bij Europol werkzaam zijn.

(…)

Door de politievakorganisatie is getracht in de ontstane situatie te bemiddelen. Dit overleg heeft – na de beoordeling van het voorstel van de politievakorganisatie – niet geleid tot een ander besluit dan thans door mij is genomen. Hieraan ligt onder meer ten grondslag dat ik geen onderscheid wil maken ten aanzien van andere medewerkers aan wie buitengewoon verlof – zonder behoud van bezoldiging – is verleend. Toepassing van de wetgeving acht ik hier voor een ieder geboden. Ik acht ook geen termen aanwezig om in uw geval tot een andere beslissing te komen.”

2.4 Bij besluit van 7 april 2009 heeft verweerder eisers verzoek om verlenging van het hem verleende buitengewone verlof voor tewerkstelling bij Europol tot en met 30 september 2015 ingewilligd.

2.5 Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder besloten tot verhaal van de door het KLPD afgedragen pensioenpremie, van zowel het werknemersdeel als het werkgeversdeel, voor de duur van het aan eiser verleende buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging over de periode van 1 oktober 2006 tot 1 juli 2009, zijnde een bedrag van € 23.699,49. Ondanks bezwaar van eiser is verweerder in het bestreden besluit bij zijn standpunt gebleven. Verder heeft verweerder het verzoek van eiser om aanpassing van de zogenaamde deeltijdfactor, dat verweerder heeft opgevat als een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur, afgewezen.

De rechtbank overweegt als volgt

2.6 Eiser bestrijdt dat verweerder bevoegd was het werkgeversdeel van de pensioenpremie op hem te verhalen gedurende de periode van buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Eiser wijst er in dat verband op dat in het besluit van 21 juli 2006 wordt gesproken over “uw pensioenafdracht” en dat hij er om die reden op mocht vertrouwen dat hij slechts het werknemersdeel diende te betalen en niet ook het werkgeversdeel. Ook bij het verlengingsbesluit van 7 april 2009 heeft verweerder volgens eiser verzuimd hem duidelijkheid te verschaffen over de pensioenafdracht.

2.7 Verweerder wijst er op dat zijn besluit van 21 juli 2006 in rechte vast staat. Als eiser niet duidelijk was geweest onder welke voorwaarden hem buitengewoon verlof was verleend had hij gelet op de eigen onderzoeksplicht informatie dienen in te winnen. Overigens was eiser volgens verweerder uit de vele gesprekken en overlegsituaties waaraan hij heeft deelgenomen van meet af aan wel degelijk duidelijk dat zowel het werknemersdeel als het werkgeversdeel van de pensioenpremie moest worden afgedragen. Wel is verweerder – met eiser – van oordeel dat het achteraf beschouwd beter ware geweest meer in overeenstemming met artikel 43 Barp en het handboek personeelszaken omtrent de pensioenafdracht gedurende het buitengewone verlof te handelen.

2.8 Artikel 43 van het Barp luidt:

1. Aan de ambtenaar kan op zijn aanvraag buitengewoon verlof worden verleend, al dan niet met behoud van bezoldiging en al dan niet onder bepaalde voorwaarden.

2. Het verlof, bedoeld in het eerste lid, gaat niet in dan na aanvaarding van dat verlof met de daaraan verbonden voorwaarden door de ambtenaar.

Artikel 47, eerste lid, van het Barp luidde, ten tijde hier van belang:

1. Indien het verlof, bedoeld in artikel 43, ten doel heeft de ambtenaar in de gelegenheid te stellen anders dan in vaste dienst hetzij een functie in dienst van een volkenrechtelijke organisatie te vervullen hetzij ten behoeve van de Nederlandse Antillen of Aruba dan wel als deskundige tijdelijk ten behoeve van een vreemde mogendheid werkzaam te zijn en met verlofverlening naar het oordeel van Onze Minister het algemeen belang in overwegende mate wordt gediend, kan het verlof voor ten hoogste drie jaren, al dan niet met behoud van bezoldiging, worden verleend.

Artikel 4.14 van het Pensioenreglement luidt:

“De aangesloten werkgever verhaalt een deel van de verschuldigde premies op de deelnemer met inachtneming van de bepalingen in de pensioenovereenkomst.”

Artikel 3, eerste lid, van de Pensioenovereenkomst luidt, voor zover van belang:

“De overheidswerkgever (…) verhaalt 25 procent van de door hem aan de Stichting Pensioenfonds ABP verschuldigde pensioenpremies op de bij hem in dienst zijnde overheidswerknemer door middel van een inhouding op het salaris, behoudens in de gevallen, bedoeld in het derde tot en met tiende lid.

Artikel 3, zevende lid, van de Pensioenovereenkomst luidt:

“In het geval de overheidswerknemer, anders dan voor het vervullen van een politieke functie waarin pensioenaanspraken worden verkregen, verzoekt geheel of gedeeltelijk te worden ontheven van zijn betrekking, kan de overheidswerkgever als voorwaarde stellen dat de door hem verschuldigde pensioenpremies geheel, onderscheidenlijk voor een groter deel dan 25% ten laste worden gebracht van de werknemer.”

In de circulaire “Buitengewoon verlof in verband met functie aanvaarding bij een internationale volkenrechtelijke organisatie” van de Minister van 15 april 2003 is onder meer het volgende opgenomen:

“Tijdens het verlof is de ambtenaar die tijdens zijn verlofperiode niet bezoldigd wordt, maandelijks een bedrag verschuldigd gelijk aan het bedrag dat zijn werkgever, die hem verlof verleent, voor hem over die maand is verschuldigd aan pensioenpremies (premie OP/NP en premie Ipbw) en aan FPU-premie. Met de ambtenaar kan eventueel een regeling worden getroffen op grond waarvan hij maandelijks vooralsnog volstaat met de betaling van een voorschot, bijvoorbeeld ten bedrage van het verhaal aan pensioenpremies en FPU-bijdrage die op zijn salaris verplicht zouden zijn ingehouden indien hem geen verlof was verleend. In dat geval dient de ambtenaar een schuldbekentenis te ondertekenen waarin hij verklaart het verschil met het werkelijk verschuldigd bedrag van de premie na afloop van het buitengewoon verlof ineens te voldoen aan de werkgever. De werkgever draagt zorg voor de afdracht van de premies gedurende het verlof.”

In de (vervolg) circulaire van 6 augustus 2010 van de Minister met hetzelfde onderwerp, is hierover het volgende opgenomen:

“1. Algemeen

De Nederlandse regering heeft altijd een stimulerend beleid uitgedragen met betrekking tot Nederlandse rijksambtenaren die een functie bij een internationale volkenrechtelijke organisatie willen vervullen. Zij kunnen hiervoor daarom in beginsel buitengewoon verlof verkrijgen dat geacht wordt mede in het algemeen belang te zijn. Afwijzing van een aanvraag dient slechts plaats te vinden indien het belang van de dienst zich tegen verlofverlening ernstig verzet. Dit is onder meer tot uitdrukking gebracht in mijn circulaire van 15 april 2003. In 2007 is dit beleid opnieuw bekrachtigd in het ‘Programma Vernieuwing Rijksdienst 2007’.Met de aanwezigheid van Nederlanders in internationale (volkenrechtelijke) organisaties is immers een dubbel belang gediend: de Nederlandse inbreng binnen zo’n organisatie wordt versterkt en bij terugkeer beschikt de ambtenaar over een bredere kennis van het internationale beleid. Om die reden is het niet gewenst dat de rijksambtenaar nadeel ondervindt van een internationale detachering en mogelijk daardoor weerhouden wordt van een dergelijk initiatief.

(…)

8. Pensioen

(…)

Uitgangspunt bij het door het bevoegd gezag verhalen van de ABP-premies op de ambtenaar is dat de ambtenaar tijdens het vanwege zijn detachering verleende buitengewoon verlof ABP-pensioen dan wel een overeenkomstig pensioen bij de internationale organisatie kan opbouwen tegen dezelfde kosten als wanneer hij het verlof niet genoot. Ofwel met kosten gelijk aan het werknemersdeel van de ABP-premies. Dat betekent dat indien de opbouw van ABP-pensioen wordt voortgezet het werknemersdeel van de ABP-premies altijd door het bevoegd gezag op de ambtenaar wordt verhaald.

(…)

Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging wordt ook het werkgeversdeel op de ambtenaar verhaald. Het bevoegd gezag kan echter geheel of gedeeltelijk van verhaal van het werkgeversdeel afzien voor zover de ambtenaar bij de internationale organisatie geen pensioen opbouwt en tijdens of na afloop van het dienstverband met de internationale organisatie van die organisatie ook geen vergoeding krijgt waarvan het in de rede ligt dat die door de ambtenaar wordt aangewend om het werkgeversdeel van de ABP-premie van te betalen.”

2.9 Voor zover eiser betoogt dat hij erop mocht vertrouwen dat verweerder slechts het werknemersdeel van de pensioenpremie zou verhalen, faalt zijn beroepsgrond. De rechtbank kan in het besluit van 21 juli 2006, waarbij eiser onbezoldigd verlof werd verleend, niet lezen dat verweerder daarin heeft aangegeven te zullen afzien van verhaal van het werknemersdeel van de pensioenpremie. Op dit punt bevat deze brief uitsluitend de informatie dat de pensioenafdracht zal worden gecontinueerd, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3.4 van het Pensioenreglement. Verhaal van het werknemersdeel noch werkgeversdeel komt in de brief aan de orde.

2.10 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat de hiervoor deels aangehaalde circulaires van toepassing zijn op zijn organisatie en werknemers. Blijkens met name de circulaire van 6 augustus 2010 heeft de Nederlandse regering altijd een stimulerend beleid uitgedragen en is het niet gewenst dat de (rijks)ambtenaar nadeel ondervindt van een internationale detachering. In het verlengde hiervan wordt met betrekking tot de pensioenpremie in de circulaire aangegeven dat geheel of gedeeltelijk afgezien kan worden van verhaal van het werkgeversdeel voor zover geen pensioen wordt opgebouwd en ook geen vergoeding wordt ontvangen waarvan het in de rede ligt dat die wordt aangewend om het werkgeversdeel van de pensioenpremie te betalen.

2.11 De rechtbank vindt het aannemelijk dat eiser financieel nadeel ondervindt van zijn detachering nu verweerder het werkgeversdeel van de pensioenpremie op hem wil verhalen. In dit verband wijst de rechtbank op het e-mailbericht van 16 november 2009 van [naam] van Europol aan eiser. Dat eiser financieel nadeel ondervindt is in strijd met het in de circulaire van 6 augustus 2010 neergelegde beleid. Eiser ontvangt weliswaar een vergoeding van Europol, maar verweerder heeft niet onderzocht of het in de rede ligt dat eiser die vergoeding aanwendt om het werkgeversdeel van zijn pensioenpremie te compenseren of dat hij die vergoeding moet gebruiken om het AOW-gat te dichten, zoals eiser heeft gesteld. Daar komt bij dat het zich laat aanzien dat, als het al in de rede ligt dat eiser de vergoeding dient aan te wenden om het werkgeversdeel van zijn pensioenpremie te betalen, die vergoeding onvoldoende is om dat premiedeel volledig te compenseren, zodat er voor eiser in ieder geval een financieel nadeel blijft bestaan als gevolg van zijn detachering.

2.12 Gezien de datum van de beslissing op bezwaar had verweerder in het kader van zijn volledige heroverweging van zijn besluit van 29 september 2009 (ook) uitvoering moeten geven aan de circulaire van 6 augustus 2010. Een en ander betekent dat de beroepsgrond van eiser slaagt en dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikel 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal in de gelegenheid worden gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe dient verweerder onderzoek te doen naar de aard en de omvang van de door eiser over de periode van 1 oktober 2006 tot en met 1 juli 2009 ontvangen vergoeding van Europol. Vervolgens dient verweerder met toepassing van de circulaire van 6 augustus 2010 van de Minster te beslissen of er aanleiding is geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal van het werkgeversdeel van de pensioenpremie. Indien verweerder het verhaal zoals dit in het bestreden besluit is neergelegd niet (volledig) handhaaft, dient verweerder een nieuw besluit te nemen. Indien verweerder het bestreden besluit handhaaft, kan de aangepaste motivering in een gewone brief worden neergelegd.

2.13 Eiser heeft voorts aangevoerd dat de door hem aangevraagde deeltijdfactor alsnog met terugwerkende kracht moet worden toegepast en dat de afgedragen premie boven de minimale deeltijdfactor niet voor zijn rekening dient te komen, omdat het aan verweerder is te wijten dat er pas na twee jaar een beslissing is genomen op zijn verzoek. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser een aantal uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage overgelegd.

2.14 De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn betoog. De door hem voorgestane oplossing is, hoewel wellicht zeer praktisch, geen oplossing die past binnen het systeem van het Pensioenreglement. Eiser vraagt van verweerder dus eigenlijk mee te werken aan een buitenwettelijke oplossing. Verweerder zou daartoe kunnen besluiten, maar de rechtbank kan dit verweerder niet opleggen. Aanpassing van de deeltijdfactor zoals eiser voorstelt, leidt niet tot het door eiser beoogde resultaat omdat op grond van artikel 1.2, tweede lid, van het Pensioenreglement de deeltijdfactor wordt bepaald op basis van het feitelijk ontvangen inkomen. Eiser heeft echter ter zitting aangegeven dat hij wel een minimale deeltijdfactor wil, maar dat het niet de bedoeling is dat hij gedurende die (deel)tijd werkzaamheden voor verweerder gaat verrichten en inkomsten gaat ontvangen. Het aldus toepassen van de deeltijdfactor strookt niet met (de bedoeling van) de het Pensioenreglement Een aanstelling voor een minimaal aantal uren waarvan het de bedoeling is dat gedurende die uren niet wordt gewerkt en dat geen bezoldiging wordt genoten is naar het oordeel van de rechtbank bovendien een geheel andere dan de uitgangspositie van eiser, waarbij hij verweerder heeft gevraagd hem voor zijn aanstelling van 40 uur per week buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging te verlenen om met behoud van een binding met verweerder te gaan werken voor een internationale organisatie.

2.15 Nu er aan het besluit een gebrek kleeft, zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:51a van de Awb in de gelegenheid stellen het hiervoor onder 2.12 aangeduide gebrek te herstellen met inachtneming van het in deze tussenuitspraak overwogene.

2.16 Verweerder dient, gelet op het bepaalde in artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb, zo spoedig mogelijk - en wel binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak - kenbaar te maken of van de gelegenheid tot herstel gebruik zal worden gemaakt. In het geval verweerder ertoe mocht besluiten het geconstateerde gebrek te herstellen, dan bepaalt de rechtbank met toepassing van artikel 8:51a, tweede lid, Awb dat verweerder binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak tot herstel zal moeten zijn overgegaan.

2.17 Op grond van artikel 8:51b, derde lid, van de Awb kan eiser binnen vier weken nadat verweerder heeft bericht op welke wijze het gebrek is hersteld, schriftelijk zijn zienswijze naar voren brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

2.18 Verlenging van de hiervoor genoemde termijnen is slechts mogelijk in bijzondere gevallen. Een gemotiveerd verzoek om verlenging van een termijn moet worden ingediend binnen de in deze tussenuitspraak bepaalde termijn.

2.19 Indien verweerder aangeeft geen gebruik te maken van de gelegenheid tot herstel, dan wel de termijn van zes weken voor het herstellen van het gebrek ongebruikt verstrijkt, zal de rechtbank binnen zes weken na het ontvangen van het bericht van verweerder of na het verstrijken van de gestelde termijn einduitspraak doen.

2.20 Indien verweerder is overgegaan tot herstel van het gebrek, zal de rechtbank einduitspraak doen binnen zes weken na het verstrijken van de termijn van vier weken voor de zienswijze van eiser.

2.21 Tenzij er aanleiding bestaat anders te beslissen, zal met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Awb een nader onderzoek ter zitting achterwege blijven.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 heropent het onderzoek;

3.2 stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in deze tussenuitspraak heeft overwogen, onder de voorwaarde dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank te kennen geeft van die gelegenheid gebruik te willen maken;

3.3 houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T.B. de Vries, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. W.J.A.M. van Brussel en M. Mateman, leden, in tegenwoordigheid van A.G.J. Deckers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.

afschrift verzonden op: