Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY1646

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
177744 - FA RK 11-194 en 182167 - FA RK 11-1919
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

verdeling - VOF - uitsluitingsclausule

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel, familie- en jeugdrecht

zaaknummer / rekestnummer: 177744 / FA RK 11-194 en 182167 / FA RK 11-1919

Beschikking van 19 juni 2012

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. A. Krim gevestigd te Haarlem,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle gevestigd te Heemstede.

1. De verdere procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 22 november 2011;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 11 januari 2012;

- de brief van de advocaat van de man van 16 februari 2012.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenbeschikking van 22 november 2011 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de zaak aangehouden ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap.

De echtscheidingsbeschikking is op 5 december 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. Partijen zijn op [datum] 1998 met elkaar gehuwd na het opmaken van huwelijkse voorwaarden welke – voor zover hier van belang – als volgt luiden:

ALGEHELE UITSLUITING

Artikel 1: De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.

KOSTEN HUISHOUDING

Artikel 2 lid 1: De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging van de uit het huwelijk geboren kinderen, (…), worden voldaan uit de netto-inkomens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voorzover de inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders netto-vermogen naar evenredigheid daarvan.

Artikel 2 lid 2: Onder netto-inkomens wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekering en andere wettelijke inhoudingen of heffingen. Onder netto-vermogen wordt verstaan het vermogen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op vermogen.

artikel 3 lid 1: De echtgenoten die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot;

artikel 3. lid 2: Het recht het aldus teveel bijgedragene terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen een jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaats gehad of schriftelijk gevorderd is;

VERREKENING VAN INKOMSTEN

Artikel 5: De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van netto-inkomen in de zin van artikel 2, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. (…).

Artikel 8: Geen verrekening heeft plaats: a. over de tijd, dat de echtgenoten ander dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;.

2.3. Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de echtelijke woning aan de [adres]. Zij hebben verschillende bankrekeningen die op beider naam staan en hebben een gemeenschappelijke inboedel. Deze eenvoudige gemeenschappen dienen te worden verdeeld. Voorts is de VOF van partijen [naam vof] nog niet afgewikkeld. Voor zover de man heeft betoogd dat de op beider naam staande bankrekeningen niet tot een te verdelen eenvoudige gemeenschap behoren gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man zelf heeft aangegeven dat de vrouw de helft van het saldi op deze rekeningen toekomt.

2.4. De vrouw heeft tijdens het huwelijk gelden uit erfenissen ontvangen.

Haar moeder is in december 1993 overleden. De vrouw heeft daardoor een vordering verkregen op haar vader ter grootte van fl. 92.214,34 (€ 41.845,04) exclusief 7%, af te rekenen bij het overlijden van de vader van de vrouw. De vader van de vrouw is in december 1997 overleden. De vrouw heeft in totaal in de periode van 9 februari 1999 tot en met juni 2000 via de notaris een netto bedrag van € 231.223,80 (na afdracht successierechten) ontvangen. Vast is komen te staan dat dit bedrag is gestort op de gezamenlijke [naam bankrekening] van partijen met rekeningnr. [datum]. Daarnaast is op 12 mei 2006 nog een bedrag van € 89.929,40 op de [naam bankrekening] rekening van de vrouw gestort. Dit bedrag is eveneens uit genoemde erfenis afkomstig.

2.5. Partijen hebben gedurende een aantal jaren een restaurant gehad dat zij in januari 1999 hebben verkocht. De verkoopopbrengst van circa € 130.000 bruto is gestort op de [naam bankrekening] van partijen. Na verkoop van het restaurant hebben partijen een sabbatical genomen en hebben zij geleefd van de gelden die op de gezamenlijke rekening van partijen stonden. Daarna zijn partijen in 2001 een cateringbedrijf gestart, genoemde VOF “[naam VOF]”, welke onderneming vanaf januari 2010 door de man is voortgezet als eenmanszaak.

de woning

2.6. De woning aan de [adres] is gemeenschappelijk eigendom van partijen en deze eenvoudige gemeenschap dient te worden verdeeld.

Niet in geschil is dat de woning dient te worden verkocht aan een derde. Partijen hebben al een makelaar ingeschakeld en de woning zal te koop worden gezet tegen een vraagprijs van

€ 645.000. De op de woning rustende hypothecaire schuld bedraagt € 272.268.

Aan de hypotheek is een risicoverzekering gekoppeld die geen waarde vertegenwoordigd.

De verkoopopbrengst zal tussen partijen bij helfte worden gedeeld en de kosten van verkoop dienen door partijen bij helfte te worden gedragen.

de inboedel

2.7. Over de verdeling van de inboedel hebben partijen overeenstemming bereikt, in die zin dat deze in onderling overleg is verdeeld zodat ieder de goederen behoudt die hij thans onder zich heeft, maar dat de man nog aan de vrouw zal afgeven één tv en de kaptafel, zonder verdere verrekening.

de VOF

2.8. Over de afwikkeling van de VOF hebben partijen eveneens overeenstemming bereikt, in die zin dat niet langer in geschil is dat de waarde van de VOF (inclusief auto’s) € 16.353 per vennoot bedraagt. Partijen zijn het erover eens dat er geen stille reserve en geen latente belastingclaim is.

De man heeft gesteld dat hij bedrijfsschade heeft geleden doordat de vrouw begin januari 2010 abrupt en zonder enige vooraankondiging met haar werkzaamheden in de VOF is gestopt. Hij is van mening dat deze claim bij de afwikkeling van de VOF meegenomen dient te worden. De vrouw betwist dat de man schade heeft geleden en heeft ter onderbouwing hiervan de jaarstukken over 2009 en de prognose resultaatrekening over 2010 overgelegd, waaruit blijkt dat het resultaat over 2009, toen de vrouw nog werkzaam was in de VOF, lager is dan het te verwachten resultaat over 2010. De rechtbank is van oordeel dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat hij verrekenbare bedrijfsschade heeft geleden door het vertrek van de vrouw.

De man dient daarom, nu hij de VOF als eenmanszaak heeft voortgezet, aan de vrouw

€ 16.353 te voldoen. De rechtbank acht het redelijk om daarbij te bepalen dat voornoemd bedrag eerst opeisbaar is vanaf het moment dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde.

lijfrentepolissen

2.9. Hierover bestaat overeenstemming, in die zin dat ieder de verzekering behoudt die op haar/zijn naam staat, zonder verrekening van de waarde.

erfenissen en bankrekeningen

2.10. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar verschuldigd is een bedrag ad. € 231.223,80, ter zake de door haar onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenissen.

Zij stelt daartoe dat zij genoemde erfenissen onder uitsluitingsclausule heeft verkregen en dat het nimmer de bedoeling van haar ouders is geweest dat deze erfenis in enigerlei gemeenschap van goederen zou vallen waarin de vrouw mocht huwen. De man is hiervan vanaf het begin op de hoogte geweest. De man en de vrouw hebben voor het huwelijk huwelijkse voorwaarden gemaakt. Deze voorwaarden zijn op verzoek van de vrouw gemaakt, omdat de vrouw een aanzienlijke erfenis van haar moeder en haar vader zou ontvangen. Ondanks dat de vader en de moeder van de vrouw een testament onder uitsluitingsclausule hadden opgemaakt, wilde vrouw geen enkel risico nemen. In 2006 is het principe van privé gelden nogmaals door de notaris, die het testament van partijen heeft opgesteld, met partijen besproken. De notaris heeft daarvan nog een aantekening op het door de vrouw overgelegde testament gemaakt.

In dit testament is ook een uitsluitingsclausule opgenomen, waarbij de vrouw bewust de wensen van haar ouders heeft voortgezet. Aangezien het nooit de bedoeling is geweest dat de erfenis in de gemeenschap zou vallen heeft de vrouw daarom een nominaal vergoedingsrecht, aldus de vrouw.

De vrouw heeft daarbij nog aangevoerd dat indien zij geen vergoeding zou ontvangen van de door haar ontvangen erfenis, dit zou betekenen dat er sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking zijdens de man. Bovendien zou de man hiermee eenzijdig kunnen bewerkstelligen dat goederen, ten aanzien waarvan bij uiterste wilsbeschikking is bepaald dat zij buiten de gemeenschap blijven, opeens op deze wijze in een verrekening worden betrokken.

Dit middel komt de man niet toe, het is volgens de vrouw uitsluitend de erflater die dit kan bepalen. De vrouw verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 mei 2010 (RFR 2010,90).

Verder is het in de ogen van de vrouw in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien op basis van de argumenten van de man, dat niet meer te achterhalen is welk gedeelte van de erfenis van de vrouw nog over is, de erfenis de vrouw volledig zal ontglippen. De vrouw betwist dat zij heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis.

Volgens de vrouw dient te worden vastgesteld hoeveel zij uit erfenissen heeft ontvangen en dat bedrag is, nominaal, de hoogte van het bedrag waarop zij op grond van haar vergoedingsrechten aanspraak op maakt. De vrouw wenst dit recht te gelde te maken door bij verkoop van de gezamenlijke woning eerst het in deze vast te stellen vergoedingsrecht uitgekeerd te krijgen dan wel uit het saldo van de te verdelen gezamenlijke rekeningen. Zij heeft in die zin haar verzoek gewijzigd. Voor de vrouw maakt het niet uit, uit welke vermogensbestanddelen het vergoedingsrecht wordt betaald.

2.11. De man stelt daartegenover dat de erfenis die de vrouw gedurende het huwelijk heeft ontvangen gemengd is met andere bronnen van vermogen, zoals de opbrengst van de verkoop van het restaurant van partijen, de winsten van de VOF en de rente over het totale vermogen, waarmee uitgaven zijn gedaan en waarvan het gezin heeft geleefd. Een groot deel van het aanwezige vermogen is daarbij tijdens de crisis op de aandelenmarkt verdampt.

Het bedrag van € 231.223,80 dat de vrouw terug verlangt, staat niet op de spaarrekening van partijen. Door haar gedragingen tijdens het huwelijk heeft de vrouw het juridisch effect van de testamentaire uitsluitingsclausule teniet gedaan. Door zo te handelen heeft de vrouw op z’n minst de redelijke verwachting bij de man gewekt dat zij wilde dat ook het gezin mocht delen in de erfenis die zij had gekregen. Had de man geweten dat de vrouw aan het einde van de rit de hele erfenis terug zou willen hebben, dan zou de man andere financiële beslissingen hebben genomen tijdens het huwelijk.

Volgens de man is doorslaggevend hoe de erfenissen zijn aangewend. De vrouw heeft gewild dat hiervan als gezin werd geleefd en daarmee heeft zij voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Verder kan de vrouw niet aantonen welk deel van het thans nog aanwezige vermogen op de erfenissen ziet, zodat zij niet succesvol kan afdwingen dat de man aan haar de gehele erfenis (of een deel ervan) vergoedt. De bewijslast van wat er thans nog over is van de erfenis berust volgens de man op de vrouw.

De man is van mening dat de huidige saldi van de spaarrekeningen bij helfte gedeeld horen te worden en dat de vrouw geen vorderings- of vergoedingsrecht toekomt ten aanzien van de erfenissen, omdat zij de erfenis heeft laten opgaan in ander vermogen dat de man mede toebehoort.

2.12. De rechtbank is van oordeel dat nu de huwelijkse voorwaarden leidend zijn, aan de vrouw geen vorderingsrecht toekomt ten aanzien van de door haar ontvangen erfenissen op de verkoopopbrengst van de echtelijke woning. Partijen zijn immers onder uitsluiting van elke gemeenschap met elkaar gehuwd en de vrouw heeft niet aangetoond dat de door haar onder uitsluiting ontvangen erfenis op enige wijze is belegd in de gemeenschappelijke echtelijke woning, nu vast staat dat de aankoop van de woning geheel is gefinancierd met een hypothecaire lening. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat van de gemeenschappelijke rekening betalingen zijn gedaan ten behoeve van de verbouwing van de woning, maar heeft van de hoogte van deze betalingen geen enkel bewijsstuk overgelegd en voorts valt niet te herleiden of deze betalingen afkomstig zijn uit de erfenis dan wel uit het gezamenlijk vermogen van partijen.

2.13. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of de vrouw een vorderingsrecht toekomt ten aanzien van de door haar onder uitsluitingsclausule ontvangen erfenissen op de saldi van de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen.

Vooropgesteld dient te worden dat partijen niet in gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd. De aan de vrouw toekomende erfenissen zijn daarom niet in een huwelijksgemeenschap gevallen. Evenmin bestaat er ingevolge artikel 1:133 lid 2 BW en de huwelijkse voorwaarden een verplichting tot verrekening van de erfenis.

Vast is komen te staan dat alle winsten en opbrengsten, alsmede het door de vrouw bedoelde deel van de door haar ontvangen erfenis op de gezamenlijke rekeningen van partijen is gestort, dat hiervan de kosten van het huishouden werden voldaan en dat zowel de man als de vrouw na verkoop van het restaurant een jaar een zogenoemd sabbatical hebben gehouden en in dat jaar van dit geld hebben geleefd. Daarnaast is vast komen te staan dat partijen gedurende het huwelijk een gelijk inkomen hadden, de winsten uit de VOF kwamen hun bij gelijke helfte toe en zij waren ook ieder voor de helft gerechtigd in de verkoopopbrengst van het restaurant. De stelling van de man dat de erfenis van de vrouw zich heeft vermengd met gemeenschappelijk vermogen is dan ook juist.

Gelet op hetgeen partijen in de huwelijkse voorwaarden onder artikel 2 lid 1 zijn overeengekomen ten aanzien van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, dienden de kosten van de huishouding allereerst te worden voldaan uit de inkomsten, en – indien dat niet toereikend was – uit het privé-vermogen van partijen. Naar het oordeel van de rechtbank komt de vrouw daarom alleen een vordering toe ter hoogte van dat deel van de erfenis dat niet aan de gemeenschappelijke huishouding is besteed. Dit leidt er in beginsel toe dat aan de vrouw toekomt het saldo op de gemeenschappelijke bankrekeningen zoals dat resteerde aan het einde van de verrekenplicht op grond van de huwelijkse voorwaarden.

2.14. Niet in geschil is dat de vrouw begin januari 2010 de samenwoning heeft verbroken, zodat op grond van de huwelijkse voorwaarden op dat moment de verrekenlicht eindigt.

Op dat moment hadden partijen de volgende gezamenlijke rekeningen bij [naam] Bankiers:

- [naam]rekening nr. [nummer];

- Effectenrekening [nummer];

- [naam] rendementsparen [nummer];

- Online sparen [nummer];

- Effectenportefeuille.

Blijkens het door de vrouw overgelegde fiscaal overzicht van [naam] Bankiers bedroeg het saldo op bovengenoemde rekeningen en de waarde van de effectenportefeuille per 31 december 2009 in totaal € 104.887,40.

2.15. De vrouw is van mening dat als peildatum voor de verrekening van de banksaldi moet worden uitgegaan van 1 januari 2010, de datum dat partijen uiteen zijn gegaan.

Deze rekeningen kunnen volgens de vrouw na verrekening van de saldi hetzij aan de man worden toegescheiden, hetzij worden opgeheven. De man is daarentegen van mening dat het niet redelijk is om de saldi per 1 januari 2010 te verdelen, omdat nadien beide partijen gelden van deze rekeningen hebben opgenomen, onder andere om de belastingaanslagen over 2008 te voldoen en de kosten van de kinderen. Daarom moeten volgens de man de saldi worden verrekend zoals die er zijn op het moment waarop de verrekening zal plaatsvinden. De man wenst de bankrekening voort te zetten. Hij heeft een overzicht overgelegd van de bestedingen die door partijen ieder voor zich zijn gedaan en voor gemeenschappelijke kosten vanaf maart 2010 en heeft een actueel overzicht overgelegd van de banksaldi per 17 oktober 2011. Uit deze stukken blijkt dat het totale banksaldo per 17 oktober 2011 € 76.250,60 bedraagt. De effectenportefeuille is in de tussentijd door de man verkocht en in dit saldo per 17 oktober 2011 verdisconteerd.

2.16. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de peildatum zoals die voortkomt uit artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden, zodat het saldo op de gezamenlijke bankrekeningen per 31 december 2012 gelet op hetgeen hiervoor onder 2.13. is overwogen geheel aan de vrouw toekomt. Wel dienen nog te worden verrekend de kosten die van de gezamenlijke bankrekening na peildatum ten behoeve van beide partijen zijn voldaan, zoals de belastingaanslagen over 2008 en de kosten van de kinderen. Door de vrouw is weliswaar gesteld dat partijen vanaf januari 2010 deze kosten, behoudens de belastingaanslagen, hebben verrekend, maar zij heeft het door de man overgelegde overzicht van bestedingen waaruit blijkt dat na 12 januari 2010 ten behoeve van partijen gezamenlijk

€ 16.470,58 van de gezamenlijke rekeningen is onttrokken, onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank deze kosten als volgt zal verrekenen. Nu niet in geschil is dat de man de thans nog op beider naam staande bankrekening op zijn naam zal voortzetten en de bankrekeningen in die zin aan hem worden toegescheiden zal de rechtbank daarom bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van in totaal € 96.652,11 dient te voldoen (€ 104.887,40 minus de helft van € 16.470,58)

Agenta-rekening

2.17. De stelling van de man dat ten aanzien van het gedeelte van de erfenis dat de vrouw op een aparte rekening (bij [naam bank]) heeft laten storten (€ 98.929,40) nog wel een verrekening plaats dient te vinden van de rente die tot aan de peildatum (het uiteengaan van partijen) is opgebouwd, stuit af op artikel 1:133 lid 2 BW. Hierin wordt bepaald dat de verplichting tot verrekening geen betrekking heeft op vermogen dat krachtens erfopvolging, making of gift wordt verkregen en ook niet op de vruchten daaruit. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschappen vast op de wijze zoals hierboven onder 2.6. tot en met 2.15. is overwogen;

3.2. bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake de afwikkeling van de VOF € 16.353 dient te voldoen, doch niet eerder dan op het moment dat de echtelijke woning is verkocht en geleverd aan een derde;

3.3. bepaalt dat de man aan de vrouw ter zake van de verdeling van de bankrekeningen en verrekening van de erfenis een bedrag van in totaal € 96.652,11 dient te voldoen

3.4. verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. wijst het meer of anders verzochte af;

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter , voorzitter, en mrs. C.A.M. van de Rest-van der Heijden, en P.G. de Geus, in tegenwoordigheid van E. Dijkstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.