Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY1462

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
29-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/3786
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3786

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

4 september 2012 in de zaak tussen

[naam verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. M.P. Spanjer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk, verweerder

(gemachtigden: T.J.C. Bruinenberg, M.E.T. van der Fluit en A.T. Zwarthoed).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met [naam] (hierna: [naam]).

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Verzoekster is om medische redenen niet verschenen. Zij is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Ter zitting was voorts aanwezig de dochter van verzoekster: [naam dochter].

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er tussen verzoekster en [naam] een ongebruikelijke verbondenheid bestaat die naar voren komt uit het feit dat er tussen hen geen huurcontract bestaat, terwijl er evenmin verifieerbare huurbetalingen zijn verricht door verzoekster. De ongebruikelijke verbondenheid blijkt voorts uit het feit dat verzoekster het medegebruik heeft van de gehele woning, met uitzondering van de slaapkamer van [naam] en voorts uit de aanwezigheid van meubels van verzoekster in de woonkamer. Nu volgens verweerder geen sprake is van een commerciële relatie en er evenmin sprake is van een duidelijke afbakening van verzoeksters woon- en leefsituatie ten opzichte van die van [naam], is sprake van een gezamenlijke huishouding.

3. Verzoekster voert aan dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verzoekster en [naam] leven strikt gescheiden, koken beiden hun eigen maaltijden, doen hun eigen boodschappen. Etenswaren van beiden liggen apart in de voorraadkast en koelkast. Incidenteel eten verzoekster en [naam] gezamenlijk. Verzoekster betaalt het Ziggo-abonnement, omdat zij de enige is die internet gebruikt. Dit abonnement staat op naam van [naam] omdat hij hoofdbewoner is. Een huur van € 200,-- per maand is redelijk, omdat de totale huur van de woning € 400,-- bedraagt.

4. Ingevolge artikel 3, derde lid, Wwb is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Vaststaat dat verzoekster en [naam] hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Verder kan het zo zijn dat iemand zich niet onmiddellijk realiseert dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

5. Verzoekster en [naam] hebben beiden verklaard dat verzoekster € 200,-- per maand aan huur betaalt. Hiervan ontbreekt een onderbouwing. Nu verzoekster heeft gesteld huurbetalingen te verrichten, maar hiervan geen begin van bewijs heeft overgelegd, kan verweerder aan deze stelling voorbij gaan.

6. Voorts ontbreekt een huurcontract tussen verzoekster en [naam]. Niet in geschil is dat verzoekster het gehele huis ter beschikking heeft, behoudens de slaapkamer van [naam]. Gelet hierop heeft verweerder zich, naar voorlopig oordeel, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van verzoekster geen sprake is van een commerciële huur. Dit betekent dat aangenomen moet worden dat [naam] aan verzoekster onderdak verschaft. Verzoeksters tegenprestatie bestaat in ieder geval uit het verstrekken van de meubilering in de woonkamer en in andere vertrekken van de woning.

7. Al aangenomen dat verzoekster en [naam] afzonderlijk boodschappen doen, apart wassen en veelal niet gezamenlijk eten, doet dat onder de omstandigheden zoals hiervoor weergegegven, niet ter zake.

8. Het voorgaande brengt met zich dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel - Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.