Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY0904

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/3804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter constateert dat het besluit enkele ernstige gebreken vertoont. Die kunnen in bezwaar worden hersteld. Bij verzoeker zijn echter ADHD en een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Om die reden bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/3804

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2012

in de zaak van

[naam verzoeker], te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. G.J.M. van Spanje),

en

de algemeen directeur van het Centraal bureau rijvaardigheidsbewijzen, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder besloten aan verzoeker geen verklaring van geschiktheid af te geven.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam], werkgever van verzoeker.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Op 19 maart 2012 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraagformulier ingediend voor verkrijging van een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Bij brief van 18 april 2012 heeft verweerder aan verzoeker nadere informatie gevraagd over zijn medicijngebruik. Verzoeker is op 23 april 2012 onderzocht door de psychiater [naam psychiater] (hierna: de psychiater). Deze heeft op 24 april 2012 een rapportage opgesteld en deze toegestuurd aan verweerder. De psychiater adviseert verweerder verzoeker geschikt te verklaren voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 voor een jaar. Bij brief van 7 mei 2012 heeft verweerder de psychiater gevraagd een urineonderzoek op drugs te laten verrichten. Dit verzoek is op 29 mei 2012 herhaald. Bij brief van 6 juni 2012 heeft de psychiater aan dit verzoek voldaan. Hij handhaaft zijn advies. Bij brief van 4 juli 2012 heeft verweerder de psychiater gewezen op paragraaf 8.8 en 8.10 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) en hem gevraagd zijn rapportage opnieuw te beoordelen en zo nodig zijn advies te herzien. Aan dit verzoek heeft de psychiater niet voldaan. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat aan verzoeker geen verklaring van geschiktheid kan worden afgegeven, omdat bij hem sprake is van drugsmisbruik bij ADHD en van een borderline persoonlijkheidsstoornis. In het verweerschrift heeft verweerder dit standpunt nader onderbouwd.

4. Verzoeker kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat hij werkzaam is als vrachtwagenchauffeur. In dit verband wijst hij op de verklaring van zijn werkgever van 16 augustus 2012. Zonder geldig rijbewijs kan verzoeker zijn functie niet vervullen. Voorts wijst verzoeker erop dat de psychiater verzoeker geschikt heeft geacht, omdat er bij hem geen sprake is van drugsmisbruik. Dit ondanks het feit dat verzoeker zelf heeft verklaard cannabis te gebruiken. Niet gebleken is dat sprake is van cannabisafhankelijkheid of sociaal disfunctioneren. Niet duidelijk is hoeveel cannabis aangetroffen is in verzoekers urine. Verweerders standpunt dat sprake zou zijn van drugsmisbruik is dan ook onvoldoende gemotiveerd. Voorts is het niet toegestaan om ongemotiveerd af te wijken van een specialistisch rapport. In dit verband wijst verzoeker op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het psychiatrisch onderzoek niet op de vereiste zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De psychiater heeft zijn conclusie duidelijk gemotiveerd en deze, na aandringen van verweerder om de conclusie te herzien, in stand gelaten. Voorts is ook verweerders standpunt dat verzoeker ongeschikt is vanwege ADHD en een borderline persoonlijkheidsstoornis niet gemotiveerd. De rapportage van de psychiater biedt hiervoor geen grondslag. Uit de verklaring van de behandelend psychiater blijkt voorts dat verzoeker al twee jaar stabiel is en goed functioneert. Bovendien is niet duidelijk of de psychiater specialist is op het gebied van ADHD bij volwassenen. Op grond hiervan is verzoeker van mening dat het besluit van verweerder onvoldoende is gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het dient dan ook te worden geschorst.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Misbruik van middelen

6. Paragraaf 8.8 van de bijlage behorende bij de Regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“8.8 Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.”

7. Zoals blijkt uit paragraaf 8.8 is voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport vereist. De psychiater heeft in zijn rapportage immers onder meer het volgende over verzoeker vermeld, waarbij verzoeker wordt aangeduid met ‘hij’ :

“Anamnese

(…)

Sinds de keuring bij de bedrijfsarts is hij ook gestopt met oxazepam, omdat hij begrepen heeft dat dit toch zijn alertheid negatief beïnvloedde. Het gaat er om dat hij tot rust komt. Daarom blowt hij ook nog altijd een keer ’s avonds. Rust is voor hem absolute noodzaak, omdat hij anders doordraait. Voor de ADHD heeft hij nooit aparte medicatie voorgeschreven gehad. Dat wil hij ook in principe niet, omdat hij vrachtwagenchauffeur is en goed wil kunnen rijden. Terwijl hij nu al bijna twee jaar helemaal stabiel is zo heeft hij sinds zijn ziekte wel drie jaar zonder werk gezeten. (…)

Middelengebruik: Bij gelegenheden een biertje; rookt 3 tot 5 sigaretten op een dag; iedere avond een blowtje voor het slapen

(…).

Conclusie: Gezonde 29-jarige vrachtwagenchauffeur, die 4 jaar geleden dol is gedraaid, ambulant onderzocht en behandeld werd voor ADHD en Borderline Pers. St. gedurende twee jaar met een combinatie van individueel en groepstherapie, o.a. emotie regulatietraining, en medicatie, en sinds twee jaar stabiel is met als medicatie ’s avonds quetiapine 50 mg en olanzapine 5 mg, en voor het slapen ook blowt, maar verder er in geslaagd is een regelmatig leven op te bouwen met zijn gezin en sinds bijna een jaar ook weer werkt als vrachtwagen chauffeur. Hij is nog steeds in begeleiding van een psycholoog.

Advies:

Groep 1 cat. A/B/BE 1 jaar

Groep 2 cat. C/D/E 1 jaar”

8. In het verweerschrift heeft verweerder zich wat betreft het cannabisgebruik van verzoeker op het volgende standpunt gesteld: “Verweerder meent dat bij drie hooguit vier joints per week nog sprake kan zijn van recreatief gebruik van cannabis. Bij een dergelijk gebruik kan nog staande gehouden worden dat geen sprake is van afhankelijkheid omdat er ook enkele dagen in de week niet wordt geblowd. Verzoeker blowt dagelijks voor het slapen gaan. Bij een dergelijk gebruik is sprake van misbruik.”

Het standpunt van verweerder dat uitsluitend bij recreatief gebruik van cannabis geen sprake is van drugsmisbruik is te vergaand en vindt geen steun in de bijlage bij de Regeling. Bovendien is dit standpunt van verweerder niet gebaseerd op een deskundigenrapportage. De enkele verwijzing naar informatie van de Jellinekkliniek is onvoldoende.

9. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat hij de conclusie van de keurend psychiater niet deelt. De rechtbank wijst erop dat volgens paragraaf 8.8 van de bijlage bij de Regeling voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen (zoals cannabis) een specialistisch rapport is vereist. Een dergelijk rapport ontbreekt in verzoekers geval, nu de psychiater niet heeft geconcludeerd dat sprake is van misbruik. Het standpunt van verweerder op basis van de inhoud van het rapport van de psychiater dat sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een medisch oordeel dat, volgens de bijlage bij de Regeling, is voorbehouden aan een medisch specialist. Verweerder mag niet zelf op de stoel van de specialist plaatsnemen, omdat verweerder het beter meent te weten dan de ingeschakelde psychiater. Indien verweerder twijfelt aan de juistheid van een medische rapportage en deze niet wenst te volgen, dient hij op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en de bijlage bij de Regeling een nieuw medisch oordeel te vragen.

ADHD

10. Paragraaf 8.10 van de bijlage bij de Regeling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“8.10 ADHD (inclusief subtypen)

Het onderzoek naar de geschiktheid moet plaatsvinden door een specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren. (…)

8.10.1 Rijbewijzen van groep 1

Geschiktverklaring voor de rijbewijzen van groep 1 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

- indien sprake is van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen, dan dient te zijn gebleken dat deze voldoende onder controle zijn (…)

- er mag geen sprake zijn van misbruik van psychoactieve middelen

(…)

8.10.2 Rijbewijzen van groep 2

Geschiktverklaring voor de rijbewijzen van groep 2 voor een beperkte termijn is mogelijk indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

- er is geen sprake van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen, misbruik van psychoactieve middelen of persoonlijkheidsstoornissen.”

11. Blijkbaar wil verweerder niet aannemen dat er op dit moment bij verzoeker een goede balans bestaat, zoals de psychiater en de behandelend psychiater hebben aangegeven. In het verweerschrift heeft verweerder onder meer als zijn standpunt opgenomen, dat niet valt uit te sluiten dat het dagelijks gebruik van cannabis de lichte tot matige negatieve invloed van verzoekers medicatie op zijn rijvaardigheid versterkt. Deze stelling heeft verweerder niet met medische stukken onderbouwd. Voorts heeft verweerder aangegeven dat de psychiater de ADHD-checklist, zoals bedoeld in de Regeling, heeft gehanteerd. Uit de rapportage van de psychiater is dit echter niet op te maken, zodat niet kan worden gecontroleerd of de psychiater alle relevante risicofactoren heeft beoordeeld. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat aan verzoeker geen verklaring van geschiktheid kan worden afgegeven, omdat bij verzoeker sprake is van ADHD in combinatie met een persoonlijkheidsstoornis. Uit de bijlage bij de Regeling volgt echter dat uit een specialistisch onderzoek moet blijken dat in het geval van verzoeker de persoonlijkheidsstoornis een risicofactor is. Een specialistisch onderzoek waaruit dit blijkt, ontbreekt echter. Dat de combinatie van ADHD en persoonlijkheidsstoornis in het geval van verzoeker in de weg staat aan geschiktheid voor de rijbewijzen van groep 1 of groep 2, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd.

Persoonlijkheidsstoornis

12. Paragraaf 8:7 van de bijlage bij de Regeling luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“8.7 Persoonlijkheidsstoornissen

Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:

- gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten.

(…)

Voor elke beslissing op dit gebied is een specialistisch rapport geboden.”

13. Verweerder heeft in het verweerschrift als zijn standpunt opgenomen dat bij verzoeker het korte lontje zoals aangegeven door de bedrijfsarts en het dagelijks blowen aanwijzingen zijn van een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid. Dit standpunt van verweerder is evenzeer in strijd met de bijlage bij de Regeling. In paragraaf 8.7 van de bijlage bij de Regeling staat immers dat mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen, zoals bijvoorbeeld de borderline persoonlijkheidsstoornis, ongeschikt zijn voor elk rijbewijs als zij, bijvoorbeeld door grove verkeersovertredingen, duidelijk blijk hebben gegeven van (onder meer) een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid. Van een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid is volgens bijlage bij de Regeling dus pas sprake bij ernstig wangedrag bijvoorbeeld in het verkeer. Dat verzoeker dergelijk gedrag heeft vertoond, zodat hij duidelijk blijk heeft gegeven van een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid, heeft verweerder niet vastgesteld. Het enkel hebben van een kort lontje en het dagelijks blowen is niet het wangedrag dat duidt op een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid waarnaar de bijlage bij de Regeling verwijst.

Conclusie

14. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat een zorgvuldige besluitvorming vereist dat verweerder nader specialistisch onderzoek laat doen naar de geschiktheid van verzoeker. Zonder nader onderzoek zal het besluit van verweerder de toetsing in beroep niet kunnen doorstaan. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat hij geen nader onderzoek door een psychiater wil ondergaan. Hij heeft voorts aangegeven dat verweerder bij zijn behandelend psychiater nadere informatie kan opvragen. Verweerder heeft toegezegd hiermee rekening te willen houden. In eerste instantie zal verweerder bezien of het mogelijk is een nader specialistisch rapport te verkrijgen zonder dat verzoeker een nieuw onderzoek hoeft te ondergaan. Als het zo blijkt te zijn dat een zorgvuldige medische advisering alleen plaats kan vinden na een onderzoek van verzoeker dan dient verzoeker daar aan mee te werken, wil hij in aanmerking komen voor een verklaring van geschiktheid.

15. Het bestreden besluit vertoont dus ernstige gebreken. Het betreft echter wel gebreken die in bezwaar hersteld kunnen worden. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd voor de duur van de bezwaarschriftprocedure aan hem een verklaring van geschiktheid af te geven voor een rijbewijs vallend onder groep 2. De psychiater heeft vastgesteld dat bij verzoeker sprake is van ADHD met een borderline persoonlijkheidsstoornis. De voorzieningenrechter gaat daarvan uit. Ingevolge de bijlage bij de Regeling geldt dat ingeval van ADHD in beginsel geen sprake mag zijn van een risicofactor, zoals een persoonlijkheidsstoornis, wil sprake kunnen zijn van geschiktheid. Er bestaat dan ook een aanmerkelijke kans dat de combinatie van ADHD met persoonlijkheidsstoornis eraan in de weg staat dat aan verzoeker een verklaring van geschiktheid wordt afgegeven. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het desbetreffende verzoek dan ook af.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.