Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY0901

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-09-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/2408 & 12/4058
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zijn besluit kunnen baseren op het advies van de medisch adviseur van 19 januari 2012. De latere verklaring van de medisch adviseur van 5 september 2012 doet hieraan niet af. Verweerder heeft terecht geen indicatie behandeling groep en begeleiding groep gesteld voor M. Het beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK Haarlem

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2408 en 12/4058

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2012 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam eiser] en [naam eiseres], te [woonplaats], eisers

(gemachtigde: mr. I.T. Martens),

en

de raad van bestuur van het Centrum indicatiestelling zorg, verweerder

(gemachtigde: J. Henneveld).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers om hun zoon, [naam zoon], geboren op [geboortedatum] (hierna: [naam zoon]) in aanmerking te brengen voor zorg in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen.

Bij besluit van 31 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nr. AWB 12/2408. Zij hebben de voorzieningenrechter voorts verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. AWB 12/4058.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2012. [naam eiseres] (hierna: eiseres) is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren ter zitting aanwezig: [naam], werkzaam bij de Stichting MEE, Amstel en Zaan, en [naam], moeder van eiseres.

Overwegingen

1. In artikel 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, hij onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat toepassing van artikel 8:86 Awb achterwege moet blijven. Zij hebben echter onvoldoende concreet aangegeven welke nader onderzoek nog zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. Bovendien is de zaak inmiddels tweemaal uitvoerig ter zitting behandeld. Op grond hiervan ziet voorzieningenrechter dan ook aanleiding in dit geval van voormelde bevoegdheid gebruik te maken.

2. [naam zoon] is op dit moment ongeveer twee jaar en vier maanden oud. Hij heeft een chromosoomafwijking met een ontwikkelingsachterstand. [naam zoon] gaat nu twee dagen per week naar een regulier kinderdagverblijf. Hij is sinds juni 2011 onder behandeling van de kinderarts. [naam zoon] krijgt eens per maand logopedie en een keer per week fysiotherapie.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3. In de kern komt het in deze zaak neer op beantwoording van de vraag of deelname door [naam zoon] aan een vroegbehandelingsprogramma in een revalidatiecentrum voor hem voldoende adequaat is. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit overwogen dat er vroegbehandelingsprogramma’s zijn, aangeboden door revalidatiecentra, die speciaal gericht zijn op kinderen onder de vier jaar met een ontwikkelingsachterstand. Het gaat om een behandeling die wordt aangeboden vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw). Verweerder stelt zich op het standpunt dat dergelijke programma’s voor [naam zoon] voldoende adequate zorg bieden. Hij heeft dit standpunt gebaseerd op de rapportage van de medisch adviseur van 19 januari 2012. Volgens verweerder is deze zorg dan ook voorliggend ten opzichte van AWBZ-zorg.

4. Eisers stellen zich allereerst op het standpunt dat deelname door [naam zoon] aan een vroegbehandelingsprogramma in een revalidatiecentrum voor hem geen adequate zorg is. Volgens eisers is [naam zoon] het meest gebaat bij opname in een gespecialiseerd kinderdagcentrum.

5. Eisers hebben hun standpunt onderbouwd met de volgende medische stukken:

- de verklaring van de revalidatiearts [naam revalidatiearts] van 31 juli 2012;

- de verklaring van de huisarts [naam huisarts] van 25 juli 2012;

- de verklaringen van de kinderarts [naam kinderarts] van 30 maart 2012, 24 en 29 juli 2012;

- de verklaring van de AIOS kindergeneeskunde [naam] en de kinderarts [naam] van 19 juli 2012;

- de verklaring van de revalidatiearts van Heliomare, [naam], van 18 juli 2012.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt uit deze door eisers ingebrachte medische verklaringen naar voren, dat de desbetreffende artsen niet uitsluiten dat een vroegbehandelingsprogramma, zoals aangeboden door een revalidatiecentrum, een voor [naam zoon] adequate voorliggende voorziening is. Zij zijn echter de mening toegedaan dat het volgen van een vroegbehandelingsprogramma voor [naam zoon] niet geschikt is, vanwege de reisafstand. Dit laatste heeft echter niet zozeer betrekking op de vraag of de geboden zorg voldoende adequaat is, maar op de vraag of bedoelde zorg daadwerkelijk beschikbaar is. Deze procedure ziet echter niet op beantwoording van deze laatste vraag.

7. Voorts blijkt uit het besluit van de zorgverzekeraar Zorg en Zekerheid van 13 augustus 2012 dat er voor [naam zoon] wel zorgverlening vanuit de Zvw mogelijk is en dat Zorg en Zekerheid bereid is deze zorg te leveren c.q. te bekostigen.

8. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft kunnen baseren op het medisch oordeel van de medisch adviseur van 19 januari 2012. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval zorg bekostigd vanuit de Zvw voorliggend is ten opzichte van AWBZ-zorg. Eiseres hebben ter zitting verwezen naar de uitspraak van het College voor zorgverzekeringen van 26 oktober 2005 (RZA 2005,193). Die uitspraak kan in het voorgaande geen verandering brengen, omdat in dat geval sprake was van een grondslag voor een AWBZ-indicatie. Een dergelijke grondslag ontbreekt in het geval van [naam zoon].

9. De medisch adviseur van verweerder heeft op 5 september 2012 gereageerd op de door eisers ingebrachte medische stukken. Ter zitting hebben eisers erop gewezen dat deze schriftelijke reactie niet door de medisch adviseur is ondertekend, zodat niet vaststaat dat deze daadwerkelijk van de medisch adviseur afkomstig is.

10. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband allereerst op, dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op de verklaring van de medisch adviseur van 5 september 2012, maar op die van 12 januari 2012. Deze verklaring is evenmin ondertekend door de medisch adviseur. De voorzieningenrechter heeft echter geen reden om eraan te twijfelen dat bedoelde verklaring daadwerkelijk door de medisch adviseur van verweerder is opgesteld.

11. Eisers hebben zich in beroep ook op het standpunt gesteld dat in hun geval sprake is van

zorg die de gebruikelijke zorg die ouders aan hun kinderen verlenen te boven gaat. Eisers stellen dat zij dagelijks een uur meer zorg dan de gebruikelijke zorg aan [naam zoon] verlenen. De voorzieningenrechter constateert echter dat eisers deze stelling niet hebben onderbouwd. Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat de belasting voor eiseres inmiddels zwaarder is geworden, omdat eisers recentelijk uit elkaar zijn gegaan en de verzorging van [naam zoon] nu uitsluitend op eiseres neerkomt. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat deze laatste omstandigheid zich heeft voorgedaan na het bestreden besluit, zodat deze in het kader van de beoordeling van het beroep geen rol kan spelen.

12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Gelet hierop, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het desbetreffende verzoek dan ook afwijzen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

24 september 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat, uitsluitend voor zover het de hoofdzaak betreft, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.