Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY0798

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-10-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
15/996522-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De winst die in Marokko met de uitvoering van een garnalenpelovereenkomst is behaald, hoort naar het oordeel van de rechtbank grotendeels in de Nederlandse belastinggrondslag thuis. Verdachte, of een door hem beheerste BV, heeft door de winst uit de garnalenpelactiviteiten over de jaren 2007 en 2008 niet in Nederland aan te geven opzettelijk onjuiste belastingaangiften gedaan. Daarnaast acht de rechtbank valsheid in geschrift bewezen nu de garnalenpelovereenkomst is geantedateerd. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur, een geldboete van 50.000 euro en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-2989
NTFR 2012/2762 met annotatie van Mr. P.A. Caljé
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/996522-10

Uitspraakdatum: 22 oktober 2012

Tegenspraak

Promisvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2012 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [GBA-adres]

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegelaten wijziging, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

[BV van verdachte], op of omstreeks 14 september 2009, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zaandam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2007 (D 129) (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen en/of laten doen, immers heeft/hebben [BV van verdachte] en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2007, te weinig omzet en/of winst vermeld en/of doen laten vermelden, immers is de omzet en/of winst die is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02) (gedeeltelijk) niet aangegeven, aangezien deze (op basis van transfer pricingsregels berekende) winst en/of omzet (gedeeltelijk) niet, althans voor een bedrag van euro 147.360 niet (D122), althans tot enig bedrag niet is aangegeven/opgenomen, terwijl dit feit er toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, tot de/het vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

Feit 2.

hij, op of omstreeks 11 september 2009, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zaandam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2007 (D 03) (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen en/of laten doen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2007 te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld en/of doen laten vermelden, immers

- is er geen/te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven, terwijl er wel inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van euro 1.287.110 (D28-13), althans enig inkomen uit aanmerkelijk belang is genoten, omdat verdachte in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van [bedrijf 1] al dan niet tezamen met [broer van verdachte] heeft beschikt over het bij [bedrijf 1] ondergebrachte pelcontract (D14) en/of de winst daaruit, door dit pelcontract en/of de winstcapaciteit/overwinst uit dit pelcontract op 12 en/of 18 december 2007, althans in 2007, op naam te stellen van/over te dragen aan [bedrijf 2] (onttrekking aan [bedrijf 1] en inbreng in [bedrijf 2]) zonder daarvoor een zakelijke prijs te hanteren/bedingen, en/of

- is er geen/te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven, terwijl er wel inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van euro 147.360 (D122), althans enig bedrag is genoten, aangezien de winst die in 2007 door [BV verdachte] is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02), (gedeeltelijk) geen onderdeel uitmaakt van het vermogen van [BV van verdachte] en mitsdien (gedeeltelijk) aan het vermogen van deze vennootschap is onttrokken, en/of

- is een te laag belastbaar inkomen/(verzamel)inkomen vermeld en/of doen laten vermelden, immers is de omzet en/of winst die behaald is met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02) (gedeeltelijk) niet aangegeven en/of is de overdracht van het pelcontract aan [bedrijf 2] en/of de overdracht van de winstcapaciteit/overwinst uit dit pelcontract aan [bedrijf 2] niet aangegeven, en/of

- is het aandelenbezit in [bedrijf 1] niet als aanmerkelijk belang vermeld,

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven;

Feit 3.

hij, op of omstreeks 11 juni 2010, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zaandam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2008 (D 03a) (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen en/of laten doen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2008, te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang vermeld en/of doen laten vermelden, immers

- is er geen/te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven, terwijl er wel inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van euro 1.287.110 (D28-13), althans euro 287.000 (D-041 2/2), althans euro 83.000 (D122), althans enig inkomen uit aanmerkelijk belang is genoten wegens de verkoop/overdracht van de aandelen [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] op 8 januari 2008, althans in 2008, en/of

- is er geen/te weinig inkomen uit aanmerkelijk belang aangegeven, terwijl er wel inkomen uit aanmerkelijk belang tot een bedrag van euro 317.500 (D 122), althans enig bedrag is genoten, aangezien de winst die in 2008 door [BV van verdachte] is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02), (gedeeltelijk) geen onderdeel uitmaakt van het vermogen van [BV van verdachte]. en mitsdien (gedeeltelijk) aan het vermogen van deze vennootschap is onttrokken, en/of

- een te laag belastbaar inkomen/(verzamel)inkomen vermeld en/of doen laten vermelden, immers is de omzet en/of winst die behaald is met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02) (gedeeltelijk) niet aangegeven en/of is de overdracht van de aandelen [bedrijf 1] niet aangegeven en/of is de overdracht van het pelcontract aan [bedrijf 2] en/of de overdracht van de winstcapaciteit/overwinst uit dit pelcontract aan [bedrijf 2] niet aangegeven,

- het aandelenbezit in [bedrijf 1] niet als aanmerkelijk belang vermeld,

terwijl dat/die feit(en) er toe heeft/hebben gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven;

Feit 4.

[BV van verdachte]., op of omstreeks 11 juni 2010 en/of op of omstreeks 13 juni 2010, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zaandam, althans te Nederland, tezamen en/of in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2008 (D 130), (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan en/of heeft/hebben doen en/of laten doen, immers heeft/hebben [BV van verdachte]. en/of zijn mededader(s) opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2008, te weinig omzet en/of winst vermeld en/of doen laten vermelden, immers is de omzet en/of winst die is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D-14/D-15-02) (gedeeltelijk) niet aangegeven, aangezien deze (op basis van transfer pricingsregels berekende) winst en/of omzet (gedeeltelijk) niet, althans voor een bedrag van euro 317.500 niet( D 122), althans tot enig bedrag niet is aangegeven/opgenomen, terwijl dat feit er toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven, hebbende hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, tot de/het vorenstaande feit(en) opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

Feit 5.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2008 tot en met 30 september 2009, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zoutkamp (gemeente De Marne), althans in Nederland en/of in Liechtenstein, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een pelcontract tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D15-02), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of doen laten opmaken en/of doen laten vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) in strijd met de waarheid de datum en/of inhoud van het pelcontract geantedateerd en/of niet juist vermeld en/of doen laten vermelden, immers het contract is ondertekend op enig tijdstip in de periode van 23 september 2008 t/m 30 september 2009, maar gedateerd op 12 december 2007 en/of de afspraken over het omzetten van het contract naar [bedrijf 2] zijn gemaakt in april 2008, althans in 2008, en niet op 12 december 2007 (D-030/D-031 en V07-01), zulks (telkens) met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken,

en/of

hij, op een of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 23 december 2008 tot en met 13 september 2010, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zoutkamp (gemeente De Marne), althans in Nederland en/of in Liechtenstein, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft/hebben (gemaakt) (doen maken) en/of heeft/hebben (doen afleveren)(afgeleverd) en/of voorhanden heeft/hebben (doen hebben) (gehad) een pelcontract tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D15-2), - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - bestaande dat gebruik (doen) maken en/of (doen) afleveren en/of dat (doen) voorhanden hebben hierin dat dit pelcontract ter beschikking is gesteld aan de Belastingdienst te Amsterdam en/of Zaandam en/of aan een belastingadviseur, en bestaande die valsheid daarin dat in die overeenkomst valselijk en/of in strijd met de waarheid, de datum en/of inhoud van het pelcontract was geantedateerd en/of niet juist vermeld, immers het contract is ondertekend op enig tijdstip in de periode van 23 september 2008 t/m 30 september 2009, maar gedateerd op 12 december 2007 en/of de afspraken over het omzetten van het contract naar [bedrijf 2] zijn gemaakt in april 2008, althans in 2008, en niet op 12 december 2007 (D-030/D-031 en V07-01), zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) en/of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst;

Feit 6.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2008 tot en met 13 september 2010, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zoutkamp (gemeente De Marne), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor

raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft/hebben gesteld en/of doen stellen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) een geantedateerd pelcontract tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] (D15-02) ter beschikking gesteld en/of doen stellen aan de Belastingdienst, immers is in het pelcontract valselijk en/of in strijd met de waarheid, de datum en/of inhoud geantedateerd en/of niet juist vermeld, immers het contract is ondertekend op enig tijdstip in de periode van 23 september 2008 t/m 31 januari 2009, maar gedateerd op 12 december 2007 en/of de afspraken over het omzetten van het contract naar [bedrijf 2] zijn gemaakt in april 2008, althans in 2008, en niet op 12 december 2007 (D-030/D-031 en V07-01), terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is want innerlijk tegenstrijdig nu volgens de tenlastelegging één inkomensbestanddeel tweemaal - zowel in het jaar 2007 als in het jaar 2008 - in aanmerking wordt genomen. De rechtbank verwerpt dit verweer want naar het oordeel van de rechtbank is er van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat één inkomensbestanddeel maar één keer in aanmerking kan worden genomen, maar of dit in 2007 of in 2008 moet plaatsvinden, komt in het voorliggende geval aan de orde bij de vraag of bewezen is dat verdachte het feit heeft begaan, en niet bij de formele vragen van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is.

2.2. Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman acht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging omdat er stukken en informatie uit het dossier zijn weggelaten. Wat er zij van de door de verdediging aangevoerde gronden, naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval niet worden gezegd dat sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De twee mogelijk ontbrekende, totaal zeven pagina’s omvattende documenten zijn overigens ter zitting door de officier van justitie aan de rechtbank overhandigd. De rechtbank oordeelt dan ook dat de officier van justitie ontvankelijk is.

2.3. Schorsing van de vervolging

De raadsman heeft verzocht om schorsing van de vervolging tot het moment waarop de belastingrechter zich heeft uitgelaten over het voorliggende feitencomplex, teneinde te voorkomen dat er conflicterende uitspraken worden gedaan. De rechtbank stelt vast dat voor schorsing om voornoemde reden geen wettelijke basis bestaat, overweegt daarbij dat zij in staat is om een zelfstandig oordeel te geven over de vraag of het ten laste gelegde al dan niet bewezen kan worden, en ziet daarom geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Inleiding

Verdachte is werkzaam in de garnalenhandel. Samen met zijn broer is hij met [bedrijf 3] overeengekomen om vanaf 1 maart 2007 gedurende vijf jaar voor dit bedrijf wekelijks 40.000 kilo garnalen te pellen (hierna ook: de garnalenpelovereenkomst). De pelwerkzaamheden vonden plaats in Marokko. In juni 2007 is door verdachte en zijn broer in Marokko [bedrijf 1] (hierna te noemen [bedrijf 1]) opgericht – ieder voor de helft aandeelhouder -, in welk bedrijf de garnalen gepeld worden. Op 11 december 2007 heeft [BV van verdachte] (verdachte is enig aandeelhouder daarvan) samen met zijn broer [bedrijf 2] (hierna te noemen [bedrijf 2]) gevestigd te Liechtenstein opgericht, waarin ze ieder voor de helft aandeelhouder zijn. Op 8 januari 2008 hebben verdachte en zijn broer de aandelen [bedrijf 1] verkocht aan [bedrijf 2] voor 50.000 dirham.

De belastingdienst stelt dat de winst die met de uitvoering van de garnalenpelovereenkomst is behaald, grotendeels in de Nederlandse belastinggrondslag thuishoort. In de voorliggende zaak gaat het om de vraag of verdachte of een door hem beheerste BV, door de winst uit de garnalenpelactiviteiten niet in Nederland aan te geven, over de jaren 2007 en 2008, alsmede door het niet vermelden van een zogenoemd aanmerkelijke belang, opzettelijk onjuiste belastingaangiften heeft gedaan. Daarnaast wordt verdachte valsheid in geschrift verweten en het voor raadpleging aan de belastingdienst ter beschikking stellen van een vals document.

4. Bewijs

4.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5 en feit 6 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een geldboete van € 290.000.

4.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

4.3. Vrijspraak feit 2, feit 3 en feit 6

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2, feit 3 en feit 6 ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In de tenlastelegging wordt het standpunt ingenomen dat de winst die bij de uitvoering van de garnalenpelovereenkomst is gerealiseerd zowel in de aangifte inkomstenbelasting van verdachte behoort te worden verantwoord, als in de aangifte vennootschapsbelasting van [BV van verdachte]. Met deze redactie van de tenlastelegging heeft de officier van justitie het aan de rechtbank overgelaten om een keuze te maken uit twee scenario’s: het eerste dat de pelactiviteiten voor rekening en risico van verdachte zijn ondernomen, het tweede dat de pelactiviteiten voor rekening en risico van [BV van verdachte] zijn ondernomen. Op pagina 11 van haar requisitoir motiveert de officier van justitie dat en waarom de pelwinsten in de sfeer van de vennootschap zijn opgekomen. De rechtbank is het hiermee eens. Daaruit volgt dat vrijspraak moet volgen voor zover verdachte wordt verweten dat hij de winst uit de garnalenpelovereenkomst niet in zijn aangiften inkomstenbelasting heeft vermeld.

Wat de waardering van de onderneming [bedrijf 1] en de garnalenpelovereenkomst betreft, overweegt de rechtbank het volgende.

De officier van justitie stelt dat [bedrijf 1] alleen routinematige activiteiten verricht waar slechts een beperkte winst mee wordt gegenereerd. Volgens haar moet een zakelijke beloning voor deze pelactiviteiten op ‘cost-plus basis’ worden bepaald en behoort een belangrijk deel van de winst uit de garnalenpelactiviteiten niet bij [bedrijf 1] in Marokko thuis, maar in de Nederlandse belastinggrondslag. De rechtbank is het daarmee eens. De omstandigheid dat [bedrijf 1] maar een beperkte winstcapaciteit bezit en dat de winst uit de garnalenpelovereenkomst in belangrijke mate in de Nederlandse belastingheffing moet worden betrokken, heeft evenwel tot gevolg dat ook in de aandelen [bedrijf 1] in beginsel niet meer dan een beperkt winstpotentieel schuilt. Omstandigheden die in dit geval tot een ander oordeel nopen zijn gesteld noch gebleken. Door toerekening van uit de garnalenpelovereenkomst opkomende winsten aan Nederland is ook de overdracht van dat contract van [bedrijf 1] naar [bedrijf 2] nagenoeg geheel van fiscale relevantie ontdaan. De stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting hebben de rechtbank niet tot de voor een veroordeling noodzakelijke overtuiging gebracht dat verdachte met de overdracht van aandelen in [bedrijf 1] of de overdracht van de garnalenpelovereenkomst enig voordeel uit aanmerkelijk heeft behaald. Ook uit de beslissing op bezwaar van 25 september 2012 volgt overigens dat de Belastingdienst/Noord-Holland/kantoor Alkmaar van oordeel is dat verdachte in 2007 geen inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Volgens de tenlastelegging had zowel in het jaar 2007 als in het jaar 2008 een voordeel uit aanmerkelijk belang moeten worden aangegeven. Naar het oordeel van de rechtbank daarentegen moet vrijspraak volgen voor zover verdachte wordt verweten dat hij ten onrechte niet enig inkomen uit aanmerkelijk belang in zijn aangiften inkomstenbelasting heeft vermeld.

Bij de beantwoording van de vraag of opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen onjuist is gedaan, stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voor de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (vgl. HR 23 april 1986, nr. 23 374, BNB 1986/276). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. HR 20 mei 1987, nr. 23 840, BNB 1987/208). Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat het enkele niet vermelden van het bezit van een aanmerkelijk belang - in aanmerking genomen dat het wel vermelden van dit bezit niet zou hebben geleid tot een wijziging van het bedrag van de werkelijk verschuldigde belasting - niet de gevolgtrekking rechtvaardigt dat sprake is van een onjuiste aangifte.

De slotsom is dat verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem onder de feiten 2 en 3 ten laste is gelegd.

Met betrekking tot feit 6 overweegt de rechtbank dat de belastingdienst weliswaar op enig moment in het bezit is gekomen van een pelcontract tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3], maar dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte of zijn mededader(s) dit aan de belastingdienst ter beschikking hebben gesteld of hebben doen stellen, en daarom spreekt de rechtbank verdachte ook in zoverre vrij.

4.4. Redengevende feiten en omstandigheden betrekking tot feit 1, feit 4 en feit 5

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Verdachte en zijn broer zijn beiden werkzaam in de garnalenhandel. Het bedrijf van verdachte wordt gedreven voor rekening en risico van [BV van verdachte]. Zijn broer handelde tot 1 januari 2008 voor eigen rekening en risico en vanaf genoemde datum voor rekening van [BV van broer van verdachte 1] en [BV van broer van verdachte] 2]. Verdachte was algemeen directeur van [BV van verdachte] en alleen/zelfstandig bevoegd om deze vennootschap te vertegenwoordigen.

Met dagtekening 21 november 2006 sloten verdachte en zijn broer een ‘pelcontract’ met [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3]), waarbij zij zich jegens [bedrijf 3] verbonden om gedurende 5 jaren á € 2,85 per kilo grote hoeveelheden garnalen te pellen. Voor de uitvoering van deze pelwerkzaamheden hebben verdachte en zijn broer in Marokko de rechtspersoon [bedrijf 1] opgericht. Tot 8 januari 2008 hielden verdachte en zijn broer alle aandelen in [bedrijf 1]. Vervolgens hebben [broer verdachte] en [BV van verdachte] ieder de helft van de aandelen in de [bedrijf 2] verworven. De jaarrekening 2008 van [bedrijf 1] vermeldt [bedrijf 2] als aandeelhouder. Middels een nieuw pelcontract met [bedrijf 3] met dagtekening 12 december 2007 zijn de pelactiviteiten ondergebracht in [bedrijf 2]. Dit nieuwe pelcontract is volgens de directeur van [bedrijf 3] [naam directeur] pas begin 2009 ondertekend. Voortaan factureerde [bedrijf 2] aan [bedrijf 3] á € 2,85 per kilo, en [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] voor € 1,55 per kilo.

De broer van verdachte heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting jaar 2007 winst verantwoord in verband met door hem genoten inkomsten uit de garnalenpelovereenkomst, welk bedrag overeenkomt met € 0,40 per kilo garnaal.

Verdachte en zijn broer hebben in het document 'Regels voor garnalen - [naam] voorschriften geformuleerd waar [bedrijf 1] en de door [bedrijf 1] geworven garnalenpellers waren gehouden en hielden onder meer het volgende in:

“(…)03. Steeds aan het einde van de week moeten wij de stand van uw rekening bij Credit Agricole hebben.

04. Steeds aan het eind van elke week moeten wij het aantal gepelde kilogrammen weten en hoeveel kilogram niet is gepeld, en hoeveel vrouwen.

06. Als iemand de regelt niet opvolgt krijgt hier drie keer een waarschuwing waarna hij eruit vliegt, deze regels gelden ook voor de beheerder.

11. We moeten alle informatie per e-mail hebben als wij drie keer geen informatie ontvangen zullen wij maatregelen nemen (zie bij regel 6).

12. Er zal onaangekondigde controle in de fabriek plaatsvinden, als er drie keer problemen zijn en het probleem is na drie keer niet opgelost, zal de beheerder verantwoordelijk worden gehouden en zijn baan verliezen.

16. Als er een nieuwe lading garnalen is, moeten wij weten hoeveel garnalen er in een kilogram gaan, dus iedere keer als wij informatie hebben over gepelde garnalen moeten wij ook weten hoeveel garnalen er in een kilogram gaan en wat het percentage is. (…)”

Uit de aantekeningen van bijlage D-066 blijkt hoe de pellerij werd ingericht en wat de - soms dagelijks bijgehouden - productiecijfers zijn. Verdachte heeft zelf ook in zijn agenda het opstarten van de pellerij bijgehouden, waarbij hij op 13 april 2007 noteert dat het tegenvalt, er niet veel gepeld is en dat dit anders moet. Ook bevinden zich in de bijlagen D-067, D-068 en D-069 stukken waarin de broer van verdachte aan [naam Marokkaanse medewerker] toestemming geeft om bepaalde betalingen te verrichten. Verdachte en zijn broer wonen beiden in Nederland en hebben ter terechtzitting verklaard dat zij alleen een aantal keren naar Marokko zijn afgereisd om aldaar hun investering te bekijken.

Ter terechtzitting heeft de officier een schriftelijk bescheid overgelegd waaruit volgt dat de Belastingdienst over de jaren 2007 en 2008 van [BV van verdachte] winsten uit het pelcontract navordert ten bedrage van € 38.117 (2007) respectievelijk € 239.546 (2008).

4.5. Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1, feit 4.

De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of er redenen zijn om de winst behaald met de garnalenpelovereenkomst geheel of gedeeltelijk tot de Nederlandse belastinggrondslag te rekenen. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.

De garnalen werden weliswaar in Marokko gepeld, maar de rechtbank leidt uit bovengenoemde stukken af dat de pellerij vanuit Nederland werd bestuurd en gecontroleerd. Verdachte en zijn broer wonen beiden in Nederland en hebben ter terechtzitting verklaard dat zij alleen een aantal keren naar Marokko zijn afgereisd om in de pellerij te gaan kijken. Dat in zakelijke verhoudingen voor die werkzaamheden een vergoeding op zijn plaats is, volgt uit de omstandigheid dat de broer van verdachte in 2007 voor zichzelf heeft bedongen dat hij in Nederland, waar hij zijn werkzaamheden verrichte, € 0,40 per kilo garnalen zou ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat een zakelijke vergoeding voor de door verdachte in Nederland verrichte werkzaamheden ter zake van de garnalenpelovereenkomst.

Verdachte behoorde evenbedoeld bedrag in zijn Nederlandse belastingaangifte te verantwoorden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte dit opzettelijk heeft nagelaten. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte mocht afgaan op het advies van [advieskantoor 1] van 15 september 2005, nu dit overgelegde advies betrekking heeft op de juridische structuur en niet op de vraag waar de winst moest vallen. Dat de winst in Marokko behoorde te vallen, een standpunt dat verdachte ter terechtzitting heeft ingenomen, valt niet te rijmen met (i) de omstandigheid dat zijn broer voor zichzelf in Nederland een vergoeding van € 0,40 per kilo heeft bedongen, en (ii) het vervolgens verplaatsen van de winsten naar Liechtenstein. De laatste omstandigheid illustreert naar het oordeel van de rechtbank het cosmetisch karakter van de belastingconstructie: zonder enige wijziging in de relevante feiten en omstandigheden en met een simpele pennenstreek wordt winst verplaatst van Marokko naar een jurisdictie waarin verdachte zich behaaglijker voelt.

Een winst van € 0,40 per kilogram garnalen levert bij het onderhavige pelcontract zowel in absolute als relatieve zin een omvangrijk bedrag aan verschuldigde vennootschapsbelasting op. Uit de ter terechtzitting overgelegde beslissing op bezwaar volgt dat het om een winst ging van (€ 38.117 + € 239.546 =) € 277.663. Bij het toentertijd geldende Vpb-tarief leidt dit tot een omvangrijk bedrag aan belasting. De slotsom is dat sprake is van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte.

De vraag of verdachte hier als dader van de hem verweten gedragingen kan worden aangemerkt beantwoordt de rechtbank bevestigend, gelet op het volgende. De winsten zijn opgekomen in de sfeer van [BV van verdachte]. Verdachte is daarvan enig bestuurder en in die rol heeft hij de pelovereenkomst gesloten. Het behoorde tot de normale bedrijfsvoering van de BV dat er jaarlijks belastingaangifte werd gedaan. Verdachte liet dit feitelijk over administratiekantoor [advieskantoor 2] te Volendam en verstrekte daartoe de benodigde gegevens. Verdachte heeft de onderhavige fraude zelf geëntameerd en als bestuurder aanvaard en is daarvoor als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk.

Wat betreft feit 5 acht de rechtbank gelet op de e-mailwisseling tussen [naam medewerkster bedrijf 3] van [bedrijf 3] en [naam Liechtensteinse medewerker ] van Allgemeines Treuunternehmen in de periode van 23 december 2008 en 8 januari 2009 alsmede gezien de verklaring van [naam directeur], directeur van [bedrijf 3], bewezen dat eerst op of na 8 januari 2009 een pelcontract tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 2] is ondertekend en dat, met andere woorden, de datum van 12 december 2007 op het contract tussen deze twee partijen geantedateerd is. De rechtbank acht voorts bewezen dat dit is gebeurd met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte, al dan niet tezamen met anderen, ook daadwerkelijk opzettelijk gebruik heeft gemaakt van dit contract, het contract heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, en daarom zal de rechtbank zal verdachte van dit deel van feit 5 vrijspreken.

4.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1

[BV van verdachte], op of omstreeks 14 september 2009, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 2007 (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft laten doen, immers heeft [BV van verdachte] opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2007, te weinig winst doen laten vermelden, immers is de winst die is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] (gedeeltelijk) niet aangegeven, aangezien deze (op basis van transfer pricingsregels berekende) winst tot enig bedrag niet is aangegeven/opgenomen, terwijl dit feit er toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven hebbende hij, verdachte, tot het vorenstaande feit opdracht gegeven en/of feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging.

Feit 4.

[BV van verdachte], op of omstreeks 11 juni 2010 en/of op of omstreeks 13 juni 2010, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de vennootschapsbelasting over het jaar 200, (gedeeltelijk) onjuist en/of onvolledig heeft laten doen, immers heeft [BV van verdachte] opzettelijk op het bij de Belastingdienst te Zaandam ingeleverde aangiftebiljet over het jaar 2008, te weinig winst doen laten vermelden, immers is de winst die is behaald met de garnalenpelwerkzaamheden als bedoeld in het pelcontract tussen [verdachte]/[bedrijf 2] en [bedrijf 3] niet aangegeven, aangezien deze (op basis van transfer pricingsregels berekende) winst tot enig bedrag niet is aangegeven/opgenomen, terwijl dat feit er toe heeft gestrekt, dat te weinig belasting werd geheven, hebbende hij, verdachte, tot de/het vorenstaande feiten opdracht gegeven en feitelijke leiding gegeven aan de vorenstaande verboden gedragingen;

Feit 5.

hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 december 2008 tot en met 30 september 2009, te Volendam (gemeente Edam-Volendam) en/of te Zoutkamp (gemeente De Marne), en/of in Liechtenstein, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een pelcontract tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk hebben opgemaakt of doen laten opmaken, immers hebben verdachte en zijn mededaders in strijd met de waarheid de datum van het pelcontract geantedateerd , immers het contract is ondertekend op enig tijdstip in de periode van 23 september 2008 t/m 30 september 2009, maar gedateerd op 12 december zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij tot het plegen van het feit opdracht heeft gegeven;

Ten aanzien van feit 5:

Valsheid in geschrift.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Getuige het stuk “Mijn koers” van de hand van de broer van verdachte is er tussen verdachte en zijn broer discussie geweest over de vraag in welk land er belasting moest worden geheven over de winst die zij per kilo gepelde garnalen maakten. Verdachte wilde blijkens “Mijn koers” deze winst laten vallen in Marokko of Zwitserland, zijn broer wilde dit in Nederland doen en heeft dat blijkens zijn belastingaangifte over het jaar 2007 ook daadwerkelijk gedaan. Verdachte wist derhalve dat hij in Nederland aangifte moest doen van de winst uit het pelcontract. Door dat niet te doen heeft verdachte zich kort gezegd schuldig gemaakt aan belastingontduiking. Immers heeft verdachte over meerdere jaren de belastingaangiften onjuist en onvolledig gedaan, terwijl die handelingen er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven. De inkomsten die hij uit zijn bedrijf, een garnalenhandel, heeft genoten heeft hij op deze manier voor de Nederlandse fiscus verborgen gehouden. Met deze onrechtmatige verrijking heeft verdachte bijgedragen aan het, via de fiscus, onthouden van grote geldbedragen aan de algemene middelen van de Nederlandse Staat. Door zijn handelwijze draagt verdachte niet alleen bij aan het toebrengen van financieel nadeel aan de samenleving, maar ook aan het ondermijnen van de belastingmoraal. De rechtbank rekent het verdachte bijzonder zwaar aan dat hij daarbij bovendien zijn broer heeft betrokken, temeer nu zijn broer in eerste instantie wel de door hem gemaakte winsten heeft opgegeven aan de Belastingdienst.

Gelet op de aard van het delict, dat louter lijkt ingegeven te zijn door financiële motieven, zal de rechtbank verdachte onder meer een geldboete van na te noemen hoogte opleggen. Uit de uit het onderzoek ter terechtzitting verkregen informatie met betrekking tot de financiële situatie van verdachte lijkt daarvoor geen contra-indicatie aanwezig. De rechtbank verwijt verdachte bovendien dat hij voor het buiten het zicht houden van de winsten een contract heeft geantedateerd, waardoor de fiscus ook gehinderd werd in het vaststellen van de feitelijke situatie.

De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9.Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1, feit 3 en feit 6 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder feit 2, feit 4 en feit 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2, feit 4 en feit 5 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (zegge: twee) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (zegge: tweehonderdveertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van € 50.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. J. Snitker en mr. A. van Dongen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 oktober 2012