Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX8524

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-08-2012
Datum publicatie
07-03-2013
Zaaknummer
195197 / JU RK 12-1006
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2759, Overig
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vots afgewezen. Het probleem dat de minderjarigen niet worden toegelaten tot voor hen passend onderwijs is langlopend. De kinderrechter is daarom van oordeel dat niet voldaan is aan het criterium van een dringende en onverwijlde noodzaak als bedoeld in artikel 1:255 BW, zodat het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling dient te worden afgewezen.

Vooropgesteld dient te worden dat het thuiszitten van de minderjarigen alle betrokkenen grote zorgen baart en door niemand in hun belang wordt geacht. Ondanks de wil van betrokkenen om zich in te zetten voor toelating van de minderjarigen tot passend onderwijs, ontbreekt het tot heden echter aan samenwerking tussen de ouders en de Raad. Verzoek ots aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: 195197 / JU RK 12-1006

tussenbeschikking van de kinderrechter van 23 augustus 2012

naar aanleiding van een verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

strekkende tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats],

roepnaam: [naam kind 1],

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats],

roepnaam: [naam kind 2],

verblijvende bij de moeder,

kinderen van

[naam moeder], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de moeder,

en

[naam vader], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de vader.

Het gezag over de minderjarigen wordt uitgeoefend door de moeder.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad, ingekomen op 21 augustus 2012;

- de brief, met bijlagen, van mr. Slump van 22 augustus 2012;

- de brief van mr. Slump van 23 augustus 2012, met pleitnotities als bijlage.

1.2 De kinderrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 23 augustus 2012.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de ouders;

- mr. K.J. Slump, kantoorhoudende te Leersum, advocaat van de ouders en minderjarigen, vergezeld door mr. G.W.L.M. Dammers-Wubbe;

- de Raad, vertegenwoordigd door de heer W.R. Daalderop en de heer R. Bakker;

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, locatie Hoofddorp, vertegenwoordigd door de heer F.W. Louwersheimer en mevrouw H. Lowijs;

- de heer [naam] van de Wereldschool.

1.3 De minderjarigen zijn in raadkamer gehoord, in aanwezigheid van hun advocaat mr. K.J. Slump.

2 Verzoek

2.1 Bij verzoekschrift van 21 augustus 2012 heeft de Raad verzocht voornoemde minderjarigen met ingang van 23 augustus 2012 onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en hen daaraan voorafgaand met ingang van 23 augustus 2012 voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.

2.2 Ter zitting van 23 augustus 2012 heeft de Raad heeft verzocht de voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken en een datum te bepalen voor de behandeling van de definitieve ondertoezichtstelling. De Raad heeft verklaard dat hij tot heden geen goed onderzoek heeft kunnen doen en geen volledig beeld heeft kunnen krijgen van de minderjarigen. Daarom vindt hij een aanvullend raadsonderzoek nodig.

2.3 De Raad heeft voorts toegelicht dat de voorlopige ondertoezichtstelling dringend en onverwijld noodzakelijk is als gevolg van het voorgenomen vertrek van de minderjarigen. De Raad heeft geen bezwaar tegen de zeiltocht als zodanig. Door het zeilen zijn de minderjarigen echter onbeschikbaar voor onderzoek en daarin ziet de Raad een bedreiging.

3 Verweer

3.1 De ouders hebben ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzochte. Zij zien geen noodzaak tot het gedwongen hulpverleningskader omdat zij hun uiterste best doen om een einde te maken aan het thuiszitten van de minderjarigen. De ouders zijn bereid tot samenwerking en willen graag hulp bij het zoeken naar een oplossing. Zij twijfelen echter aan de toegevoegde waarde van het gedwongen hulpverleningskader; een gezinsvoogd heeft volgens hen niet meer mogelijkheden dan zijzelf bij het zoeken naar een passende school die de minderjarigen zou accepteren.

3.2 Namens ouders is uitdrukkelijk de dringende noodzaak tot een voorlopige maatregel weersproken. De zeilplannen van de minderjarigen zijn sinds begin april 2012 bekend bij de Raad en het probleem dat zij niet naar school kunnen speelt nog veel langer.

4 Beoordeling

4.1 Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet gebleken dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is om de minderjarigen, hangende een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de (definitieve) ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht te stellen.

4.2 De motieven van de zeiltocht zijn ter zitting duidelijker geworden. De minderjarigen gaan kustzeilen om aandacht te vragen voor het probleem van henzelf en dat van veel andere kinderen om passend onderwijs te krijgen. Niet in geschil is dat hun veiligheid daarbij is gewaarborgd. Dit project betekent voor de minderjarigen een positieve ervaring en maakt het bovendien mogelijk dat zij na een lange tijd weer onderwijs krijgen via de Wereldschool.

De kinderrechter constateert daarom dat er op dit moment geen acute problemen zijn. Het probleem dat de minderjarigen niet worden toegelaten tot voor hen passend onderwijs is langlopend. De kinderrechter is daarom van oordeel dat niet voldaan is aan het criterium van een dringende en onverwijlde noodzaak als bedoeld in artikel 1:255 BW, zodat het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling dient te worden afgewezen.

4.3 Het verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling zal overeenkomstig het verzoek van de Raad ter zitting worden aangehouden. In verband met dat verzoek is het volgende van belang. Vooropgesteld dient te worden dat het thuiszitten van de minderjarigen alle betrokkenen grote zorgen baart en door niemand in hun belang wordt geacht. Ondanks de wil van betrokkenen om zich in te zetten voor toelating van de minderjarigen tot passend onderwijs, ontbreekt het tot heden echter aan samenwerking tussen de ouders en de Raad.

4.4 De ouders zien de Raad – mogelijk als gevolg van ervaringen met andere instanties – als tegenstander, terwijl samenwerking geboden is. De Raad heeft tot nog toe onvoldoende onderzoek kunnen doen omdat de ouders daaraan tot heden slechts zeer beperkt hun medewerking hebben verleend. Het gesprek van de Raad met de minderjarigen kon niet plaatsvinden, terwijl dat noodzakelijk is om de vraag naar de ontwikkelingsbedreiging te kunnen beantwoorden. Hetzelfde geldt voor het benaderen van informanten door de Raad. Het is noodzakelijk dat de ouders meewerken met de informatieverstrekking aan de Raad, zodanig dat de Raad zijn wettelijk opgedragen taak kan uitvoeren. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de Raad eventuele voorstellen van ouders omtrent door de Raad te consulteren informanten in overweging zal nemen.

4.5 Aangezien de mogelijke ontwikkelingsbedreiging, het thuiszitten en de gevolgen daarvan, de problematiek van de minderjarigen en het vinden van passend onderwijs nauw samenhangen, geeft de kinderrechter aan de Raad en ouders in overweging om het onderzoek naar deze aspecten – zo mogelijk – in één onderzoek te laten samenvallen. Het onderzoek moet in ieder geval alle vragen beantwoorden die nodig zijn om een antwoord te geven op de vraag of de minderjarigen zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald. Daarnaast is wenselijk dat het onderzoek een oplossing(srichting) aanreikt voor het probleem van de minderjarigen dat zij al geruime tijd geen (passend) onderwijs volgen. Daarbij wijst de kinderrechter ouders erop dat een uitputtende verantwoording van de onderzoeksvragen vooraf niet altijd mogelijk is, al was het maar omdat de uitkomst van het onderzoek onzeker is.

4.6 Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de noodzaak tot (definitieve) ondertoezichtstelling op dit moment nog niet kan worden beoordeeld.

De ouders hebben zich ter zitting uitdrukkelijk bereid verklaard mee te werken aan het raadsonderzoek en open te staan voor samenwerking met instanties. In dat verband hebben ouders ter zitting verklaard dat de zeiltocht van de minderjarigen zal duren totdat zij (terug) naar school kunnen. Daarna zullen zij hun actie om aandacht te vragen voor het probleem dat veel kinderen niet kunnen beschikken over passend onderwijs, in het weekend en in de vakanties voortzetten. Tijdens de tocht blijven de minderjarigen bereikbaar en beschikbaar voor het nodige onderzoek.

De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de behandeling van het verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling aan te houden voor de duur van ongeveer drie maanden.

De Raad wordt in die periode in de gelegenheid gesteld om alsnog onderzoek te doen naar mogelijke ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen. De kinderrechter verwacht dat de Raad bij zijn onderzoeksconclusie aangeeft welke concrete stappen moeten worden ondernomen om door hem geconstateerde bedreigingen weg te nemen en te beschrijven in welke zin een ondertoezichtstelling daarbij van nut kan zijn.

De ouders worden in die periode in de gelegenheid gesteld om mee te werken aan het nodige onderzoek zoals hierboven aangegeven. De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij de betrokkenheid van de Raad benutten en dat zij voor de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de minderjarigen zorgen als de Raad die nodig acht.

4.7 De Raad heeft op 23 augustus 2012 nadat de uitspraak telefonisch is doorgegeven, verzocht te bepalen dat hoger beroep van deze tussenbeschikking mogelijk is, wat betreft de aanhouding van de (definitieve) ondertoezichtstelling. De kinderrechter ziet daarvoor geen aanleiding.

5 Beslissing

De kinderrechter:

5.1 Wijst af het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling.

5.2 Houdt de behandeling van het verzoek tot (definitieve) ondertoezichtstelling aan tot 3 december 2012 pro forma.

5.3 Bepaalt dat de (aanvullende) rapportage inzake het verzoek tot definitieve ondertoezichtstelling van de minderjarigen uiterlijk op 19 november 2012 bij de rechtbank ontvangen dient te zijn.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van A. Hausenblasová, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2012.