Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX7307

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
AWB 12/677
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering budget toegekend ingevolge de Wet particpatiebudget. Indien uit de verantwoordingsinformatie blijkt dat de uitkering niet volledig of onrechtmatig is besteed, dient de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel te worden teruggevorderd. Gelet op de imperatieve formulering van artikel 17a van de Financiële verhoudingswet is de datum 15 juli een uiterste of fatale termijn voor het inleveren van de verantwoordingsinformatie.Voor verweerder bestaat geen verpichting om de ingediende verantwoording zelf op juistheid te controleren. Verweerder heeft consistent gedragslijn toegepast dat niet-verwijtbare fouten vóór 1 oktober kunnen worden. Gelet op de verstrekte verantwoordingsinformatie moet het niet volledig dan wel onrechtmatig besteden van deze bedragen worden aangenomen. Geen enkele ruimte voor een belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 - 677

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2012

in de zaak van:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

eiser,

gemachtigde: mr. B.J.P. Roozendaal, advocaat te Breda,

tegen:

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder,

gemachtigden: mr. H.P.M. Schenkels en M. Bochallati.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder een deel van het voor 2009 toegekende budget ingevolge de Wet participatiebudget (Wpb) van eiser teruggevorderd. Het betreft een bedrag van € 2.561.795,-.

Bij besluit van 5 januari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 24 mei 2012. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was namens eiser aanwezig [naam 1] en [naam 2]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser heeft op 1 juli 2010 de bijlage bij de jaarrekening over het verantwoordingsjaar 2009 bij verweerder ingediend. Hiermee is de verantwoordinginformatie verstrekt betreffende de Wpb (specifieke uitkering nr. 82), voorzien van een verklaring van de accountant. Op 22 december 2010 heeft eisers accountant een aanvullende verklaring opgesteld, en op 3 januari 2011 is een herziene opgave met een assuranceverklaring van de accountant ingediend bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Op 25 mei 2011 heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 2.561.795,- terecht is teruggevorderd omdat, gelet op de door eiser op 1 juli 2010 ingediende verantwoordingsinformatie, voor het bedrag van € 1.255.734,- de rechtmatigheid van de besteding niet kan worden vastgesteld, en eiser voor een bedrag van € 1.306.061,- de reserveringsregeling heeft overschreden.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verantwoordingsinformatie zoals ingediend op uiterlijk 15 juli 2010 in redelijkheid als uitgangspunt voor de terugvordering heeft mogen dienen. Indien de rechtmatigheid van de besteding niet kan worden verantwoord is de besteding onrechtmatig. Het wettelijke stelsel van budgettoekenning en verantwoording laat niet toe dat met feiten die in de loop van 2010 blijken alsnog rekening wordt gehouden, aldus verweerder.

Daarbij heeft verweerder de door eiser eind december 2010 ingediende herziene opgave 2009, waarin een verantwoordingsfout wordt vermeld die door eiser gesteld wordt op € 179.700,-, niet bij de beoordeling betrokken omdat deze niet binnen een redelijke termijn na 15 juli 2010 is ingediend.

2.3 Eiser is het oneens met de terugvordering. In bezwaar en beroep heeft eiser aangevoerd dat verweerder de aanvullende informatie had dienen te betrekken bij de primaire besluitvorming.

De onzekerheid van het teruggevorderde bedrag van € 1.255.734,- was door deze informatie opgeheven, aldus eiser. De rechtmatigheid van bepaalde bestedingen kon in eerste instantie niet worden vastgesteld omdat eiser afhankelijk was van informatie van derden, die op dat moment niet voorhanden was. Tevens bleek sprake van een verantwoordingsfout van € 179.700,-. De vermelding van € 0,- bij de lasten werkdeel 2008 hadden door verweerder moeten worden beschouwd als een kennelijke verschrijving. Het lag immers niet in de rede dat een gemeente met een omvang als Haarlem niet met dergelijke kosten zou zijn geconfronteerd. Eiser wijst erop dat het CBS heeft nagelaten om dit onderdeel van de opgave als niet-plausibel aan te merken, zodat een tijdige correctie kon plaatsvinden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wpb legt het college verantwoording af aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) over de uitvoering van deze wet, op de wijze, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet (hierna: Fvw).

2.5. In artikel 17a, eerste lid, van de Fvw is bepaald dat gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders de informatie ten behoeve van de verantwoording over de uitvoering van de regeling van een specifieke uitkering uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het begrotingsjaar aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: BZK) zenden in de vorm van:

a. de jaarrekening en het jaarverslag, bedoeld in artikel 202, eerste lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 198, eerste lid, van de Gemeentewet, en

b. de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen, bedoeld in artikel 217, derde en vierde lid, van de Provinciewet, onderscheidenlijk artikel 213, derde en vierde lid, van de Gemeentewet.

2.6. In de Nota procedure aanlevering jaarstukken versie Circulaire SiSa 2009 (de Sisa-nota) staat onder meer beschreven op welke wijze de ingediende jaarstukken kunnen worden herzien nadat deze bij het CBS zijn ingediend en plausibel verklaard. Eventuele correcties op de verantwoordingsinformatie dienen tijdig te worden ingediend bij de minister van BZK, waarna deze worden doorgezonden naar het betreffende vakdepartement.

2.7. De SiSa-nota heeft tot doel de verantwoordings- en controlelasten voor gemeenten en provincies te verminderen, door enerzijds minder verantwoordingsinformatie te eisen en anderzijds door minder diepgaande accountantscontrole te verrichten op regelingniveau. Uitgangspunt is dat op één moment per jaar de informatie door de gemeente wordt aangeleverd, die wordt voorzien van een accountantsverklaring, waarmee de aanlevering van gegevens wordt geacht te zijn gecontroleerd. De gegevens gaan naar het CBS die vervolgens al dan niet het predicaat ‘plausibel’ toekent.

2.8. Gelet op de imperatieve formulering van artikel 17a, eerste lid Fvw, acht de rechtbank de datum 15 juli een uiterste of fatale termijn voor het inleveren van de verantwoordingsinformatie. Een dergelijke uitleg sluit ook aan bij de praktijk. Het gehele financieringsproces is gebaseerd op de ingediende verantwoordingsinformatie. De gegevens worden door verweerder benut voor het vaststellen van de toekenning voor het komende begrotingsjaar, waarvoor de informatie in beginsel uiterlijk op 1 oktober beschikbaar dient te zijn. Indien deze werkwijze zou worden losgelaten en de door eiser ingediende informatie alsnog zou worden meegenomen, dan zou de datum 15 juli zijn betekenis verliezen en zou het het financieringsproces op ontoelaatbare wijze worden doorkruist.

2.9. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat er aanleiding kan zijn om in overmachtsituaties anders te oordelen (in artikel 17b Fvw is ook een regeling opgenomen voor overmacht), maar van een dergelijke situatie is in dit geval feitelijk geen sprake.

2.10. Ook kan de stelling van eiser dat verweerder op grond van de Sisa-nota rekening had dienen te houden met herstel van fouten niet worden gevolgd. Zoals verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen bestaat in de geldende wetgeving geen verplichting voor verweerder om de ingediende verantwoording zelf op juistheid te controleren. In de geldende systematiek van artikel 17a Fvw is nu juist gekozen voor een (eenmalige) accountantscontrole (single audit) op het niveau van de lagere overheid zelf. De aldus bij verweerder aangeleverde, gecontroleerde informatie vormt het uitgangspunt voor verdere besluitvorming door verweerder. Uit deze systematiek vloeit voort dat een correctie uiterst snel moet worden ingediend, indien het Sisa model wordt gevolgd vóór 15 juli. Daarbij is het aan eiser, als professioneel uitvoerder, om de juiste verantwoordingsinformatie aan te leveren.

2.11. Ter zitting heeft verweerder toegelicht de gedragslijn te hanteren dat fouten binnen redelijke termijn kunnen worden hersteld, dat wil zeggen vóór 1 oktober van hetzelfde jaar. Voorts houdt verweerder aan dat sprake dient te zijn van een niet verwijtbare fout, zoals een kennelijke schrijffout.

2.12. In aanmerking genomen dat het departement na 1 oktober aan de slag moet met de informatie die door de gemeenten wordt verstrekt, en daarbij van de correctheid van deze gegevens dient uit te gaan, acht de rechtbank deze gedragslijn niet onredelijk. De rechtbank tekent daarbij aan dat zij een dergelijke gedragslijn slechts terughoudend kan toetsen.

2.13. Vast staat dat de fout is hersteld in januari 2011, derhalve na 1 oktober, zodat verweerder de gedragslijn consistent heeft toegepast. Van verweerder kan dan ook niet vanwege de gedragslijn worden verwacht deze informatie alsnog te betrekken bij de besluitvorming.

2.14. Daargelaten het in 2.11 en 2.12 overwogene wordt ten aanzien van de post van € 1.255.734,- overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een niet-verwijtbare fout. Eiser kon ten tijde van het indienen van de verantwoordingsinformatie de rechtmatigheid van de bestedingen niet verantwoorden, maar heeft de keuze gemaakt de verantwoording aldus in te leveren.

Ook ten aanzien van de post van € 179.700,- wordt overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een niet-verwijtbare fout. Voor zover eiser stelt dat het CBS de post niet als plausibel had mogen aanmerken en dat verweerder de post als kennelijke fout had moeten aanmerken, wordt opgemerkt dat de verantwoordelijkheid hiervoor primair bij eiser en zijn accountant ligt. Gelet daarop, en op de single-audit systematiek, kan deze stelling niet worden gevolgd.

2.15. Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder alvorens de (discretionaire) bevoegdheid tot terugvordering uit te oefenen een belangenafweging had moeten maken.

2.16. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wpb wordt, indien uit de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Fvw, blijkt dat de uitkering, bedoeld in artikel 2, niet volledig of onrechtmatig is besteed, de uitkering ter hoogte van het niet of onrechtmatig bestede deel door Onze Minister van (hierna: SZW) teruggevorderd. Onze Minister van SZW doet binnen een jaar na ontvangst van de verantwoordingsinformatie mededeling van de terugvordering aan het college.

2.17. Gelet op de door eiser verstrekte verantwoordingsinformatie, waarbij € 179.700,- niet is opgegeven en de verklaring van de accountant dat de rechtmatigheid van de besteding van € 1.255.734,- niet kan worden vastgesteld, moet het niet volledig dan wel onrechtmatig besteden van deze bedragen worden aangenomen. Uit de formulering van het tweede lid van artikel 4 van de Wpb blijkt voor verweerder in een dergelijk geval geen enkele ruimte voor een belangenafweging.

2.18. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. W.J.A.M. van Brussel en H. Tijselink, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.

de griffier De voorzitter is buiten staat de uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.