Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2012:BX7238

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
12-09-2012
Zaaknummer
193235 - KG ZA 12-288
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geschil over beëindiging exclusieve distributieovereenkomst.

Gedaagde is in Zwitserland gevestigd en partijen hebben in de distributieovereenkomst een arbitrage-clausule opgenomen, inhoudende dat alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen voor een Zwitsers scheidsgerecht zullen worden beslecht. Voorts hebben partijen in die overeenkomst een rechtskeuze voor Zwitsers recht gedaan. Gevolg hiervan is dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot die overeenkomst slechts haar grond kan vinden in artikel 24 EEX. Het gevorderde voorschot op de schadevergoeding is niet een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX, tenzij is voldaan aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 17 november 1998 (Van Uden/Deco; LJN: AD2958) genoemde voorwaarden. Aan deze voorwaarden is niet voldaan, nu door eiseres geen garantie is gegeven dat een eventueel toegewezen bedrag door haar zal worden terugbetaald en niet is gebleken dat de geldvordering betrekking heeft op vermogensbestanddelen van gedaagde die zich binnen Nederland (zullen) bevinden. De vordering tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding is derhalve niet als een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX is aan te merken, zodat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding kennis te nemen. Het feit dat gedaagde in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te betwisten doet aan het voorgaande niet af, nu een dergelijke verschijning niet volstaat om op grond van artikel 18 EEX een dergelijke bevoegdheid aan te nemen (zoals overwogen in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 27 april 1999 (Mietz/Intership; LJN: AD 3042, r.o. 52).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 193235 / KG ZA 12-288

Vonnis in kort geding van 18 juli 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MARTINSHOF B.V.,

gevestigd te Zaandam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. E.H.M. Bieleveld,

tegen

1. de vennootschap naar Zwitsers recht

RAYMOND WEIL S.A.,

gevestigd te Genève, Zwitserland

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.T. Eisenmann,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

S. WEISZ-UURWERKEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M. Ellens.

Partijen zullen hierna Martinshof, Raymond Weil en Weisz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie met producties van de zijde van Raymond Weil

- de bij brief van 6 juli 2012 van mr. Ellens overgelegde producties van de zijde van Weisz

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Martinshof

- de pleitnota van Raymond Weil

- de pleitnota van Weisz.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Raymond Weil is een Zwitsers bedrijf dat zich toelegt op het ontwerp, de ontwikkeling en de productie van horloges van het eigen merk ‘Raymond Weil’ in het luxe marktsegment.

2.2. Martinshof is vanaf 1993 de vaste en exclusieve distributeur van Raymond Weil in Nederland.

2.3. De meest recente “Distribution Agreement” tussen Martinshof en Raymond Weil dateert van 12 juli 2010 (hierna: de Overeenkomst). De Overeenkomst bevat – voor zover hier van belang – de volgende bepalingen:

“[…]

3. PURPOSE OF THE CONTRACT

3.1 By this Contract, and for its entire Term, RW grants tot MARTINSHOF, who accepts it, an exclusive right to distribute the Products in de Territory (Schedule 1) to its Authorized Dealers (Schedule 5).

[…]

13. TERM OF THE CONTRACT

The Contract shall be entered into with retrospective effect as and from January 1, 2010 […] and shall remain valid until March 31, 2013 […].

[…]

14. EARLY TERMINATION OF THE CONTRACT

Each party may terminate this Contract with immediate effect, by notice given in writing, in the following cases:

14.1.a (a) Substantial breach by the other Party of the obligations arising out of this Contract, or

14.1.b (b) Arising out of one of the following exceptional circumstances of contractual breaches

14.1.b.i Any failure by a Party to carry out of part of its obligations under this Contract, substantially depriving the other Party of what it is entitled to expect under thisContract. The Parties agree that the non-conformance with Articles 3, 6.3, 7, 7.3, 8, 10, 12, 16.5 constitutes a substantial breach of the Contract. Any violation of the other contractual obligations may be considered a substantial breach if such violation is repeated of is not remedied within 30 (thirty) days after notice by registered international mail with return receipt had been given to the defaulting Party, in effect as of the postmark.

[…]

15. EFFECT OF TERMINATION OF EXPIRATION OF THE CONTRACT

[…]

15.6 At the End of this Contract, RW will have the right, at its option, to repurchase and MARTINSHOF shall agree to sell all or part of MARTINSHOF’s Horological Products stock. If RW decides to exercise its option, the repurchase price of the stock shall be calculated as per the provisions of Schedule 7.

[…]

17. GOVERNING LAW - ARBITRATION

This Contract is governed by and shall be construed in accordance with Swiss law.

All disputes arising out of or in connection with the Contract, which could not be settled amicably, shall be contested for final settlement by means of arbitration in accordance with the provisions of Chapter 12 (International Arbitration) of the Swiss Private International Law Act of December 18, 1987. […].”

2.4. Eind februari/begin maart 2012 heeft Raymond Weil Martinshof laten weten de distributieovereenkomst te willen beëindigen.

2.5. Martinshof heeft bij brief van 8 maart 2012 aan Raymond Weil laten weten dat zij slechts bereid is akkoord te gaan met vroegtijdige beëindiging van de distributieovereenkomst per 1 april 2012 onder een aantal voorwaarden, waaronder het terugkopen door Raymond Weil van de huidige voorraad tegen 75% van de meest recente prijslijst en een financiële bijdrage van Raymond Weil aan Martinshof van CHF 400.000,-. Raymond Weil heeft deze voorwaarden niet geaccepteerd.

2.6. Op 27 maart 2012 heeft Raymond Weil middels een ‘Formal notice of breach of contract’ in gebreke gesteld wegens het niet nakomen van diverse uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen, waaronder het niet verstrekken van een media marketing plan, de te lage verkoopdoelstellingen voor 2012, het niet tijdig plaatsen van orders, het niet verstrekken van de maandelijkse omzet rapportages en het niet optreden tegen een geautoriseerde dealer die Raymond Weil producten tegen te lage prijzen via internet verkocht. Raymond Weil heeft Martinshof dertig dagen de tijd gegeven de verplichtingen alsnog te komen.

2.7. Op 2 mei 2012 heeft Raymond Weil de Overeenkomst met Martinshof middels een ‘Formal notice of termination’ met onmiddellijke ingang opgezegd wegens – kort gezegd – het niet nakomen van de hiervoor onder 2.6 vermelde uit de Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen.

2.8. Bij brief van 11 mei 2012 heeft Aurum B.V., enig aandeelhouder van Martinshof, de Nederlandse dealers bericht dat Raymond Weil de exclusieve distributieovereenkomst met Martinshof heeft opgezegd en aangeven dat als gevolg daarvan Martinshof – in afwachting van een uitspraak van de rechter – geen horloges meer kan verkopen en/of uitleveren en geen reparaties kan uitvoeren.

2.9. Op 22 mei 2012 heeft Raymond Weil een kort geding dagvaarding laten betekenen aan Martinshof. Raymond Weil vorderde in die dagvaarding Martinshof te bevelen al haar verkoopactiviteiten waarbij goederen van het merk Raymond Weil werden aangeboden definitief te staken. Grondslag voor die vordering was de stelling van Raymond Weil dat Martinshof zich zou hebben schuldig gemaakt aan het in strijd met de distributieovereenkomst via internet en veilingsites verkopen van Raymond Weil horloges. Twee dagen voor de geplande mondelinge behandeling op 29 mei 2012 heeft Raymond Weil het kort geding ingetrokken.

2.10. In de tweede helft van mei 2012 hebben Raymond Weil en Weisz overeenstemming bereikt over een exclusief distributeurschap van Weisz in Nederland en op 23 mei 2012 heeft Raymond Weil de definitieve versie van de distributieovereenkomst ter tekening aan Weisz aangeboden.

2.11. Bij brief van 24 mei 2012 hebben Raymond Weil en Weisz hun zakenrelaties laten weten dat Raymond Weil Weisz heeft aangesteld als de nieuwe distributeur van Raymond Weil voor de Nederlandse markt.

2.12. Eveneens in mei 2012 heeft [X], op dat moment als brand manager bij Martinshof nog verantwoordelijk voor Raymond Weil, gesolliciteerd bij Weisz. Toen bleek dat Martinshof geen bezwaar maakte tegen de overstap van [X] heeft Weisz hem in dienst genomen.

2.13. Op 31 mei 2012 heeft de advocaat van Martinshof Weisz bij brief gesommeerd zich te onthouden van de verkoop van Raymond Weil producten op de Nederlandse markt totdat de exclusieve distributierelatie tussen Martinshof en Raymond Weil rechtsgeldig is geëindigd.

2.14. Tot op heden heeft Martinshof geen procedure aanhangig gemaakt in Zwitserland.

3. Het geschil in conventie

3.1. Martinshof vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. Raymond Weil te veroordelen al de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst jegens Martinshof volledig na te (blijven) komen totdat deze Overeenkomst rechtsgeldig tot een einde zal zijn gekomen;

II. Raymond Weil te verbieden om een andere (exclusieve) distributeur aan te stellen c.q. zelf die producten te gaan verkopen gedurende de periode dat de Overeenkomst nog niet rechtsgeldig tot een einde is gekomen in het territorium, waarvoor Martinshof is aangesteld als exclusief distributeur voor Raymond Weil producten (de Nederlandse markt);

III. Raymond Weil te veroordelen tot betaling van EUR 157.500,00 bij wijze van voorschot op het door Raymond Weil verschuldigde bedrag aan schadevergoeding voor het frustreren van de verkoop van Raymond Weil producten door Martinshof sinds het voorjaar van 2012, althans tot betaling van een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag als voorschot op schadevergoeding;

IV. Raymond Weil te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 25.000,00, althans tot betaling van een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Raymond Weil geen gevolg geeft aan ieder van de veroordelingen onder sub I en II afzonderlijk, te rekenen vanaf 2 (twee) werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

V. Weisz te verbieden om gedurende de periode dat de Overeenkomst nog niet rechtsgeldig tot een einde is gekomen in het territorium, waarvoor Martinshof is aangesteld als exclusieve distributeur voor Raymond Weil producten (de Nederlandse markt), Raymond Weil producten te verkopen, activiteiten te ontplooien die op de verkoop van voornoemde producten gericht zijn dan wel service in het kader van verkochte producten te verlenen;

VI. Weisz te veroordelen binnen 2 (twee) werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, alle verkooporders en geplaatste bestellingen te verstrekken waaruit voor Martinshof te controleren valt hoe groot de door Weisz gegenereerde omzet en winst met betrekking tot de verkoop van Raymond Weil producten is, toegang aan een onafhankelijk door Martinshof aan te wijzen accountant tot de bedrijfsadministratie van Weisz te verstrekken ter controle van de juistheid van die opgave aan omzet en winst, en tevens te veroordelen tot afdracht van die door Weisz gegenereerde winst aan Martinshof binnen 7 (zeven) werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

VII. Weisz te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 25.000,00, althans tot betaling van een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Weisz geen gevolg geeft aan ieder van de veroordelingen onder sub V en VI afzonderlijk, te rekenen vanaf 2 (twee) werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

VIII. Weisz en Raymond Weil te gebieden dat zij gezamenlijk binnen twee dagen na de datum van het vonnis van de Voorzieningenrechter op eigen kosten de door hen eerder aan klanten en overige zakelijke relaties verzonden brief van 2 mei 2012 zullen rectificeren door aan diezelfde partijen die voornoemde brief hebben ontvangen een rectificatiebrief te sturen met de volgende tekst, althans een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen tekst, onder gelijktijdige verstrekking van een volledige lijst van geadresseerden van de brief 2 mei 2012 aan Martinshof, en tevens de tekst van die rectificatie te plaatsen op de homepage van de websites van Raymond Weil en Weisz, zonder enig commentaar of toevoeging in welke vorm dan ook, opgemaakt conform goed drukkersgebruik, in de gebruikelijke opmaak en omvang van de eerdere brief van 2 mei 2012:

“Dear Customers, Dear Friends,

On May 24th, 2012 we informed you about the fact that we have appointed S. Weisz Uurwerken B.V. as the new distributor for the Dutch market. The content of this message is incorrect. Martinshof B.V. is and remains — and has been since 1993 — the exclusive distributor for Raymond Well products in the Netherlands.

We apologize ourselves for the inconvenience that we may have caused by our previous message. We invite you to contact Martinshof for placing any order and for all service requests.

Best regards,

Raymond Weil S.A. S. Weisz Uurwerken B V.

[Y] [Z]

President & CEO Director”

IX. Raymond Weil en Weisz hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een dwangsom van EUR 25.000,00, althans tot betaling van een door de Voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet tijdig gevolg geven aan de veroordeling onder sub VIII;

X. Raymond Weil en Weisz hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit kort geding.

3.2. Raymond Weil en Weisz voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Raymond Weil vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. Martinshof te bevelen om binnen drie werkdagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan Raymond Weil te verstrekken een volledige opgave van haar voorraad artikelen van (het merk van) Raymond Weil, op straffe van een dadelijk opeisbare dwangsom ten gunste van Raymond Weil van EUR 5.000,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft;

II. Martinshof te bevelen tot het fysiek terughalen dan wel het terugkopen en terug laten leveren van Raymond Weil goederen, die op of via zogenaamde ‘outletstores’ aan handelaren of consumenten worden aangeboden, ondermeer maar niet beperkt tot horloges die op deze wijze door het bedrijf Time for Jewels B.V. (in Rosendaal en Lelystad) worden aangeboden, een en ander op straffe van een dadelijk opeisbare dwangsom ten gunste van Raymond Weil van EUR 5.000,00 per dag of gedeelte van een dag dat zij hiermee in gebreke blijft;

III. Martinshof te veroordelen in de kosten van deze procedure in reconventie.

4.2. Martinshof voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

Ten aanzien van Raymond Weil

Bevoegdheid en toepasselijk recht

5.1. Gegeven de omstandigheid dat gedaagde Raymond Weil in het buitenland is gevestigd, dragen de tegen haar ingestelde vorderingen een internationaalrechtelijk karakter. Derhalve dient allereerst ambtshalve de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vorderingen van toepassing is.

5.2. Martinshof en Raymond Weil hebben in artikel 17 van de op 12 juli 2010 gesloten exclusieve distributieovereenkomst een arbitrage-clausule opgenomen, inhoudende dat alle uit de overeenkomst voortvloeiende geschillen voor een Zwitsers scheidsgerecht zullen worden beslecht. Voorts hebben partijen in die overeenkomst een rechtskeuze voor Zwitsers recht gedaan.

5.3. Raymond Weil heeft haar woonplaats als bedoeld in artikel 2 jo. artikel 53 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX) op het grondgebied van een verdragsluitende Staat en de vorderingen van Martinshof hebben betrekking op een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in artikel 1 EEX. Derhalve is het EEX in deze zaak zowel formeel als materieel van toepassing, hetgeen meebrengt dat de voorzieningenrechter ambtshalve moet onderzoeken of hij krachtens het EEX bevoegd is van de vorderingen van Martinshof kennis te nemen.

5.4. Partijen hebben hun geschillen met betrekking tot de Overeenkomst door middel van een arbitraal beding onttrokken aan de overheidsrechter. Gevolg hiervan is dat de bevoegdheid tot het treffen van voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot die overeenkomst slechts haar grond kan vinden in artikel 24 EEX. Anders dan de vordering tot nakoming is het door Martinshof gevorderde voorschot op de schadevergoeding niet een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX, tenzij is voldaan aan de in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 17 november 1998 (Van Uden/Deco; LJN: AD2958) genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden houden in dat a) moet zijn gegarandeerd dat het toegewezen bedrag aan de gedaagde wordt terugbetaald en b) de gevorderde maatregel slechts betrekking heeft op bepaalde vermogensbestanddelen van gedaagde die zich in de territoriale bevoegdheidssfeer van de aangezochte rechter (zullen) bevinden. Nu in de onderhavige zaak door Martinshof geen garantie is gegeven dat een eventueel toegewezen bedrag door haar zal worden terugbetaald en niet is gebleken dat de geldvordering betrekking heeft op vermogensbestanddelen van Raymond Weil die zich binnen Nederland (zullen) bevinden, is niet aan voormelde voorwaarden voldaan. Dit betekent dat de vordering van Martinshof tot het betalen van een voorschot op de schadevergoeding niet als een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 EEX is aan te merken, zodat de voorzieningenrechter niet bevoegd is van het onder III door Martinshof gevorderde kennis te nemen. Het feit dat Raymond Weil in de procedure is verschenen zonder de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te betwisten doet aan het voorgaande niet af, nu een dergelijke verschijning niet volstaat om op grond van artikel 18 EEX een dergelijke bevoegdheid aan te nemen (zoals overwogen in het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 27 april 1999 (Mietz/Intership; LJN: AD 3042, r.o. 52).

5.5. De vraag naar het toepasselijke recht dient te worden beantwoord aan de hand van de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). De door partijen gedane rechtskeuze voor Zwitsers recht is in overeenstemming met artikel 3 van voormelde verordening en daarmee rechtsgeldig, zodat Zwitsers recht van toepassing is op het onderhavige geschil.

5.6. Martinshof en Raymond Weil hebben beide een ‘legal opinion’ overgelegd met betrekking tot de vraag of naar Zwitsers recht in geval van onregelmatige opzegging van een exclusieve distributieovereenkomst alleen vervangende schadevergoeding kan worden gevorderd of ook nakoming. Op grond van die legal opinions concludeert de voorzieningenrechter dat de mogelijkheden om in kort geding nakoming te vorderen naar Zwitsers recht in ieder geval niet ruimer zijn dan naar Nederlands recht en hoogstwaarschijnlijk zelfs minder ruim. De voorzieningenrechter zal daarom eerst onderzoeken of de vordering toewijsbaar is naar Nederlands recht. Als dat niet het geval is, is de vordering naar Zwitsers recht evenmin toewijsbaar.

5.7. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Martinshof vordert thans weliswaar nakoming van de Overeenkomst, maar zij heeft daar voordien niet op aangestuurd. Immers, na de aankondiging van Raymond Weil dat zij de Overeenkomst wilde beëindigen heeft Martinshof bij brief van 8 maart 2012 laten weten dat zij hiertoe bereid was mits aan een aantal (voornamelijk financiële) voorwaarden werd voldaan. Na de daadwerkelijke opzegging door Raymond Weil op 2 mei 2012 is Martinshof gestopt met het verkopen, leveren en repareren van Raymond Weil horloges en heeft zij haar klanten bij brief van 11 mei 2012 hieromtrent geïnformeerd. In die brief heeft Martinshof verder aangegeven dat zij een uitspraak van de rechter over de geldigheid van de opzegging afwacht. Hoewel zij de mogelijkheid had om een procedure te beginnen heeft Martinshof ruim tweeënhalve maand gewacht met het dagvaarden van Raymond Weil en pas in het onderhavige kort geding is een vordering tot nakoming ingesteld. Ook in de tussentijd heeft Martinshof Raymond Weil niet gesommeerd de Overeenkomst na te komen, terwijl Martinshof naar eigen zeggen over voldoende voorraad beschikte om van haar kant de Overeenkomst te kunnen voortzetten. Bovendien heeft zij eind mei 2012 ingestemd met het vertrek van de medewerker die binnen het bedrijf verantwoordelijk was voor het merk Raymond Weil naar concurrent Weisz, waarmee zij minstgenomen de indruk wekte - afgezien van de financiële afwikkeling van haar relatie met Raymond Weil - zich bij de status quo neer te leggen.

Tegen de achtergrond dat de Overeenkomst hoe dan ook op 31 maart 2013 zou eindigen en onweersproken is gesteld dat de levertermijn voor Raymond Weil horloges zes maanden bedraagt, rechtvaardigt voormeld handelen van Martinshof, waarbij zij vanaf begin mei 2012 feitelijk niets heeft gedaan om nakoming af te dwingen, niet een zodanig vergaande maatregel als nakoming waarbij de feitelijke status quo weer wordt gewijzigd. Het onder I, II en VIII door Martinshof gevorderde moet naar Nederlands recht dan ook wegens het ontbreken van spoedeisend belang worden afgewezen en – gelet op het hiervoor onder 5.6 overwogene – moet hetzelfde worden aangenomen naar Zwitsers recht.

5.8. Als alle verwijten van Martinshof – die door Raymond Weil overigens gemotiveerd worden betwist – juist zouden zijn, zou dat mogelijk reden zijn voor een schadevergoeding, maar het oordeel daarover is aan de Zwitserse arbiters, indien en voorzover die door Martinshof zouden worden geadieerd.

5.9. Martinshof zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Raymond Weil worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris 816,00

Totaal € 4.437,00

Ten aanzien van Weisz

Toepasselijk recht

5.10. Nu Martinshof en Weisz beiden woonplaats hebben in Nederland en Martinshof haar vorderingen jegens Weisz heeft gebaseerd op onrechtmatig handelen van Weisz in Nederland is Nederlands recht van toepassing.

5.11. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de tegen Raymond Weil ingestelde vordering tot nakoming brengt met zich mee dat het onder V door Martinshof jegens Weisz gevorderde verbod tot het ontplooien van activiteiten als distributeur en de onder VIII gevorderde rectificatie eveneens zullen worden afgewezen. Voorts is in dit kort geding niet aannemelijk geworden dat Weisz onrechtmatig heeft gehandeld jegens Martinshof. De daarop gebaseerde vordering onder VI tot afdracht van de behaalde winst strandt dan ook.

5.12. Martinshof zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Weisz worden begroot op:

- griffierecht € 3.621,00

- salaris 816,00

Totaal € 4.437,00

6. De beoordeling in reconventie

6.1. Op grond van artikel 15 van de Overeenkomst heeft Raymond Weil na beëindiging van de Overeenkomst het recht de bij Martinshof aanwezige voorraad tegen de in Schedule 7 bepaalde prijzen terug te kopen. Nu de Overeenkomst door Raymond Weil is opgezegd en de vordering van Martinshof tot nakoming in dit kort geding zal worden afgewezen, kan Raymond Weil naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aanspraak maken op dit recht tot terugkoop. Raymond Weil heeft onweersproken gesteld dat zij een lijst met de voorraden van Martinshof nodig heeft om te kunnen beoordelen of zij daadwerkelijk van dit recht gebruik wil maken. Nu Martinshof niet heeft voldaan aan verzoeken tot het verstrekken van die lijst zal de daartoe strekkende vordering van Raymond Weil worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als in het dictum te bepalen.

6.2. De stelling van Raymond Weil dat Martinshof zonder toestemming horloges heeft geleverd aan ‘outletstores’ is tegenover de gemotiveerde betwisting door Martinshof onvoldoende aannemelijk geworden, terwijl voor een ander onderzoek naar de feiten in kort geding geen plaats is. Onder deze omstandigheden moet er voorshands vanuit worden gegaan dat Martinshof geen horloges heeft geleverd aan ‘outletstores’ dan wel de horloges met toestemming van Raymond Weil heeft geleverd, zodat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is verkoop of levering in strijd met de Overeenkomst. De vordering om Martinshof te bevelen de Raymond Weil horloges die door ‘outletstores’ worden aangeboden terug te halen, zal dan ook worden afgewezen.

6.3. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1. verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding door Raymond Weil,

7.2. weigert de overige gevraagde voorzieningen,

7.3. veroordeelt Martinshof in de proceskosten, aan de zijde van Raymond Weil tot op heden begroot op € 4.437,00 en aan de zijde van Weisz begroot op € 4.437,00,

7.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.5. beveelt Martinshof om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis aan Raymond Weil te verstrekken een volledige opgave van haar voorraad artikelen van (het merk van) Raymond Weil,

7.6. veroordeelt Martinshof om aan Raymond Weil een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag dat niet aan de onder 7.5 uitgesproken hoofdveroordeling wordt voldaan, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,

7.7. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

7.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C.C. Kaal op 18 juli 2012.?